*

 
dossier

Archief

Warme, natte, Franse zomermaanden

Van onze verslaggevers Michael Persson, Ben van Raaij − 01/08/08, 00:00

Het Nederlands klimaat is snel aan het verfransen...

DE BILT Voor een Franse zomer hoeven we tegenwoordig niet meer naar Frankrijk op vakantie. Lyon ligt in Utrecht, Poitiers in Maastricht en Parijs in Groningen. Althans: het weer uit die plaatsen is naar Nederland verhuisd.

Een kaartje van de meteorologische verfransing van Nederland is te vinden in het donderdag verschenen rapport De toestand van het klimaat in Nederland 2008. De onderzoekers van het KNMI in De Bilt zijn – anders dan in de vorige editie van het rapport vijf jaar geleden – stellig: het klimaat in Nederland (en de rest van West-Europa) warmt sinds 1950 2,2 keer zo snel op als het mondiaal gemiddelde, en dat kan geen toeval meer zijn.

Of preciezer: het kán toeval zijn, een gevolg van natuurlijke klimaatschommelingen, maar de kans daarop is ongeveer één op duizend. Meteorologen baseren zich altijd op statistiek – en daarmee valt keurig uit te rekenen hoe hard bepaalde trends zijn.

Hard dus, in dit geval. ‘Acht jaar geleden constateerde ik vergelijkbare dingen’, zegt Geert Jan van Oldenborgh, klimaatonderzoeker, achter zijn bureau in De Bilt. ‘Toen wees de statistiek nog niet op een duidelijke trend. Het zal wel toeval zijn, zei ik, straks gaan de temperaturen weer omlaag. Die voorspelling is dus niet uitgekomen.’

De auteurs lijken nu in hun eigen rapport terecht te zijn gekomen. In hun kamer in het KNMI-gebouw probeert een ventilator op volle toeren de tropische temperaturen weg te blazen – de onderzoekers zweten niettemin.

‘Het nieuws is ook voor ons heel opwindend’, zegt Van Oldenborgh, nu de waarnemingen de klimaatmodellen beginnen te bevestigen. ‘We wisten wel wat er ongeveer gebeurde, maar pas nu zijn de trends significant. En nu weten we ook waarom het gebeurt.’

Het KNMI probeert de feiten – 1,5 graad warmer, 18 procent meer neerslag, meer zware buien, een nattere kuststrook, vooral in de zomer en nazomer – niet alleen te constateren, maar ook te begrijpen. Daarvoor zijn mondiale klimaatmodellen niet geschikt: die zijn veel te grofmazig, en hebben dus niet kunnen voorspellen dat het in West-Europa twee keer zo hard zou gaan. Daarom probeert Van Oldenborgh de meetgegevens op een andere manier te interpreteren, met simpele verbanden.

‘Alles draait om statistische significantie: hoe onwaarschijnlijk een afwijking van het wereldgemiddelde is. Ik neem niet aan dat de temperatuur een lineaire trend is, maar een kromme. Dan krijg je een zuiverder analyse.’

De verklarende modellen tonen een complex samenspel van oorzaken van de versterkte opwarming. ‘Toen we begonnen hoopten we dat we één factor zouden vinden die alles verklaart – maar helaas.’

In de winter is er de frequentere zuidwestenwind, die relatief warme, vochtige zeelucht naar onze contreien blaast. In de zomer is er minder bewolking, doordat een sterkere zuidenwind warme, droge mediterrane lucht naar het noorden brengt (en de luchtvervuiling is afgenomen). De nieuwe windpatronen hebben te maken met andere drukverdelingen in de atmosfeer, maar hoe die ontstaan weten de onderzoekers niet.

Laat staan dat ze kunnen aantonen dat de opwarming echt door het broeikaseffect komt. ‘Het is waarschijnlijk, maar we kunnen het niet modelmatig bewijzen’, zegt Van Oldenborgh. ‘De oorzaak kan ook nog steeds een onbekende lange-termijnfluctuatie zijn.’

Desondanks durven de KNMI-onderzoekers inmiddels wel te spreken van klimaatverandering. Volgens de officiële definitie van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) moet je temperatuur en neerslag dertig jaar middelen om over ‘klimaat’ te kunnen spreken. ‘Daarom hebben we het met de versnelde opwarming in Nederland tot nu toe op toeval gehouden’, zegt Van Oldenborgh.

De 2,2 keer zo snelle opwarming verklaart echter niet waarom 2006 en 2007 zo ‘belachelijk warm’ waren, de warmste jaren sinds in 1706 in Nederland met temperatuurmetingen werd begonnen.

Zelfs binnen een warmer wordend klimaat komt een herfst als die van 2006 slechts eens in de paar honderd jaar voor, zegt Van Oldenborgh. ‘Al kan het zijn dat de kansverdeling zelf ook verandert, met een toenemende kans op uitschieters. Het klimaat zou dan in dit opzicht aan het verruwen zijn.’

Overigens is West-Europa niet de regio waar de temperaturen het hardst stijgen. In Siberië, Alaska en andere noordelijke streken gaat de opwarming driemaal zo hard als gemiddeld, in woestijngebieden gaat het ook snel. Alleen boven sommige goed mengende oceaangebieden blijft het relatief koel, doordat de extra warmte in de atmosfeer snel door de hele waterkolom wordt geabsorbeerd.

mailIcon print |