27 jaar geleden meerde de kunstenaar Frans Schuursma met zijn boot aan op de Seine, midden in Parijs. Afgelopen zomer ontnam de gemeente hem zijn ligplek....
Door het raam van de stuurhut van de Julia zien we op zo’n twee scheepslengten afstand de Joséphine liggen. ‘Yacht Joséphine’, om precies te zijn. Joséphine is een bateau de luxe, strak in de glansverf en met, als je de site mag geloven, alle verwennerij die een mens zich wensen kan. Daar steekt de Julia, een groene, 120 jaar oude Hollandse klipper, simpel bij af.
Maar dat is het niet wat Frans Schuursma dwarszit. En wat ze op de Joséphine zoal uitspoken, dat gaat hem ook niet aan. Maar Joséphine ligt op zíjn plek, de plek waar hij 27 jaar geleden aanmeerde. En dat doet pijn.
Een week of twee geleden belde hij zelf de krant. Zijn zaak lag inmiddels bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg; Jean-Paul Delevoye, de nationale ombudsman, was op de hoogte en ook Edouard Balladur, voormalig premier en nu gedeputeerde voor Parijs, had er bemoeienis mee. Werd het geen tijd voor de Volkskrant om eens te komen kijken?
De péniche van Schuursma ligt aan de kade van de Avenue de New York, vlak bij het Palais de Tokyo, het museum voor moderne kunst. Aan de overkant van de Seine is de Eiffeltoren dichtbij. Ook de plek waar prinses Diana verongelukte, is niet ver uit de buurt.
Op het dek staan plantenbakken. Bel je aan, dan begint scheepshond Charly te blaffen. De man die opendoet, een rijzige verschijning van 69 jaar met zilvergrijze haren, doet hier midden in Parijs vertrouwd Hollands aan.
Terwijl om de paar tellen een rondvaartboot langsdendert en hoge golven maakt (‘ze mogen hier maximaal 12 kilometer, maar niemand houdt zich daaraan’), doet hij in de stuurhut zijn verhaal. Het begon allemaal een kleine anderhalf jaar geleden, toen de Port Autonome, de havenautoriteit van Parijs, hem een brief stuurde dat hij zijn ligplaats zou kwijtraken. De reden: aan dit deel van de kade moest ruimte worden gemaakt voor schepen met een publiek belang, rondvaartboten en dergelijke. Schuursma’s péniche zou een vijftig meter opschuiven.
Schuursma weigerde pertinent. Maar toen afgelopen zomer zijn schip op de helling ging, helemaal in Charleroi, en hij na twee maanden terugkwam, lag de Joséphine op zijn plek. Zijn loopbrug was op de wal gegooid, kapot. Voor hem hadden ze de ellendige plaats bedacht waar hij nu ligt. Schuin onder passerelle Debilly, de voetgangersbrug naar het musée Branly, zodat hij elke ochtend de peuken en blikjes van het achterdek kan rapen die over de brugleuning worden gegooid. Het zicht op de Eiffeltoren, duizend keer door hem geschilderd, is hij kwijt.
Wat erger is: de punt van het schip ligt nu vast aan de buurboot, en niet lekker stevig aan de wal. In december en januari spookt het vaak op de Seine, het water kan hard gaan stromen en snel stijgen. Dan komen er tonnen en boomstammen langsdrijven. Schuursma heeft meegemaakt dat hij zo van zijn schip de wal op kon stappen; het hoogteverschil is normaal gesproken drieënhalve meter. ‘Als ik denk aan wat er dan in deze omstandigheden kan gebeuren, maak ik me vreselijk zorgen. Als er storm voorspeld wordt, blijf ik nu thuis.’
‘Joséphine en ik, we vallen in dezelfde categorie. Ik ben kunstschilder, ik heb mijn atelier in de boot, ik exposeer, en leef van mijn werk. Eigenlijk is dit ook een winkeltje. Er is bijvoorbeeld een Amerikaan die me maar eens in de twee jaar komt opzoeken. Maar als ie komt, besteedt hij soms voor 20.000 euro. Vindt hij me nu niet terug, dan blijft hij misschien voorgoed weg. Ik heb dus een cultureel en een economisch belang. Als twee mensen die in dezelfde categorie vallen, verschillend worden behandeld, dan heet dat discriminatie.’
Op tafel ligt inmiddels een map met correspondentie, samengesteld door een bevriende advocaat. Briefwisselingen met de médiateur de la republique (de ombudsman), en met Balladur; een brief van Michèl Dauberville, directeur van Bernheim-Jeune, de meer dan twee eeuwen oude galerie waar ooit Matisse, Rodin, Renoir en Bonnard exposeerden en die Schuursma’s werk in Frankrijk verkoopt. Dauberville schrijft dat de ‘drukte en het geluid van de brug de rust en eenzaamheid verstoren die deze grote kunstenaar nodig heeft’.
‘Het is een vieze, nare zaak’, vat Schuursma samen. Met wat hem betreft een dubieuze rol van de Port Autonome, en vooral van de VNF, de Franse Rijkswaterstaat, die volgens Schuursma een grenzeloze macht heeft. ‘Die doen waar ze zin in hebben. De Raad van Europa vindt dat ook interessant.’
Helemaal achter in de map zit de uitdraai van een internet-correspondentie op een libertijnse site, waar een zekere Tzaray en Tzarine liefhebbers uitnodigen voor een avond aan boord van ‘dat magische oord van luxe en comfort. Kijk op yacht-josephine.com. voor pleziertjes met de voeten in het water.’
Als de verslaggever vertelt dat hij al op de yacht-site heeft gekeken en dat de Joséphine zo op het oog een keurige huurboot is, met naast een jacuzzi ook een plasmascherm, draadloos internet en wintertuin, warm aanbevolen voor al uw bruiloften, verjaardagen, seminars en doopplechtigheden, knikt de schilder instemmend en wijst door het raam. ‘Kijk, de voornaamste activiteit daar is het schrobben van het dek. ’s Avonds zie je zelden licht branden. Als ze één keer per week varen, is het veel. Ik weet niks en ik zie niks, dat moet duidelijk zijn. En ’s nachts al helemaal niet: dan slaap ik.’
Niet dat hij er een slecht humeur van krijgt. Hoe zou je dat als schilder kunnen hebben? Schilderen is het mooiste bestaan dat hij zich kan voorstellen.
We dalen af naar zijn atelier, in het ruim van de boot. Langs de wanden staan stapels schilderijen. Door een dekraam valt licht binnen. Zo op het eerste gezicht is Frans Schuursma een echt Parijse schilder. Op veel van zijn werk duikt de Eiffeltoren op. Soms alleen ergens in een hoekje een paar torenpoten, soms ook pontificaal midden in beeld. Op ouder werk zie je vaak de Seine; de laatste jaren schildert hij mensen aan terrastafeltjes, met van die echt Parijse Hausmann-huizenblokken op de achtergrond. Auto’s passeren, en ook steeds meer fietsen.
‘Kijk’, zegt hij, terwijl hij de forse doeken een voor een tevoorschijn haalt, ‘de mensen zijn bij mij geen decor, het zijn karakters. Het gaat me om de spanning en ontspanning tussen mensen, om wat ze met elkaar doen. Dat maakt mijn werk Nederlands. Franse schilders zijn toch meer met zichzelf bezig.’
Aan de wand van zijn atelier hangen reeksen schilderijen met steeds drie of vier koffiepotten. Ze leunen tegen elkaar aan, houden elkaar gezelschap, lijken met elkaar in gesprek. ‘Na mijn scheiding, nu twaalf jaar geleden, heb ik jaren geen mensen kunnen schilderen. Zo’n koffiepot is dan blijkbaar een soort Ersatz-gezelligheid. Heel geleidelijk kwam de mens terug.’
Er spreekt opgewektheid uit zijn schilderijen. De kleuren – veel helblauw, zonovergoten geel en oranjerood – zouden in Nederland nooit zo uitkomen. Toch weigert Schuursma van Parijse kunst te spreken. ‘Ik voel me na al die jaren nog steeds geen Parijzenaar. Mijn beste vrienden hier zijn buitenlander, net als ik.’
De meeste kopers van zijn werk komen van buiten Frankrijk. ‘Ik heb wel Franse klanten, maar niet veel. Franse kunstenaars werden doorgaans ook in eerste instantie door buitenlanders gekocht, door Amerikanen of Russen. De smaak is hier behoudend.’ Schuursma kan goed van zijn werk leven, zonder heel beroemd te zijn. ‘Ik ben niet in de mode en niet mondain genoeg’, vat hij samen. ‘Maar de mode gaat me nog weleens inhalen.’
Wie 27 jaar op een boot in de Seine woont, bouwt een bijzondere deskundigheid op. Schuursma is ongewild veel te weten gekomen van drenkelingen en ook van zelfmoordpogingen (‘Altijd op mooie zomeravonden, en bij voorkeur vanaf de Pont Neuf’). Een keer of zes haalde hij een drenkeling uit de Seine, reddingen die werden verricht vanaf de wal. Frans Schuursma, telg uit een geslacht van Friese schippers en dominees, kan namelijk niet zwemmen. Als hij gaat varen, doet hij een zwemvest aan. De rolverdeling is helder: hij achter het stuur, en voor het touwwerk is er een bootsman of -vrouw.
In 1969 kwam hij voor het eerst met een bootje naar Parijs. Dat heeft toen een jaar geduurd. Een kleine dertig jaar geleden kocht hij het schip waarop hij nu nog woont. Een jaar lang heeft hij eraan gewerkt, toen was het klaar om naar Parijs te varen. Waarom Parijs? ‘Ik wilde Nederland uit. In België had ik al eens gewoond, en Duitsland trok me niet. Dan is de keuze simpel.’
En waarom gaat hij niet gewoon lekker in een huis wonen? ‘Daar heb je het weer’, zegt hij. ‘Ik hou ervan tussen twee werelden te zitten. Hier start ik m’n motor en na een uur of tien varen, altijd stroomopwaarts, zit ik in de stilte, tussen de koeien. Ik hou van de stad, maar wil er niet helemaal bij horen.’
‘Zodra ik me geen buitenlander meer voel, ga ik weg. Die spanning heb ik nodig. Parijs is een jungle voor mij. Als ik terug ben in Bergen, waar ik gewoond heb, ben ik eerst even vreselijk gelukkig. En daarna*’ Zijn hand maakt een vlak gebaar.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.