*

 
dossier

Archief

Glas als glijmiddel

tekst Annette Wiesman − 02/10/07, 00:00

Vergaderen in een glazen kubus, een werkplek die grenst aan een doorzichtige corridor; de moderne kantoorslaaf mag zien en gezien worden....

Net als het overbekende Interpolis-hoofdkantoor in Tilburg, is ook het interieur van de pas opgeleverde Utrechtse vestiging van de verzekeraar open en transparant. De entree van het kantoor in De Meern bestaat uit een enorm atrium met loopbrug en trappen naar de eerste verdieping. De zithoekjes met ‘oorstoelen’ – groene, vilten fauteuils met ter hoogte van het hoofd een uitstulping – zorgen in deze weidsheid voor een huiskamerachtig tegenwicht.

‘We hebben geprobeerd alles zo open mogelijk te houden’, zegt facility manager John Boender. ‘Zo kom je beter met elkaar in contact. Bij Interpolis heeft niemand een eigen plek. Dagelijks vraag je je af wat je gaat doen, en wat voor werkplek je daarbij nodig hebt.’

Op de plaza op de eerste verdieping valt een rijtje glazen eenmanskantoorcellen (‘cockpits’) op, waar we tegen ijverig werkende ruggen aankijken. In een half open brainstormruimte met aan de wand een flatscreen vergadert een relaxed ogend werkgroepje; verderop werkt een vrouw wireless aan haar laptop. Daarachter bevindt zich een futuristische ruimte met meerdere vergaderhoekjes, voorzien van gecapitonneerde, geluidsdempende stoelen. Het is alsof we rondlopen in een levende kantoorcommercial.

Niet ieder kantoor heeft zulke stijlvolle interieurs, maar de afwisseling van grote kantoorruimtes en doorzichtige vergaderplekken, transparante stiltecellen en glazen werklounges begint al behoorlijk ingeburgerd te raken. Menig nieuw opgeleverd kantoor moet eraan geloven. Licht, vriendelijk en toch modern; glas is het glijmiddel van de moderne architectuur.

‘Managers zijn dol op glas’, zegt Juriaan van Meel, onderzoeker bij het Center for People and Buildings. ‘Het is een cliché, maar glas staat voor een transparante organisatie. In elk ontwerpplan lees je tegenwoordig dat samenwerking en transparantie het doel zijn. Het is pure symboliek.’

Ook de architectuur zelf speelt een rol. Kantoorgebouwen met een béétje allure zijn niet meer smal en rechthoekig, maar vierkant met een gat erin, ovaal of anderszins exotisch van vorm. Het benodigde daglicht wordt aangevoerd via een centraal glazen atrium, de levensader van menig nieuw kantoorgebouw. Het is duidelijk: het kamertje-met-raam aan de gevel is niet langer de standaard.

‘Je kunt er ook een slingerbeweging in zien’, zegt Van Meel. ‘Van de dichtgegroeide kantoren in de jaren vijftig, de kantoortuinen in de jaren zestig, de kamertjeskantoren in de jaren zeventig tot de open, transparante en flexibele kantoren van nu. Die kamertjeskantoren waren fijn voor het individu, maar er was weinig interactie met anderen en de gangen waren claustrofobisch. Je kon ook niet zien of een collega aanwezig was.’

De vraag is natuurlijk of organisaties door al dat gebruik van glas en open ruimtes daadwerkelijk transparanter worden. Nu is transparantie een lastig meetbare eigenschap, waarvan weinigen precíes weten wat ermee wordt bedoeld. Dat iedereen mag zien wie met wie het vergaderhok induikt, of zoiets.

Wel blijkt uit de meeste evaluaties dat de tevredenheid over de communicatie omhooggaat, weet Van Meel. ‘Je komt elkaar makkelijker tegen, je kunt even snel wat informatie uitwisselen.’

De haast onvermijdelijke keerzijde, blijkt uit dezelfde onderzoeken, zijn de klachten over gebrek aan privacy en concentratie. Een bekend voorbeeld is Villa VPRO in Hilversum (met 35 soorten glas in de gevels), waar medewerkers aanvankelijk niet blij waren met het galmende, open interieur. In de verbouwde bouwkundefaculteit van de TU Delft en het INIT-gebouw in Amsterdam plaatsten medewerkers demonstratief kasten voor hun ramen, of plakten ze dicht met posters. In de Amsterdamse PCM-huisvesting grenzen een paar redactielokalen met hun glazen wanden direct aan het drukke atrium. Het verhaal gaat dat de architect de eerste maanden regelmatig de zichtlijnenbedervende rotzooi eigenhandig kwam verwijderen.

Of de overgang naar zo’n hip, exhibitionistisch kantoor slaagt, hangt erg af van de betreffende organisatiecultuur, leert de praktijk. Autoriteitsgevoelig bankpersoneel zal zich eerder houden aan regels ten aanzien het ophangen van posters en een clean desk policy dan lastig volk als wetenschappers en journalisten. En het is ook een generatiekwestie. ‘De oude garde verzet zich er veel langer tegen’, weet Boender.

Ferdinand van Dam van architectenbureau Ontwerpgroep Trude Hooykaas (OTH), dat de vormgeving van de Utrechtse Interpolis-vestiging deed, kan er wel om lachen. Ook hij mag graag alle soorten glas gebruiken, gematteerd, gedecoreerd, gezandstraald, helder.

Sterker nog, nu de mensen eraan gewend raken, durft hij vaker volledig transparant glas te gebruiken. ‘Het maakt een ruimte nu eenmaal prettig. Ik wil binnen kunnen zien wat het buiten voor weer is, jij niet?’

Zijn bureau ontwierp ook de interieurs van advocatenkantoor Boekel de Nerée op de Amsterdamse Zuidas, het ministerie van OC & W en het ING House in Amsterdam. Om de gebruikers te laten wennen aan de overgang van een gesloten naar een open kantoor, doet Van Dam aan nazorg. Vooraf zijn er al bezoeken gebracht aan soortgelijke projecten, en na de oplevering kunnen onderdelen eventueel worden bijgesteld. ‘We vertrekken niet onmiddellijk, maar we gaan ook niet meteen alles weer veranderen.’ Zo functioneert het atrium bij Boekel de Nerée als trappenhuis annex bibliotheek; de lichtgaten snijden verticaal door alle afdelingen heen. ‘Aanvankelijk moesten de mensen wennen aan dat ‘gat’ midden in hun afdeling. Maar het zou zonde zijn om de open balustrade dan maar meteen dicht te maken.’

Van Dam toont verschillende ontwerpen, waarbij hij soms met spijt opmerkt dat een deel van de plattegrond toch moest worden ‘verkamerd’. Meestal ontstaat er een mix van open en gesloten. ‘Bij het ING House, waar de Raad van Bestuur en de staven zitten, is privacy heel belangrijk. Tegelijkertijd konden de werkplekken flexibel worden ingevuld, omdat de medewerkers vaak van hun plek waren.’

Zo ontstond er een rij glazen, maar ondoorzichtige ‘kabinetten’, waar geconcentreerd gewerkt kan worden, en daarachter kamers voor zes personen.

‘Hier zijn de individuele lockers, voor je persoonlijke spullen. De telefoons hangen in een aparte kast’, zegt John Boender op een van de afdelingen in het Interpolis-kantoor; een langwerpige ruimte met enkele stiltecabines. Is het niet onhandig, al die door het gebouw rondzwervende medewerkers? Dat valt wel mee, zegt Boender. ‘Maar iedereen heeft een portable telefoon en toegang tot het telefoonboek, dus je bereikt elkaar wel.’ En: dankzij de handige transparante deuren hoef je de cockpits niet allemaal binnen te lopen, als je je collega zoekt.

Sinds de fusie met Achmea is een aantal kantoren in De Meern bezig over te gaan op het Interpolis-concept. Een speciaal project, waarbij alle gebruikersgroepen worden betrokken, bereidt de medewerkers voor op de overgang. ‘Ze moeten leren hun bureaus altijd op te ruimen, zodat een ander er terecht kan, dat hun plek niet hun territorium is en dat ze niet teveel lawaai maken in de buurt van werkplekken’, zegt Boender. Wel is er voor het flexibele kantoorconcept constant onderhoud nodig, geeft hij toe. ‘Als je er niet bovenop zit, hebben mensen altijd de neiging om plekken voor zichzelf op te eisen. Maar uiteindelijk hebben de mensen geen keuze, want we hebben werkplekken voor maar tweederde van ons personeel. Door de kosten die je daarmee bespaart, kun je een mooi kantoor maken.’

Het open kantoor gedijt vooral bij organisaties waar de medewerkers geen eigen werkplekken hebben, zoals bij Interpolis. Zo’n 15 procent van het Nederlandse bedrijfsleven is serieus bezig met flexwerken, schat Van Meel. Daarvoor moeten niet alleen de werkprocessen gedigitaliseerd zijn. Een mooie werkomgeving is minstens even belangrijk. ‘Er moet geïnvesteerd worden in aantrekkelijke architectuur, ergonomisch meubilair en state-of-the-art techniek. En vergeet niet voldoende stilteruimtes te maken, anders staan ze in de rij.’

Niet alle organisaties zullen overgaan op flexwerken of alle kamers opengooien; mengvormen zullen er altijd zijn. Maar de onderzoeker weet het zeker: uiteindelijk zullen de interieurs ingrijpend veranderen. ‘Het gemiddelde kantoor vol met koffievlekken bedekte tapijten en dichte kamertjes hebben hun langste tijd gehad. De kwaliteit van het leven gaat vooruit, dus ook op kantoor.’

Bekijk de animatie van Erik Winkelman opvolkskrantbanen.nl/pinwin

mailIcon print |