*

 
dossier

Archief

De strikte regels van de waanzin

Door: redactie − 27/06/08, 00:00

Aan de hand van de tragische levens van Zelda Fitzgerald,Virginia Woolf en andere vrouwen schreef Lisa Appignanesi een meeslepende geschiedenisvan tweehonderd jaar psychiatrie.Door Ranne Hovius..

Scott en Zelda Fitzgerald waren de Amerikaanse iconen van de jaren ’20 van de vorige eeuw, de roaring twenties. Ze dronken, feestten, dansten de charleston, sprongen in fonteinen, werden uit hotels gegooid, spendeerden geld als water en reisden op en neer tussen Amerika, Parijs en de Franse Rivièra.

Zelda was met haar kortgeknipte haar, gewaagde kleren, haar roken en roekeloosheid wat in die jaren een flapper werd genoemd, een onafhankelijke jonge meid die zich niet aan banden liet leggen door conventies. Scott Fitzgerald zag in haar niet alleen de opruiende schoonheid waar hij verliefd op werd, maar maakte haar ook de hoofdpersoon van zijn meeste romans. Hij gebruikte haar levensstijl en uitspraken voor zijn personages, en schreef soms letterlijk teksten uit haar dagboeken en brieven over. Ze was zijn muze.

Maar ze was wel een muze die gek werd. In een fontein springen was misschien nog leuk onconventioneel, zich publiekelijk van een marmeren trap afwerpen omdat Scott aandacht aan een ander besteedde, was waanzin. Net als de ruk die ze tijdens een uitje aan het autostuur gaf waardoor het echtpaar – hun kind op de achterbank – in volle vaart op een klif afdenderde.

Het waren incidenten die tekens aan de wand bleken. De volledige instorting kwam nadat Zelda zich fysiek had uitgeput met balletlessen, in een vergeefse poging een eigen artistieke carrière op te bouwen. Ze was dertig toen ze voor de eerste keer in een inrichting verdween – hallucinerend, depressief, angstig, suïcidaal, astmatisch en bedekt met eczeem. In de jaren die volgden wisselden betere periodes en opnames elkaar af, tot ze op 47-jarige leeftijd tijdens een brand in een inrichting om het leven kwam.

De diagnose die de meeste psychiaters die haar behandelden stelden, was schizofrenie. In de toegepaste therapieën zat een grotere variatie, afhankelijk van de toevallige psychiater en de periode waarin ze de behandelingen kreeg. Hypnose, psychoanalyse, gesprekstherapie, een rustkuur, watertherapie, bezigheidstherapie, medicijnen en insuline shocks: het is vroeg of laat allemaal zonder veel succes uitgeprobeerd.

Wat ook niet bijdroeg aan haar evenwicht was haar afhankelijkheid van Scott, die niet alleen een zware alcoholist was, maar ook haar literaire ambities saboteerde.

Tijdens haar eerste verblijf in een inrichting schreef ze een opmerkelijke roman over haar huwelijk met Scott, Save me the Waltz (1932). Scott was woedend over deze literaire concurrentie, waaruit hij talloze passages liet schrappen of herschrijven. Hij wilde niet dat ze nog ooit een autobiografische regel op papier zou zetten, met het wat onsmakelijke argument dat hij de rekeningen voor haar behandelingen betaalde en hij dus ook het auteursrecht op hun gezamenlijke leven had. Hoe hij dit leven zag, kon Zelda niet lang daarna lezen in Tender is the Night (1934). Ze las het als een beschuldiging aan haar adres – zij zou verantwoordelijk zijn voor zijn ontluisterende neergang – en verdween, geschokt, opnieuw in een inrichting.

De treurige geschiedenis van Zelda Fitzgerald wordt buitengewoon mooi beschreven in Mad, Bad and Sad – A history of women and the mind doctors from 1800 to the present van Lisa Appignanesi. Niet minder mooi beschrijft Appignanesi in deze omvangrijke geschiedenis van de psychiatrie de door waanzin getekende levensverhalen van Virginia Woolf, Marilyn Monroe, Sylvia Plath en andere, minder bekende vrouwen. Ze gaat terug tot aan het begin van de negentiende eeuw om te laten zien hoe in iedere periode opnieuw maatschappelijke opvattingen, psychiatrische diagnostiek en de symptomen van waanzin op elkaar inspelen en ons beeld van waanzin bepalen. ‘Iedere generatie’, citeert ze de filosoof Ian Hacking, ‘kent behoorlijk strikte regels voor hoe je je moet gedragen als je gek bent.’ Het zijn deze regels die centraal staan in Mad, Bad and Sad.

Een mooi voorbeeld is de hysterie zoals die in de tweede helft van de negentiende eeuw door de Franse neuroloog Charcot werd beschreven. In de Salpêtrière, het Parijse ziekenhuis waar hij werkte, waren hysterici en epileptici door toeval in hetzelfde gebouw ondergebracht. Wat Charcot in zijn hysterische patiënten observeerde, waren onder meer gedragingen die zij van hun epileptische medebewoners hadden overgenomen. Hij nam deze gedragingen op in zijn invloedrijke theorie over de vier stadia van een hysterische aanval.

Tijdens de openbare patiëntendemonstraties die hij gaf – en die behalve door studenten en artsen als Freud ook door schrijvers, journalisten en nieuwsgierigen bezocht werden – toonde Charcot bij voorkeur die patiënten die haarfijn aanvoelden welk gedrag van ze verwacht werd. Zo ontstond een beeld van hysterie dat een tijdlang de literatuur overheerste, maar in feite door geen patiënt buiten Parijs vertoond werd.

Appignanesi concentreert zich in haar boek op vrouwen. Ze doet dat niet zozeer uit feministische overwegingen als wel, schrijft ze, omdat er ‘eenvoudigweg zoveel meeslepende case studies van vrouwen zijn’ die bepalend zijn geweest voor de theorievorming in de psychiatrie.

En natuurlijk spelen in die beschrijvingen specifieke vrouwenproblemen een rol. Zoals problemen rond seksualiteit, zwangerschap of menopauze die in verschillende perioden van de geschiedenis als bepalend voor vrouwelijke waanzin werden gezien. Of problemen rond de rolverdeling tussen man en vrouw.

Wie aan het einde van de negentiende eeuw aan de huiselijke kluisters van het vrouwenbestaan probeerde te ontsnappen, was per definitie al verdacht, en ontspoorde haar geest ook werkelijk dan kon ze rekenen op een behandeling die gericht was op het terugkeren naar de huiselijke taken die haar overgevoelige vrouwenbrein niet overmatig belastte.

Tot op zekere hoogte speelde deze houding ook een rol in de behandeling van Zelda Fitzgerald. Hoewel haar psychiaters de oorsprong van haar waanzin, al naar gelang de opvattingen van de tijd, zochten in oedipale problematiek, de verhouding met haar moeder, overbelaste zenuwen of erfelijke factoren, waren ze het in grote trekken met Scott Fitzgerald eens: haar ambities behoorden ondergeschikt aan die van hem te zijn, en te veel carrièredrang belemmerde haar herstel.

Andere tijden geven aanleiding tot andere diagnoses, tot een herdefiniëring van oorzaken en een herschikking van symptomen. Maar leiden ze ook tot betere diagnoses en een beter inzicht in symptomen? Is er in die tweehonderd jaar psychiatrische geschiedenis eigenlijk wel vooruitgang geboekt? Daar is Appignanesi sceptisch over. Mad, Bad and Sad is niet geschreven als een doelgericht betoog met stevige conclusies, maar ontleent zijn kracht vooral aan de prachtige beschrijvingen, die meanderend aan elkaar gesmeed worden tot een schilderachtig totaal.

Toch licht één conclusie uit haar beschrijvingen helder op: er is behoorlijk vooruitgang geboekt op het gebied van de omstandigheden voor psychiatrische patiënten; er zijn steeds betere medicijnen om de meest hinderlijke symptomen van uiteenlopende stoornissen af te zwakken; en het alom doorgedrongen besef dat iedereen vroeg of laat met een stoornis te maken kan krijgen, heeft de stigmatisering van patiënten voor een groot deel verholpen.

Maar als het gaat om het ontwarren van de kluwen van erfelijke, sociale en psychologische factoren die een rol spelen bij het ontstaan van waanzin, zijn we nog even ver van huis als tweehonderd jaar geleden.

mailIcon print |