*

 
dossier

Archief

‘DIE VROLIJKE DIRK BESTOND NIET’

HEIN JANSSEN − 23/11/06, 00:00

Hij werd onlangs 50, is tien jaar leider van zijn Utrechtse gezelschap de Paardenkathedraal en overwon een drankprobleem: met zijn nieuwste voorstelling heeft Dirk Tanghe heel wat te vieren....

Het circus en de clown

‘Dag Dirksje – wat ziede gij er goed uit! Wat fijn dat gij er weer zijt. En hoe vergaat het U in Holland?’ De dames van toneelkring Sint Rembert kussen hem met tedere aandacht. Dirk Tanghe, de verloren zoon, is voor even terug. Later dit seizoen regisseert hij het Italiaanse toneelstuk Sabato Domenica Lunedi van Eduardo de Felippo bij de jubilerende toneelvereniging in het West-Vlaamse Torhout, waar hij zich als klein jongetje voor het eerst vergaapte aan het theater. In stukken met titels als Huwelijksreis zonder man, Arsenicum en Oude Kant en De dames met de groene hoedjes speelden zijn vader mee, zijn opa, zijn oom en al die andere familieleden en kennissen.

De magie. Het was hetzelfde gevoel als bij de jaarlijkse processie door de stad, waarin het lijden van Jezus werd verbeeld. Daarin liep zijn vader mee als Romeinse soldaat (bruin geschminkt gezicht, speer in de hand) en zijn grootvader als aanvoerder van de herders. Tanghe: ‘Ik stond aan de grond genageld. Voor mij was het allemaal angstaanjagend echt – dat daar mijn vader liep, had ik helemaal niet door. Een lijk op toneel, nachtmerries kreeg ik ervan. Ik moest altijd huilen, totdat mijn vader mij een keer meenam achter de coulissen. Het rook er naar schmink en ik kon voelen dat die muren van bordkarton waren. Ik zag dat de zon bestond uit lichtspots van 1000 watt, ik proefde dat de whisky koude thee was en kwam erachter dat die enge dode man op toneel gewoon mijn oom was. Theater is een leugen, het is niet echt, en toen ben ik het leuk gaan vinden.’

Vanaf zijn prille jeugd heeft Dirk Tanghe vervolgens alle hoeken en gaten van het theater verkend. Begonnen als bewonderaar van zijn toneelspelende vader, speelde hij als jongeling zelf mee bij Sint Rembert (onder meer als Hans, de kater in De Wijze Kater), ging naar het conservatorium in Antwerpen (de toneelopleiding van Dora van der Groen) en werd al snel de wonderboy van het Vlaamse theater. Met opzienbarende producties als De Getemde Feeks, Romeo en Julia, De Wereldverbeteraar, De Bruiloft, Tartuffe en Midsummernightsdream lanceerde hij vervolgens zijn grenzeloze fantasie in het theater.

Het jaar 2006 is Dirk Tanghe-jaar. Met de voorstelling August August August, die zaterdag in première gaat, wordt niet alleen gevierd dat hij onlangs vijftig jaar is geworden, maar ook dat hij tien jaar artistiek leider is van De Paardenkathedraal, en dat de Stadsschouwburg Utrecht 65 jaar bestaat. August August August is een feestelijke voorstelling over de schaduwkanten van het circus. De Tsjech Pavel Kohout schreef het stuk ten tijde van de Praagse lente in 1968, als een aanklacht tegen het harde communistische regime in zijn land.

Als jongen van zestien zag Tanghe het stuk voor het eerst. Uiteraard bij Sint Rembert, met zijn vader als Bumbul de clown. Een mooie voorstelling toen, maar hij miste de onderlaag, die over onderdrukking gaat. Toen hij August later herlas, nam hij zich voor het ooit over te doen. Voor hem is het vooral een ode aan de fantasie, die zich niet laat temmen.

Tanghe: ‘En een ode aan het toneel, aan eerlijk, puur toneel, aan creativiteit, aan spelplezier. Het publiek zal straks niet weten of het moet lachen of huilen. Het wordt natuurlijk een feestelijke en toegankelijke voorstelling voor een groot publiek, het is circus met schettermuziek, een feest van ritme, kleuren, prachtige kostuums. Maar ik wil ook de zwarte kant laten zien. Ik wil het verhaal vertellen dat het uiteindelijk onmogelijk is de poëzie, de verbeeldingskracht uit te roeien. Al zetten ze je tegen de muur, al knallen ze je neer, al radbraken ze je, geen enkele machthebber kan uiteindelijk de fantasie van de kunstenaar om zeep helpen. Want juist de kunstenaar vertegenwoordigt de ziel van het volk.’

De bakker en de leraar

In De Loods, de hal waar Sint Rembert repeteert en waar het decor- en kostuumatelier zijn gevestigd, worden voorbereidingen getroffen voor een grote parade door de stad, die de bevolking van Torhout nog eens op het belang van het amateurtoneel moet wijzen. Tanghe snuffelt gretig in de archieven – meters dozen waarin de geschiedenis van de vereniging in plakboeken, foto’s, programmaboekjes, affiches en recensies is samengevat.

Feestzaal ’t Centrum, waar in het verleden alle voorstellingen werden gespeeld, is inmiddels afgebroken. Alleen de oude gevel staat er nog en daarachter bevindt zich nu de refter van een technische school. Te dikke schoolkinderen lopen er rond met familiezakken chips. Het oude centrum van Torhout is lelijk geworden, vindt Tanghe – naast huizen met klassieke Vlaamse puien staat nu een filiaal van drogisterijketen Kruidvat. ‘Kijk, daar in dat torentje boven café ’t Keldertje heb ik als 20-jarige een tijdje gewoond. En daar ging ik altijd naar toe om escargots te eten!’

Waar nu Mobistar is gevestigd, een firma in mobiele telefonie, zat vroeger Bakkerij Clement. Daar heeft Dirk Tanghe het vak geleerd – het vak van mensen amuseren, aandacht trekken, het grauwe leven een beetje opfleuren. Als jongen van 12, 13 jaar hielp hij zoveel als hij kon mee in de bakkerswinkel: etalages versieren, pralines verpakken in glimmende dozen met rode linten, taarten met roze strikken, tijdens de braderie op straat koekjes verkopen.

De bakkersvrouw, al lang gepensioneerd, woont nog steeds boven de zaak, waar de eclairs in de etalage zijn vervangen door gsm’s. De slogan ‘Wat Clement maakt, dat smaakt!’, is voltooid verleden tijd.

Verderop in de stad staat het Sint Jozefinstituut, waar hij op het gymnasium zat en waar de priester die les gaf in esthetica hem ooit op zijn kamer ontbood, de deur op slot deed, de ramen verduisterde om dia’s te kijken maar andere bedoelingen had. Op diezelfde school gaf Henri Reynaert les in Grieks. De docent in ruste herinnert zich de jonge Dirk als een zeer creatief maar ook eigenzinnig mannetje. ‘Een nieuwsgierige leerling met veel talent, die het uitermate ver heeft geschopt. Hij leerde niet voor de punten, maar zijn werk was altijd uitermate verzorgd.’ In zijn bureaula heeft Reynaert al die tijd een aantal werkstukken van de jonge Tanghe bewaard – geschreven op een typemachine die hij als dertienjarige bij een tekenwedstrijd had gewonnen.

In een onaanzienlijke straat van Torhout staat het ouderlijk huis van Tanghe. In de tuin van de buren een beeldje van een naakte jongeling, ingebed in een prieeltje van vlijtige liesjes. Tanghe: ‘Dat ben ik, als veertienjarige. Mijn ouders hebben dat door een kunstenares laten maken, maar toen ze naar Brugge verhuisden, heeft mijn vader het beeldje aan de buren verkocht.’

Aan de rand van de stad ligt nu een verpleeghuis. Hij durft er nauwelijks naar te kijken. Achter de grijze muren woont ergens zijn oude moeder. Ze kan niet meer lopen, amper nog praten, niet meer eten, moet gevoed en gewassen worden. Dement. Weg van de wereld. ‘Misschien moet ik haar weer eens bezoeken. Maar ik durf niet goed, het is zo triest.’

Utrecht en de wereld

De afgelopen tien jaar heeft Dirk Tanghe De Paardenkathedraal in Utrecht op de kaart gezet. Met een relatief klein team is de groep gezichtsbepalend geworden. Acteurs als Marie-Louise Stheins, Peter de Graef en Jack Wouterse koppelde hij aan jongere spelers, die met elkaar grasduinden in het wereldrepertoire. Zijn ideaal is een open theaterhuis, een plek om van daaruit de wereld te veroveren.

Niet een chique gezelschap met tien dure laptops op kantoor en een team van dramaturgen.

Terwijl collega-theatermakers steeds vaker in het buitenland werken en een internationale carrière onderhand als statussymbool geldt, wil Tanghe in Utrecht de wereld naar zich toe halen.

‘Wat heb ik in het Wiener Burgtheater te zoeken? Ik zou daar alleen maar heimwee krijgen naar mijn eigen mensen. Ik ben geen regisseur die met een concept op zak naar Parijs gaat, ik kan dat niet. Ik moet een verbond hebben met mijn spelers. Bij mij moet altijd liefde in de lucht hangen. Nee, ik hoef niet naar het Thalia Theater in Hamburg om daar aan Fraülein zus of zo te vragen of ze bitte von links! op wil komen. Kom maar naar mij toe, ik heb het Wiener Burgtheater gewoon in Utrecht staan!’

Niettemin zou een Tanghe-productie als Brechts Burgermansbruiloft een sensatie zijn in Berlijn. Zijn Tartuffe zou in Parijs het publiek op de stoelen krijgen en Midsummernightsdream kan zo Europa in. Tanghe gaat volgend jaar overigens wel een opera regisseren, ook erg en vogue in kringen van theatermakers. In Brussel, bij de Nationale Opera van de Muntschouwburg, op verzoek van Peter de Caluwe, de nieuwe artistiek leider. Het wordt Verdi, natuurlijk Verdi, zijn troost in bange dagen – La Forza del Destino, de kracht van het noodlot.

Drank en succes

Het afgelopen voorjaar is Dirk Tanghe zes weken opgenomen geweest in een afkickkliniek in Engeland. Dat moest. Dat was hard nodig. Hij had zijn drankgebruik niet meer onder controle. Overdag repeteren ging nog net, maar daarna lonkte de fles. Witte wijn vooral. Liters. De drank was zijn eten en drinken, zijn minnaar. Hij vervreemdde van zijn omgeving, zijn spelers en collega’s zagen hem in een isolement verdwijnen. Totdat de zakelijk leider van De Paardenkathedraal hem voor de keus stelde: of je gaat er iets aan doen, of het is afgelopen.

Tanghe: ‘Mijn moeder zei vroeger al: Dirksje, je bent een mooi landhuis, met vele mooie kamers, maar je moet er wel goed voor zorgen. Dit voorjaar kwam dat beeld mij ineens weer met een schok voor ogen. Ik woonde inmiddels in de vochtige, smerige kelders van dat landhuis, dat helemaal met onkruid was overwoekerd. Ik sliep niet meer, ik doolde rond, werd destructief. Ik raakte totaal in paniek. Ik moet iets gaan doen, ik moet geen schapen gaan hoeden, geen kaas gaan maken, niet de woestijn in maar afkicken! Of anders ga ik de dood tegemoet.

‘Tijdens die zes weken in Engeland zijn de luiken van het landhuis weer langzaam opengegaan. Alles kwam weer terug: mijn smaak, ik proefde de dingen weer, ik kon weer eten, mijn huid kreeg weer wat kleur. Mijn gevoel van eigenwaarde wakkerde aan, er kwamen hopen energie los, ik kreeg zelfrespect. En dat heb ik eigenlijk nooit gehad. Altijd maar die onzekerheid, altijd die faalangst.’

Faalangst, onzekerheid – en dat voor een theatermaker die al sinds zijn debuut werd bejubeld. Verguisd ook af en toe, maar juist die extremen maakten zijn werk altijd intrigerend. De theatermaker met zijn mateloze fantasie en energie, zijn muzikaliteit, zijn grote ensceneringen met talloze figuranten. Hij maakte voorstellingen voor het grote podium van Carré, en voor die paar vierkante meter van zijn kantoor. En toch altijd die onzekerheid.

Tanghe: ‘Niet over wat ik met mijn spelers maakte, maar wel over de reacties daarop. In dit vak liggen de scherpschutters altijd klaar om mij deuken in mijn kop te slaan. Van begin af aan heeft dat een grote druk op mij gelegd. Tot aan mijn 45ste werd ik die talentvolle jonge regisseur genoemd. Maar de messen werden ook geslepen – een wereldberoemde Engelse critica noemde mijn Romeo en Julia destijds McDonald’s-theater. Ik moest mij voortdurend bewijzen in dat theaterlandschap, terwijl het nooit mijn ambitie is geweest beroepsregisseur te worden. Ik ben geen VIP, ik begeef me niet in de artiestencafé’s, ik kom niet op de theaterfeesten.’

De zwarte kant van Tanghe manifesteerde zich de afgelopen jaren in voorstellingen als Equus, Night and Day (naar Lars Norén), De Theatermaker en Spoken – heftige, sombere stukken, waarin dikwijls de veilige haven van het gezin werd gebombardeerd. En dan riepen de mensen weer: waar is toch de vrolijke Dirk gebleven, die tovenaar die het theater als champagne kan doen bruisen? Tanghe: ‘Als men mijn werk goed beschouwt, is die vrolijke Dirk er eigenlijk nooit geweest.’

De drank is inmiddels overwonnen, geen druppel meer. Gezond van lijf en leden. Weg buikje, weg vage blik. ‘Ik kan nu besluiten nemen, constructief werken, ik durf nu vol liefde nee te zeggen.’

De hele bonte bende

‘Geef mij een plank, twee schragen en een hartstocht, en ik heb theater’. Dat is het eeuwige motto van Dirk Tanghe. De pure eenvoud van het theater, zoals destijds bij Sint Rembert. De magie van koude thee die whisky wordt.

‘August August August doe ik zoals ik het ooit heb bedacht, zoals ik er al jaren over droom. Ik doe geen concessies. Je kunt met dit stuk duizend kanten op, maar ik kies voor de eenvoud. Geen vreemde belichting of rare muzikale toestanden om een hallucinerend circus te maken. In het eenvoudige kun je hallucinerend zijn.

‘Het wordt natuurlijk wel een exuberante voorstelling, een circuswaterval maar dan op mijn manier. Geen piste, geen echte trapezewerkers, maar een voortstuwende beeldenrijkdom. Met de directeur, en de vrouw van de directeur, de kapelmeester, de stalmeester, de acrobaten, de clown – de hele bonte bende. Een clown die naar adem moet happen, en een publiek dat in een roetsjbaan van emoties terechtkomt. Is dit nou show, of de Folies Bergères, of zijn het de praalwagens van Rio de Janeiro? Zeer suggestief moet het worden. Ik ben op zoek gegaan naar het juiste timbre, de juiste versmelting, de juiste coloratuur. Een clowntje met een toetertje, dan een stilte, een roffel, en spanning. Dat is het, meer niet.’

mailIcon print |