*

 
dossier

Archief

Dirigenten op klompen

René Didde − 24/11/01, 00:00

Het cliché van Nederland als land van tulpen en klompen is pas vorige eeuw welbewust gecomponeerd. Lokale taferelen werden tot nationaal symbool verheven als tegenwicht tegen de modernisering, denkt promovendus Ad de Jong....

NOG NOOIT zoveel oudhollandse symbolen gezien als tijdens de tournee van Máxima. Elk dorp dat door het aanstaande koningskoppel werd aangedaan, haalde het ganse folkloristische arsenaal uit de kast, zo leek het. Klederdracht en klompen, fanfare en majorettecorpsen, fietstochtjes over dijken en langs molens. En overal liederen.

Tulpen, molens, klompen, pannenkoeken en poffertjes. De Nederlandse identiteit is kennelijk beperkt tot een handjevol stoffige symbolen. En dat in een tijd waarin de boer in het verdomhoekje zit, en allang niet meer op klompen loopt, tenzij zijn bedrijf een toeristisch doel dient.

'Molens malen om dezelfde bezienswaardigheidsreden: louter voor de aardigheid en om toeristen te behagen. En wanneer een Máxima maar voor een molen staat, dan denken we: ''Zo, die hoort bij ons''', zegt dr. Ad de Jong, wetenschappelijk medewerker van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem.

Jarenlang verdiepte hij zich in de Nederlandse volkscultuur. Hij schreef een kloek boek over de opkomst van openluchtmusea en aanverwante manieren waarop de nationale identiteit wordt verbeeld. Dinsdag promoveerde De Jong aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Tot nog toe geldt de Gouden Eeuw als onmiskenbaar ijkpunt van de Hollandse volkscultuur. De periode van grofweg 1600 tot 1700 is de tot nog toe ongeëvenaarde successtory van Nederland. 'Als Nederland zich vanaf 1815 uit zeven autonome provinciën tot een nationale staat transformeert, zijn verwijzingen naar de Gouden Eeuw daarom voor de hand liggende symbolen', zegt De Jong. Succesverhalen smeden immers eenheid.

Volgens de historicus is er echter nog een tweede, vergeten ijkpunt, waarop de Nederlandse identiteit is gestoeld. Tussen 1890 en 1900, wanneer de Industriële Revolutie uiteindelijk ook Nederland in haar greep krijgt, beginnen mensen zich zorgen te maken over de opkomst van de massacultuur en de teloorgang van het plattelandsleven.

Aangestuurd door geëngageerde schilders van bijvoorbeeld de Haagse School gaat de elite het plattelandsleven idealiseren. Deze pastorale volkscultuur verovert een plaats in de bepaling van de nationale identiteit, schrijft De Jong. 'De schilderijen van Israëls en andere exponenten van de Haagse School tonen hardwerkende vissers en boeren in ambachtelijke kledij. Zij worden symbool voor de ongereptheid en onbedorvenheid van het plattelandsleven', zegt De Jong.

De exposities met de werken van de Haagse School worden een ware rage. De schilderijen winnen prijzen, schoppen het tot ansichtkaart en worden gepubliceerd in de geïllustreerde pers. Het beeld van de volkscultuur wordt, kortom, eindeloos gereproduceerd. In deze herhaling schuilt de kracht die leidt tot de toeristenindustrie die vandaag de dag nog sterke aantrekkingskracht uitoefent en die Nederland nog altijd veroordeelt tot 'het land van tulpen en klompen'.

Opmerkelijk is dat de symbolen die nu onvermijdelijk onze zelfgekozen nationale identiteit vormen, oorspronkelijk van lokale komaf zijn. Het decor van de Oudhollandse Kamer, een van de succesnummers op de wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs, was een kamer uit het Friese kapiteinsstadje Hindeloopen. 'Het beeld van de Hindelooper kamer sloeg aan, en werd in de jaren daarna overal in Europa steeds opnieuw als een typisch Hollands decor gepresenteerd', schrijft De Jong in zijn boek.

De boeren- en vissersklederdrachten uit Volendam en Marken worden om die reden nationaal symbool, en ook Scheveningen spreekt een woordje mee. De lokalen slaan direct munt uit de nationale uitverkiezing - kennelijk is ook de Hollandse handelsgeest van alle tijden. Daarbij is men niet te beroerd om de geschiedenis naar zijn hand te zetten.

Museumdirecteuren en samenstellers van exposities hebben een grote invloed gehad in dit 'pluggen' van de symbolen van de nationale identiteit, reden waarom De Jong ze 'dirigenten van de herinnering' noemt. Deze mensen droegen overigens zelf de ambivalentie tussen het koesteren van het verleden en het vertrouwen in de vooruitgang met zich mee. 'De oprichter van het openluchtmuseum in Arnhem was een man die voorheen voor de Spoorwegen en de telefonie werkte, zeg maar de vroeg twintigste-eeuwse ICT. Hij maakte zich tegelijk zorgen om het verdwijnen van de volkscultuur.'

De Jongs boek beschrijft de verheerlijking van de volkscultuur door de elite tussen 1815 en 1940. In het bijzonder onderzoekt hij de manier waarop de Nederlandse volkscultuur in het Arnhemse museum wordt gemusealiseerd, dat wil zeggen: voorwerpen hun oorspronkelijke gebruikswaarde verliezen en een symboolfunctie krijgen.

Tegenover het beeld dat mede is bepaald door de dirigenten van de herinnering, zijn er uiteraard tegenstromingen die juist ijveren voor modernere beelden van Nederland. Vooral in het Interbellum (1920-1940) en in de jaren vijftig ziet De Jong pogingen om eigentijdse vooruitgangssymbolen voor het voetlicht te krijgen.

'Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het verleden van de waterstaat: van dijken en molens', constateert De Jong. In de jaren dertig vervullen de Zuiderzee-werken en de Afsluitdijk de Nederlander met trots, terwijl na de jaren vijftig menig landgenoot zijn gasten meetroont naar de Deltawerken.

Maar de symbolen van volkscultuur en Gouden Eeuw lijken sterker. Een minister als Jorritsma rept wel smalend van de 'volendammisering' van Nederland, maar haar alternatief, de ICT-technologie, wordt pas Nederlands als op een pc uit Den Bosch het woord Tulip wordt geplakt.

Intussen zullen euro en andere mondialiseringtrends zeker leiden tot een opleving van de nationale als ook van de regionale cultuur, gelooft De Jong. Dat is in tijden van snelle vooruitgang nu eenmaal een geijkte truc van de Nederlander om zich de moderne tijd eigen te maken.

In Lelystad staat op steenworp afstand van de replica van het VOC-schip Batavia het factory-outlet centrum waar de hele wereld wordt verkocht. 'Maar het gebouw is opgetrokken in pseudo-Nederlandse stijl', zegt De Jong. 'Ook in het winkelcentrum Haagsche Bluf in Den Haag zijn lukraak oudhollandse trapgeveltjes gemetseld tussen strak staal en glas. Kennelijk vormen kitsch en kneuterigheid een manier om met mondialisering overweg te kunnen.'

De oudhollandse beelden worden keer op keer bevestigd. Voorlopig zullen de busladingen toeristen na een bezoek aan het Rijksmuseum wel naar Marken en Volendam blijven trekken om daar iets van het 'authentieke Nederland' te zien en een paar klompen en een Delfts blauw bord te kopen. En als ze niet worden platgereden door een auto, kunnen ze in het 'openluchtmuseum' van de Amsterdamse grachtengordel de Gouden Eeuw opsnuiven. Behalve toeristische snuisterijenwinkels, musea en grachtenpanden, frequenteren ze horeca en vermaak. Daarbij doen coffeeshops als modern Hollands symbool sterk opgang.

Misschien is het paffertje uit zo'n shop in staat een plaats te verwerven naast het poffertje. Maar zeker is dit niet, want de oude iconen blijken ijzersterk. De Jong: 'Volgens het verhaal vroeg Willem-Alexander zijn Máxima ten huwelijk op het ijs. Alweer een poging om de Argentijnse aan het traditionele volkskundige repertoire van Nederland te verbinden.'

mailIcon print |