In een Amsterdams volkstuincomplex bloeiden begin jaren negentig de letteren. Maarten ‘t Hart, K. Schippers en andere hobbytuiniers schreven onder pseudoniem het blaadje van Nieuw Vredelust vol....
Halverwege de jaren tachtig deden stedelijke intellectuelen, kunstenaars en tweeverdienersgezinnen met woningen zonder tuin een ontdekking. Je hoefde niet in de overvolle trein naar het strand te stappen of met zijn miljoenen door het bos te wandelen om van buitenlucht en natuur te genieten.
Het was zelfs niet nodig om een krot in Frankrijk te verbouwen, met alle rompslomp van dien. Op een half uur fietsen van de binnenstad stonden lappen grond met schattige huisjes te koop, voor bijna niets: de volkstuintjes.
Veel oorspronkelijke bewoners waren overleden of naar een woninkje in suburbia verhuisd. Nu was de beurt aan de nieuwe volkstuinders. Journaliste Lien Heyting kocht zo’n tuintje met haar zus Christa en haar man Hans Ree. Al gauw werd hun kleine lustoord een pleisterplaats voor vrienden, van wie sommigen ook een tuintje kochten.
Op een dag ontstond het plan om te gaan infiltreren in het verenigingsblaadje van het complex, Nieuwe Vredelust. Tussen de bestuursmededelingen en bemestingsadviezen verscheen ineens proza en poëzie. L.S. Zeeman (Lien Heyting), Stijn Staak (Christa Heyting), K. Tuinders (K. Schippers), Jan Salie (Rudy Kousbroek) en H. Koning (Hans Ree) lieten zich gaan in lofzangen op de geneugten van de natuur en overpeinzingen van de landman. Later sloten zich Jan Balkon (Adriaan van Dis) en Cor de Niet (Maarten ’t Hart) aan bij de coupplegers. Hun identiteit werd strikt geheimgehouden.
Nu, zeven jaar na de laatste bijdrage, komen de tuinschrijvers uit de kast. De tweehonderd verhaaltjes en gedichten zijn gebundeld in een mooi uitgegeven boek, Tuin in de branding, ingeleid door Lien Heyting, de oermoeder van deze tuinders.
Het is een amusant geheel geworden, maar gelukkig niet lollig. Het is de auteurs ernst met hun liefde voor hondsroos, de snijbiet, de dravik, de wolfsmelk, de springbalsemien en het slaapkamergeluk. Het is hen ook ernst met de literatuur. De dichters Salie, Balkon en Staak zijn vormvast in hun sonnetten en serenades. De prozaschrijvers lieten zich evenmin verleiden tot kolder en satire. Er zit een hele familieroman verstopt in dit boek, ‘Tuin in de branding’ van L.S. Zeeman, de veelbewogen geschiedenis van de veelkoppige, chaotische familie Wezel, waarin de tuin een hoofdrol vervult.
Stijn Staak, de enige niet-professionele schrijver in het gezelschap schreef fraaie verzen uit het gezichtspunt van plant en dier:
Ik zit in ’t centrum van ’t heelalMijn draden span ik overal.
H. Koning en Pim Pion bleven bij hun leest: het verband tussen schaken en de tuin. ‘Soms voelde Pion zich een mens en vergat hij dat hij van hout was’. K. Tuinders schreef kleine overpeinzingen, met oog voor detail en toeval, zoals we die kennen van zijn tweelingbroer: ‘Van alle woorden is tuinslaper het mooiste’. Cor de Niet, zielsgelukkig spittend bij zonopkomst, maakt zich druk over slappe bosjes peen, voor drie euro bij de groenteboer. Jan Balkon, oud-trambestuurder, treurt in zijn tuintje om de dingen die voorbijgaan: ‘O, haar hand die ik zo mis/ Het resultaat is wildernis.’
De mooiste gedichten zijn die van de treurwilg Jan Salie, een oude weduwnaar, die zijn botten warmt aan glimpen van geluk, maar toch in alles de dood ziet:
Breng me naar Nieuw Vredelust Dat is des Hemels poort En daar leef ik na mijn dood In de tomaten voort.Aleid Truijens
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.