*

 
dossier

Archief

De eeuwige student is niet meer

door Sander van Walsum − 06/04/00, 00:00

Negen, tien jaar over je studie doen, en daarop nog trots zijn ook, dat komt haast niet meer voor. Toch kent de 'ondernemende universiteit' nog individualisten die heilig geloven in een maximale studieduur: 'Ik erger me mateloos aan mensen die in vier jaar door hun studie gaan.'..

UITSTELGEDRAG: Mike van Bruggen is er een virtuoos in. Op zijn dertigste verjaardag, 31 augustus 1999, studeerde hij af - twaalf jaar na de aanvang van zijn biologiestudie aan de Universiteit Utrecht. Aan deze gebeurtenis, die hij niet in grootse stijl heeft willen vieren, was veel getob over de prioriteiten in het leven vooraf gegaan.

Vanaf het begin van zijn opleiding had hij zich volop laten afleiden door de genoegens van het studentenleven. 'Ik ging op een gegeven moment deel uitmaken van het bestuur van de Utrechtse Biologen Vereniging. Dat is een nogal actieve club. Er was een halve dagtaak mee gemoeid, maar gaandeweg was ik er hele dagen mee kwijt. Wat ik zoal deed? Aanspreekbaar zijn voor de leden, de contacten onderhouden met de faculteit, borrels en recepties aflopen. Dat soort dingen.' En de universiteit die werd geacht hem op een werkzaam leven voor te bereiden? Die vond het allemaal best. Sterker nog: zij ondersteunde zijn 'buitenschoolse activiteiten' met vervangende studietoelagen.

Op de onvermijdelijke bestuursoverdracht volgde een jaartje militaire dienst. Dat verschijnsel bestond toen nog. En Mike onderging deze kwelling liever tíjdens zijn studie dan daarna. Na terugkeer in Utrecht bleek hij de academische zelfredzaamheid echter nogal ontgroeid. Dat wil zeggen: hij kreeg het juiste studieritme maar niet te pakken, kon zich niet altijd meteen inschrijven voor de studieonderdelen van zijn keuze, en kreeg - tot overmaat van ramp - ook nog eens een liefdesbreuk te verwerken. En daarmee is hij, naar eigen zeggen, nog tot op de dag van heden bezig.

Om zijn tamelijk ledige bestaan te bekostigen, ging Mike werken. In een zeilmakerij. 'Dat was simpel productiewerk, maar het bracht wel een zekere structuur in mijn leven. Zodanig zelfs, dat de studie na verloop van tijd een beetje bijzaak werd.' Vooral zijn doctoraalscriptie had daar onder te lijden. 'Ik herinner mij nog goed dat ik eraan begon', zegt Van Bruggen. 'Tegen mijn studiebegeleider sprak ik de verwachting uit de scriptie en de twee resterende tentamens in zes weken af te ronden. In werkelijkheid waren er ruim twee jaren mee gemoeid. Ik kwam gewoon niet ter zake. Ik stelde mijn afstuderen onbewust uit. Zo groot was mijn gehechtheid aan het leven van dag tot dag.'

Dat is de kern van het probleem waarmee de eeuwig student worstelt, zegt Bert van Loon - sinds 1969 studentenpsycholoog aan de Leidse universiteit. 'Hij houdt zich bij voorkeur bezig met activiteiten die niet op werk lijken. Het ontbreekt hem niet aan intelligentie, maar aan organisatietalent. Met de middelbare school had hij in de regel geen moeite, maar op de universiteit glipt het doel van de studie hem door de vingers. Het ontbreken van deadlines kan leiden tot stuurloosheid en tot ernstige depressiviteit. Ga maar na: elke dag om twee uur je nest uitkomen, SBS6 aanzetten, en daarmee doorstomen tot de volgende ochtend - wie daardoor níet in een staat van ontreddering komt te verkeren, is van ijzer.'

Dit verschijnsel is moeilijk te kwantificeren. Van Loon schat dat de helft van de ongeveer 300 studenten die hij en zijn collega jaarlijks over de vloer krijgen met uitstelproblemen kampt. 'Bij sommigen zien we al snel: dit kunnen we nooit binnen tien sessies oplossen. Deze mensen verwijzen we door naar een Riagg. Hoe vaak dat voorkomt? Zo'n vijftig keer per jaar schat ik. Zeker niet vaker.'

Van Loon heeft wel de indruk dat de eeuwige student van weleer op het punt staat uit te sterven. Dat in 1998 nog bijna 10 procent van de ingeschreven studenten achtstejaars was, is met die waarneming niet noodzakelijkerwijs in tegenspraak. Lang studeren duidt immers niet per definitie op liefdesverdriet of studiemisère. Onder de ouderejaars bevinden zich ook studenten van het type Marieke van den Berg. Zij stelt zich met volle overgave op het standpunt: studeren doe je maar één keer in je leven, maak er dus het beste van.

Toen zij in 1994 haar hbo-opleiding fysiotherapie tot een goed einde bracht, was zij al begonnen met haar (universitaire) studie algemene letteren. Voor ze daarmee klaar was, werd ze aangesteld als patiëntenvoorlichter bij het Universitair Medisch Centrum Utrecht (het voormalige AZU). Het is de baan van haar dromen, en ze is er allerminst verbaasd over dat zij hem kreeg. 'Ik heb de voordelen van het lang studeren ten volle benut. Ik heb als volledig mens de arbeidsmarkt betreden.'

De Twentse student Martijn Wel benadert de vormende invloed van een rijk studentenleven weer op een andere manier. Op zijn eigen website afficheert hij zichzelf met enig welbehagen als eeuwig student. Hij studeerde een jaar elektrotechniek, en is nu bezig aan zijn zesde jaar bij Bedrijfsinformatietechnologie. Dat hij zich tijdens tentamens geregeld in gezelschap bevindt van 'pubers van achttien' staat hem eigenlijk nog het meest tegen in zijn situatie. Maar voor het overige zegt hij niet de minste spijt te hebben over de manier waarop hij de laatste zeven jaren heeft doorgebracht. Integendeel. 'Ik ben altijd erg actief geweest, met name binnen mijn studentenvereniging. Ik heb daar erg veel van geleerd, en heb er vrienden voor het leven gemaakt. Dit stukje academische vorming nemen ze mij niet meer af. Ik erger me dan ook mateloos aan mensen die nominaal door hun studie gaan in vier jaar tijd, en die bij hun afstudeerpraatje nog niet eens weten hoe ze zich goed moeten presenteren voor een groep mensen, of hoe ze een das moeten strikken.'

HIJ ONTWAART echter weinig begrip voor deze invulling van het begrip academische vorming. 'Met name bij docenten op deze ''ondernemende universiteit'' is begrip voor de actieve student ver te zoeken', zegt Wel, die zichzelf tot de exponent van deze groep rekent. 'Ze hebben er weinig begrip voor dat studenten naast hun dure studie gerust drie keer in de week een terras pakken en drie keer per jaar met vakantie gaan. Ze zien je liever gaan dan komen.'

Studentenpsycholoog Van Loon beaamt dat de hedendaagse universiteit Wel en de zijnen niet langer de speelruimte gunnen waarop zij aanspraak maken, en verbaast zich erover hoe snel deze ontwikkeling zich heeft voltrokken. 'Ik zie ze nog voor me; de studenten die op het Haagse Malieveld ageerden tegen het voornemen van minister Deetman om hen nog slechts gedurende zes jaar een beurs toe te kennen.

'''Zés jaar!'', riepen Van Binsbergen-achtige types met overslaande stem. ''Maar dat kán helemaal niet. Dan is de academische vórming in het geding!'' En toen moest het echte afknijpen, of wat daarvoor doorging, nog beginnen: de zogenaamde tempobeurs die de lat bij tien studiepunten per jaar legde. Tien punten! Dat is nog geen kwart van wat je met een beetje werken kunt binnenhalen. En die maatregel wekte al associaties met de wurgpaal. Daarop werd de eis verhoogd naar 21 punten. Stel je voor! Met dat tempo kun je acht jaar over je vierjarige studie doen. Dat weerhield de critici er echter niet van om het einde van de oude Academie te voorspellen.'

Dat de officiële en de werkelijke studieduur meer - zij het nog slechts ten dele - met elkaar in overeenstemming zijn gebracht, is de universiteit alleen maar ten goede gekomen, meent Van Loon. En het naderende einde van de eeuwige student kan wat hem betreft als een correctie van een academische uitwas worden aangemerkt. Voor hem dreigt de cocktail van financiële strafmaatregelen en de intensivering van het onderwijs fatale gevolgen te hebben. Wat, aldus Van Loon, het einde van de Klikspaan-folklore vooral heeft bespoedigd, is dat voor de eeuwige student binnen de gezelligheidsverenigingen niet langer een heldenrol is weggelegd. Wie er in aanmerking wil komen voor de begeerde bestuursfuncties - de vehikels bij uitstek voor een glansrijke maatschappelijke loopbaan - moet bij zijn studie van een zekere inzet hebben blijkgegeven.

En dat is wel eens anders geweest, weet Van Loon zich te herinneren. 'Nog niet zo lang geleden kwam je hier nog negendejaars tegen die van mening waren dat ze alles pico bello in orde hadden. Zij ontleenden zelfs een zekere status aan hun senioriteit.' In de negentiende eeuw gold voor veel studenten - vooral de telgen uit oude geslachten - de studie slechts als alibi voor holle leut. Wie zich überhaupt ten doel had gesteld af te studeren, diende daarbij geen enkele gretigheid te etaleren.

Een enkeling, zoals de Utrechter Frits Coers, heeft de eeuwige studie zelfs tot bron van levenskunst weten te verheffen. Coers stond rondom de vorige eeuwwisseling enkele decennia ingeschreven bij de Utrechtse universiteit, maar hield zich - geïnspireerd door de groot-Nederlandse gedachte - vooral onledig met steunbetuigingen aan het stamverwante Boerenvolk, agitatie tegen het Belgisch annexationisme of met rijmelarijen waarin het grote verleden van een klein volk werd verheerlijkt. Coers' tijdgenoten wisten zijn extravagantie wel te waarderen. Getuige de Utrechtse laan (in de omgeving van de professorenwijk nota bene) die naar hem werd vernoemd, en getuige het liederengezelschap van het Utrechtsch Studenten Corps (USC) dat zich tot de dag van heden op Coers' werk en leven beroept.

Maar de vereniging die de nagedachtenis van Frits Coers koestert, heeft zich afgekeerd van diens nazaten. 'De eeuwig student wordt hier als een stumper beschouwd', zegt een senator (bestuurslid) van het USC. 'Hij is hier dan ook vrijwel uitgestorven.' De laatsten der mastodonten zijn zich daar pijnlijk van bewust. Voor Martijn Wel is de lol van de studententijd er onderhand wel zo'n beetje van af.

'Ik heb mij voorgenomen om in september aan het afstuderen te beginnen.' En Mike van Bruggen worstelt als biologie-leraar met een geordend bestaan. 'Ik vind het heerlijk om die kinderen les te geven, maar met de verplichtingen die dat met zich meebrengt, heb ik nogal moeite gehad. Ik kwam weleens te laat op school, en ben ook een keer in de verkeerde trein gestapt. Ik ben vrij makkelijk in die dingen. En misschien is dát wel mijn probleem.'

mailIcon print |