*

 
dossier

Archief

Een kil klimaat voor sceptici

Jeroen Trommelen − 18/11/00, 00:00

Watersnood in Mozambique, brandende bossen in Indonesië en hoog water in Engeland. Alle vormen van natuurgeweld hebben te maken met klimaatverandering en broeikaseffect, lijkt het voor wie afgaat op de televisiebeelden die de Haagse VN-Klimaatconferentie begeleiden....

Chemicus dr. Bob Watson, voorzitter van het Internationaal Klimaatpanel IPCC, wees deze week bij de opening van de conferentie op de zijns inziens bewezen relatie tussen klimaatverandering en hongersnood in Afrika. Prof. Pier Vellinga van het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit Amsterdam hield het op simpele kansberekening: 'De kans op een grote overstroming is in Nederland groter dan op het winnen van de loterij', waarschuwde hij.

Zo was het trouwens altijd al in Nederland, maar een kniesoor die daarop let. De wetenschappelijke twijfel over klimaatverandering neemt zienderogen af. Veel tegenwerpingen van sceptici - zoals die hieronder - lijken achterhaald.

1. Bestaat het broeikaseffect wel echt?

Gelukkig wel. Op zichzelf is het broeikaseffect een natuurlijk verschijnsel. De aarde wordt omringd door gassen die een deel van de ingestraalde zonnewarmte vasthouden. Zonder dit effect zou iedereen bevriezen. De wereldwijde gemiddelde aardtemperatuur zou geen 15 graden Celsius bedragen, zoals nu, maar -18 graden.

Maar hierbovenop komt het versterkte broeikaseffect. Het is een recent verschijnsel dat wordt veroorzaakt door menselijk handelen zoals een versterkte uitstoot van methaan, lachgas en drijfgassen, maar vooral de verbranding van fossiele brandstoffen. Daardoor komt er jaarlijks ruim twintig miljard ton kooldioxide in de atmosfeer.

Vóór de industriële revolutie bevatte de aardse atmosfeer gemiddeld 280 ppm kooldioxide (deeltjes per miljoen deeltjes lucht). Tegenwoordig is de concentratie 365 ppm: 30 procent méér. De CO 2

-grafiek bleef duizenden jaren vrijwel constant, maar schiet de laatste tweehonderd jaar (en vooral de laatste veertig jaar) omhoog. Dat het versterkte broeikaseffect bestaat, lijdt geen twijfel.

2. Dat het klimaat nu al verandert, is toch pure speculatie?

De gemiddelde temperatuur op de wereld steeg de afgelopen eeuw met 0,7 graad. Dat lijkt niet veel. Maar het is een gemiddelde waarin extremere regionale verschillen worden gladgestreken. Een vergelijkbare stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur kwam in de afgelopen tienduizend jaar niet eerder voor.

De recente trendbreuk geldt ook voor Nederland en West- Europa. De afgelopen tien jaar waren de warmste van de eeuw en 1998 was vermoedelijk het warmste jaar in de afgelopen duizend jaar. Het groeiseizoen voor planten in Europa is de afgelopen veertig jaar verlengd met veertig dagen. Het wordt tegenwoordig zes dagen eerder lente en vijf dagen later herfst dan in de jaren vijftig. Het leefgebied van planten, insecten en vogels schuift zichtbaar op. Volgens vrijwel alle klimatologen zijn dit onmiskenbare tekenen van klimaatverandering.

3. Het klimaat is wel vaker uit zichzelf veranderd, dat kan nu toch ook het geval zijn?

De discussie gaat over de vraag hoe groot het menselijke aandeel is; niet over de vraag óf het versterkte broeikaseffect aan de verandering bijdraagt. Formeel is daar trouwens geen oordeel over te vellen: een periode van vijftig jaar is in de klimatologie minder dan een oogwenk. Volledig verantwoorde conclusies zullen pas achteraf kunnen worden getrokken.

Wel kan een rekensom worden gemaakt waarin het menselijk handelen van de drie belangrijkste natuurlijke klimaatfactoren wordt gescheiden. Wanneer het effect van zonnestraling, vulkaanuitbarstingen en El Niño bij elkaar worden opgeteld, resteert volgens het KNMI nog steeds een significante temperatuurstijging.

Vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw kunnen de natuurlijke oorzaken de waargenomen snelle temperatuurstijging van de aarde niet verklaren. De rest kan worden toegeschreven aan menselijke invloeden. Vorig jaar was de onverklaarde invloed bijna 0,6 graden boven de gemiddelde temperatuur tussen 1901 en 1920.

4. De aarde is een scheikundedoos met veel verrassende trucs: dat de uitstoot van kooldioxide de echte boosdoener is, moet toch nog blijken?

Het broeikaseffect wordt beïnvloed door onverwachte en soms niet volledig begrepen atmosferische processen. Zo leidt het verstoken van fossiele brandstoffen óók tot de toename van kleine stofdeeltjes in de atmosfeer (aërosolen), die een effect hebben dat te vergelijken is met actieve vulkanen. Ze vervuilen de lucht en kaatsen daardoor een deel van het zonlicht terug. Dat leidt tot verkoeling van de aarde - een welkome compensatie voor de opwarming die ontstaat door de verhoging van het kooldioxidegehalte.

Zo zou algengroei in de oceaan de temperatuurstijging kunnen temperen, terwijl vrijkomend methaan uit ontdooiende toendra's het broeikaseffect juist kan versterken. Vermoedelijk compenseren de aërosolen tot dusver ongeveer het verwarmend effect van de extra kooldioxide in de atmosfeer. De andere broeikasgassen zouden dan verantwoordelijk zijn voor de gemeten temperatuurstijging.

Dat inzicht verandert trouwens niets aan het principe van klimaatverandering. Het helpt wel de gewenste volgorde te bepalen waarin de problemen moeten worden aangepakt.

5. Het weer staat los van het klimaat, dus staan lokale stormen of droogtes in feite ook los van een eventuele klimaatverandering?

Geen enkel incidenteel weertype kan worden toegeschreven aan klimaatverandering, waarschuwt ook het KNMI. Dat deze maand in Engeland veel regen viel, en dat deze week de Alpen aan de beurt waren, bewijst niets. Uit historisch onderzoek blijkt dat deze vormen van extreme neerslag ook vroeger voorkwamen.

Niettemin zijn er zorgelijke signalen. In Nederland dateren alle gevallen met meer dan vijfhonderd millimeter winterneerslag per jaar van ná 1960. Een warmer klimaat leidt tot meer regen. Elke graad warmer betekent 3 procent meer neerslag. Ook zijn de meeste wetenschappers het erover eens dat de reeds waargenomen klimaatverandering de ernst van het El Niño-verschijnsel verergert. Dat leidt indirect tot grotere droogte en misschien ook meer stormen in het Caribisch gebied.

Over de effecten op het weer in Noordwest-Europa bestaat minder consensus. Maar ook het West-Europese weer kan volgens de huidige inzichten indirect door El Niño worden beïnvloed.

6. De toekomst van het klimaat laat zich toch niet voorspellen?

Alle modellen van het IPCC beginnen met de waarschuwing dat ze niet de toekomst voorspellen, maar de gevolgen aangeven van een scenario. Dat neemt niet weg dat in elk reëel scenario de uitstoot van broeikasgassen blijft toenemen, en daarmee de verwachte gemiddelde temperatuur op aarde.

Dat maakt de voorspelling mogelijk dat de zeespiegel de komende eeuw met tussen de 15 en 95 centimeter zal stijgen. De neerslag zal met enkele procenten toenemen en de wereldtemperatuur gemiddeld met één tot drieënhalve graad, maar dat zou, in een iets somberder scenario, ook zes graden kunnen zijn.

7. Uiteindelijk merken wij er niks van: het broeikaseffect is immers vooral een probleem voor onontwikkelde landen die zich niet kunnen beschermen?

Een stijgende zeespiegel heeft desastreuze effecten in Bangladesh, een land dat zich nu al niet kan wapenen tegen 'gewoon' hoog water. Eilandstaten in de Stille Oceaan kunnen bij twintig centimeter zeespiegelstijging failliet gaan. In die zin hebben derdewereldlanden dubbel te lijden onder klimaatverandering: ze dragen er zelf relatief weinig aan bij en krijgen de gevolgen als eerste op hun bord.

Toch gaat klimaatverandering een land als Nederland handenvol geld kosten. Het huidige, bescheiden pakket maatregelen om de uitstoot van broeikasgas te reduceren kost al een kleine miljard gulden. De vermoedelijk noodzakelijke verhoging van de dijken kost waarschijnlijk een veelvoud van dat bedrag.

Westerse economieën zijn zeer afhankelijk van het weer. Voorbeeld: aangenomen wordt dat de Rijn in de loop van deze eeuw langzaam zal veranderen, van overwegend een smeltrivier in overwegend een regenrivier. Dat betekent lagere waterstanden in de zomer en dus minder scheepvaart. Alleen al de schade van die vaarbeperking wordt geschat op enkele honderden miljoen guldens per jaar.

8. Het is allemaal te weinig en te laat: als het broeikaseffect écht bestaat, stellen de huidige maatregelen toch niks voor?

Klopt. De bescheiden reducties waarover de landen het komende week vermoedelijk al niet eens zullen worden, remmen de verwachte klimaatverandering nauwelijks af. Gesproken wordt over reducties van 5 tot 8 procent ten opzichte van het niveau van 1990. De mondiale uitstoot van kooldioxide wordt momenteel geschat op zo'n 23 gigaton. Een daling met enkele gigatonnen zou beschouwd worden als een enorm succes, terwijl dat de klimaatverandering niet tegenhoudt.

Beperkingen van 50 procent zijn nodig om het verschijnsel te temperen. En omdat zich tijdens een warmer klimaat ongunstige terugkoppeleffecten voordoen, ligt de gewenste reductie waarschijnlijk zelfs nog hoger: 60 tot 80 procent. Dat doel wordt zeker niet gehaald en dus zal de mens zich de komende eeuw sowieso moeten instellen op klimaatverandering.

mailIcon print |