*

 
dossier

Archief

Bij een blinddoek past geen hoofddoek

Afshin Ellian en Paul Zoontjens − 09/05/01, 00:00

Een griffier mag in de rechtszaal geen hoofddoek dragen, oordeelde de Zwolse rechtbank. Dat een sollicitante op die gronden is afgewezen, noemen Afshin Ellian en Paul Zoontjens terecht....

ONLANGS heeft de rechtbank Zwolle een vrouw afgewezen, die op het sollicitatiegesprek te kennen gaf als hulpgriffier een hoofddoek te willen dragen bij de rechtszittingen (de Volkskrant, 27 april). Volgens de rechtbank zou met het dragen van een hoofddoek de onafhankelijkheid van de rechter in het gedrang komen.

Het Kamerlid Halsema wil nu van de minister van Justitie weten of deze bereid is, indien nodig, zijn beleid zodanig aan te passen dat het dragen van een hoofddoek sollicitanten nergens wordt tegengeworpen. De zaak is momenteel in behandeling bij de Commissie Gelijke Behandeling te Utrecht.

De hoofddoek is uitgegroeid tot het symbool van de waardenconflicten die met de wording van de multiculturele samenleving gepaard gaan. In het conflict dat hier zichtbaar wordt, zijn naar onze mening fundamentele belangen van de rechtsstaat gemoeid. Wat ons betreft kunnen de minister en de Commissie Gelijke Behandeling maar tot één conclusie komen: het dragen van een hoofddoek in de rechtszaal behoort te worden uitgesloten.

De hoofddoek is voor de drager de uitdrukking van het behoren tot een islamitische geloofsgemeenschap, maar dikwijls ook, in toenemende mate zelfs bij jonge vrouwen, van een eigen culturele identiteit. In de West-Europese cultuur lijkt er inmiddels ten aanzien van dit verschijnsel een zekere gewenning te zijn opgetreden. Op een enkele hoofdredactrice na zijn er in ons land niet veel mensen meer die het associëren met vrouwenonderdrukking.

In de praktijk blijken evenwel nog twee groepen van problemen te bestaan. Het dragen van een hoofddoek wordt door sommigen niet wenselijk geacht op bepaalde plaatsen, zoals scholen, voor zover de daarmee gepaard gaande nadruk op het islamitisch geloof afbreuk doet aan de aard van het werk. Verder roept het praktische problemen op: het kan ongelukken veroorzaken bij gymnastiekles of in strijd komen met hygiënevoorschriften in een ziekenhuis.

De gevallen waarin het in onze jurisprudentie een rol speelt, betreffen voornamelijk relaties tussen particulieren. In het merendeel ervan wordt het dragen van een hoofddoek toegestaan vanwege de vrijheid van godsdienst of het verbod van discriminatie wegens geslacht. Er zijn echter goede gronden om in het geval Zwolle het dragen van een hoofddoek juist te verbieden.

In Reglement II, een besluit op basis van de Wet op de Rechterlijke Organisatie dat kostuumvoorschriften bevat voor rechterlijke ambtenaren en advocaten en procureurs in de rechtszaal, wordt het dragen van een toga en een bef door de griffier verplicht gesteld. Deze moeten van een bepaalde snit en stof zijn. Tevens kan een baret worden gedragen, waarvan de vorm en het basismateriaal ook nauwkeurig zijn vastgelegd.

Dit reglement is de uitwerking van een uit 1838 daterende wettelijke bepaling die voorschrijft dat 'de orde van de inwendige dienst' van de gerechten in Nederland uniform moet worden geregeld. De kledingvoorschriften in de rechtszaal geven uitdrukking aan de waardigheid van het rechterlijk bedrijf en aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechters. Het is de manier waarop het recht zich wil presenteren aan de gewone burgers ongeacht hun ras, klasse of religie. Het ligt daarom voor de hand de kledingvoorschriften uitputtend te interpreteren: toegestaan is wat het reglement aan kleding voorschrijft, niet meer en niet minder. Een hoofddoek hoort daar niet bij.

Leveren de voorschriften dan niet verboden onderscheid naar godsdienst of geslacht opt Als er geen objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is, zou dat het geval kunnen zijn. Hier past in wezen een afweging van belangen, het te beschermen belang dat iemand heeft bij het dragen van een hoofddoek enerzijds en het belang van kledingvoorschriften in de rechtszaal anderzijds.

In de islamitische geloofswereld bestaan concurrerende theologische interpretaties omtrent voorgeschreven kleding, zoals het dragen van een hoofddoek, een chadar (vooral in Iran) of borga (Afghanistan). Ook zijn er interpretaties waarbij geen kledingvoorschriften gelden.

Voor ons staat vast dat het dragen van een hoofddoek uiteindelijk berust op een keuze van het individu. Het is geen met de aard van het islamitische geloof strikt samenhangende zaak, in de zin dat iemand van haar geloof afstand doet als zij het hoofddoekje niet draagt. Wat we wel zien is dat in een land als Iran het dragen van islamitische kleding in openbare functies verplicht is, terwijl bijvoorbeeld in Turkije juist een absoluut verbod geldt.

Op grond van het in Nederland geldende constitutionele beginsel van scheiding van kerk en staat dienen magistraten vrij van zichtbare theologische of ideologische elementen in de rechtszaal te verschijnen. De neutrale beginselen van de rechtsstaat fungeren als waarborgen voor de religieuze diversiteit en de pluriformiteit van de vrije samenleving. Het is van belang dat de rechter, ook naar 'nieuwe' Nederlanders en vreemdelingen toe, een beeld uitstraalt van onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Indien de hoofddoek gebruikelijk wordt zal dit een impliciete keuze betekenen voor een bepaalde interpretatie van de islam. Daardoor zal bij de burgers de schijn van partijdigheid worden gewekt. En dit is in strijd met de rechten van de mens. Immers, ieder heeft recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter bij de behandeling van zijn zaak. Het toelaten van de hoofddoek in de rechtszaal is in strijd met het EVRM, het Europese mensenrechtenverdrag.

Een geblinddoekte Vrouwe Justitia kan slechts met grote inspanning voor partijdigheid worden behoed, laat staan wanneer zij een hoofddoek draagt.

mailIcon print |