*

 
dossier

Archief

ALS RATTEN

tekst Nell Westerlaken fotografie Jacqueline Midavaine − 02/12/00, 00:00

De vraag of Nederland vol is, laat zich niet alleen maar beantwoorden vanuit de wetenschap. Het gaat vooral om het sardientjes-gevoel....

Het is waar van die ratten. Zet er een heleboel in een klein kooitje en ze schieten in de stress. Ze worden zenuwachtig, agressief en gaan elkaar te lijf. Sommige gaan dood van ellende. Het is de uitkomst van een onderzoek dat in 1970 werd uitgevoerd door de Amerikaanse wetenschapper Calhoun en dat sindsdien te pas en te onpas wordt aangehaald. Het rattengedrag wordt grif te berde gebracht door verdedigers van de stelling dat Nederland, met vijftien, zestien miljoen inwoners, nu wel zo ongeveer vol is. Ook D66-kamerlid Boris Dittrich meende de knaagdieren te moeten noemen toen hij deze zomer een voorzichtig pleidooi hield voor het invoeren van een bevolkingspolitiek die de groei van het aantal Nederlanders zou kunnen afremmen.

Waar komt het toch vandaan, het even onbehaaglijke als ondefinieerbare gevoel dat we onderhand uit onze voegen barsten, met z'n 450-en op een vierkante kilometer, en dat we ons daarom als agressieve ratten zullen gaan gedragen? In elk geval niet uit het feit dat ze in Duitsland twee keer zo veel meter Heimat per persoon hebben, meent hoogleraar Rob van Engelsdorp Gastelaars. 'Men is geneigd om Nederland te vergelijken met andere landen, en dan ontstaat er al gauw een alarmfase-1-gevoel. Vergeten wordt dan dat Nederland al sinds de zestiende eeuw alleen kan bestaan omdat we een deltagebied zijn. Al die stadjes, de welvaart, zijn ontstaan dankzij de delta. Nederland werd een belangrijk handelsgebied, er ontstonden in die tijd al wereldhavens', zegt de sociaal-geograaf die zetelt in een krap kantoortje van de Universiteit van Amsterdam.

'Die handelsfunctie verdween eind achttiende eeuw, de stadjes gingen krimpen; Enkhuizen, Hoorn - Hoorn was tot 1960 kleiner dan in 1800. In de tweede helft van de negentiende eeuw bracht de industrialisatie nieuwe voorspoed. Distributie, handel, diensten, noem maar op, concentreerden zich in de delta. Dat had een dubbel-effect: er ontstond verstedelijking door die functies en doordat die steden er waren, werden die functies weer gestimuleerd.' Door deze specifieke ontwikkeling van de economische bedrijvigheid kan Nederland niet met dezelfde lat worden gemeten als Groot-Brittannië, Duitsland of Frankrijk.

'Je kunt Nederland daarom beter vergelijken met bijvoorbeeld het noordoosten van de Verenigde Staten, de centrale regio rondom Parijs of Zuid-Engeland. Engeland bijvoorbeeld heeft minder inwoners per vierkante kilometer, maar dat is een gemiddelde. In grote delen van het land woont geen hond.' De Nederlandse handel en de landbouw zijn vanouds afgestemd op een markt die de vaderlandse grenzen ver te buiten gaat. 'We hebben niet voor niets de Edammer kaas uitgevonden, die lang houdbaar is. Denk ook aan het haringkaken. De landbouw was relatief weinig extensief. Met deze historische ontwikkeling voor ogen is het al met al moeilijk vol te houden dat Nederland te klein is, hooguit dat Nederland te centraal ligt. We zijn al vijfhonderd jaar een belangrijk Europees centrum en daar hebben we zelf naar gestreefd.'

Wie Nederland ziet als deel van iets groters, kan inderdaad moeilijk beweren dat we te krap in het pak zitten. Objectieve maatstaven zijn er niet. De vraag of en wanneer Nederland vol is, laat zich dan ook niet enkelvoudig beantwoorden vanuit de wetenschap. Het gaat vooral om het sardientjes-gevoel. Maar dan nog. Een automobilist die in de zoveelste randstedelijke file de claustrofobische hysterie nabij is, hoeft maar even gas te geven boven Amsterdam-Noord om een weids en redelijk leeg landschap om zich heen te vinden. Slechts een procent of 15 van Nederland is verstedelijkt, 70 procent is in agrarisch gebruik en de resterende 15 procent is van het type natuur dat men graag aanduidt als 'vrij'.

'In feite zijn delen van het platteland leger dan ooit', zegt Van En gels dorp Gastelaars, die de stelling dat Nederland vol is dan ook niet begrijpt. 'Rond 1900 woonden er in een boerendorp in het natte deel van agrarisch Nederland zeg honderd boeren. Met hun kinderen en verder alles erop en eraan en iedereen erbij telde zo'n dorp in totaal vierduizend mensen. Nu wonen er in zo'n zelfde dorp minder mensen. Ondertussen zijn de steden natuurlijk wel gegroeid.' Ongebrei delde suburbanisatie, waarbij voorstad aan voorstad werd geplakt zoals in de omringende landen, werd in Nederland echter voorkomen door de Woningwet van 1900. Na de Tweede Wereld oorlog werden de groeikernen bedacht. De Randstad ontstond met alle infrastructurele voorzieningen eromheen, die een prominente rol spelen in het psychologisch gevoel dat de ruimte onderhand op is, het Groene Hart ten spijt.

'Natuurlijk wordt er meer gerecreëerd dan vroeger, maar er is een fout beeld ontstaan over recreatie in de natuur. We recreëren namelijk in de drukte. Kijk maar naar het strand: er is leeg strand zat, maar we gaan bij elkaar zitten. Wij zijn clusterend bezig. We zoeken plaatsen waar we zowel kunnen wandelen, als fietsen, waar een educatief centrum is, een pannenkoekenhuis, speeltuinen en waar we ook nog eens plantjes voor onze tuin kunnen kopen. Voor de waterrecreatie geldt hetzelfde: de Loosdrechtse plassen zijn het Rokin op het water. Tussen wat de mens zégt dat hij wil en zijn feitelijke gedrag zit een discrepantie.' In de echte lege delen van Nederland, tref je niemand aan, zegt hij. Daar is niet voldoende 'pretparkstructuur'. 'De stelling dat Nederland vol is, is dan ook kletspraat. Driekwart van de ruimte wordt niet gebruikt. Dat sociaal en psychologisch gevoel van volte, daar zie ik niks in. Die rattendiscussie is onzin.'

Steden hebben overal ter wereld dezelfde functie, zegt Van Engels dorp Gastelaars: 'De functie om "ratten" - om dat woord dan maar te gebruiken, te verzamelen. Waar ga je heen als je geen werk hebt? In de Verenigde Staten zie je al zo'n vijftig tot honderd jaar dat men dan naar de stad trekt. In ontwikkelingslanden gebeurt dat zo'n vijftig jaar. Mensen die afwijkend gedrag vertonen worden uit elk dorp weggekeken. Homo's bijvoorbeeld worden in een dorp veel minder geaccepteerd. In de stad zie je dus meer gedragsvarianten. De meest vitale delen van de bevolking zitten daar op een hoop, ook criminologisch gezien. Zakkenrollen doe je nu eenmaal niet in de polder.'

Zijn vakgebied voorziet niet in het antwoord op de vraag of voor steden hetzelfde geldt als voor rattenkooien: hoe meer bewoners op een kluitje, hoe meer stress en agressie. Het was niet helemaal toevallig dat deze vraag opkwam bij de psycholoog Paul Paulus van de University of Texas at Arlington, nadat Calhoun zijn rattenonderzoek had gepubliceerd. De in Ermelo geboren prof emigreerde op 13-jarige leeftijd met zijn ouders naar de States, van de op maat gesneden Veluwse bossen, naar de weidsheid van Ohio. Het begrip 'ruimte' werd voor hem zodoende al op jonge leeftijd gerelativeerd. Tegenwoordig leidt Paulus, specialist op het deelgebied crowding, de psychologische faculteit.

'Ik vroeg me af of overbevolking zou leiden tot stress en agressie. Wat gebeurt er als mensen heel dicht op elkaar moeten leven? Naar aanleiding van Calhouns onderzoek ben ik samen met twee andere wetenschappers op zoek gegaan naar plaatsen waar veel mensen op elkaar wonen: gevangenissen. Twintig jaar lang deden we onderzoek in zestig gevangenissen door het hele land. We wilden weten wat er precies gebeurt als mensen heel intensief en heel dicht op elkaar wonen. Wat is van groter belang voor het goed functioneren van het individu: het sociale aspect of het ruimtelijke? Wat veroorzaakt de meeste stress?

'De uitkomst was dat het aantal mensen waarmee een persoon moet omgaan, veel belangrijker is dan de hoeveelheid ruimte die hij tot zijn beschikking heeft.' Met andere woorden: het omgaan met tien personen in een kleine kamer geeft minder spanning dan het omgaan met twintig personen in een ruimte die meer dan twee keer zo groot is. 'Hoe groter de groep mensen, hoe meer ziektes, hoe hoger de bloeddruk oploopt, enzovoort.' Wat dit betreft is de mens dus gelijk aan de rat, maar het zegt totaal niets over het aantal inwoners dat een land kan bergen.

'Je kunt wel concluderen dat mensen zich beter voelen wanneer ze hun omgeving naar hun idee onder controle hebben', zegt Paulus. 'De dikwijls verguisde sociale controle in een dorp, waar relatief weinig mensen wonen, vergroot het gevoel van veiligheid. In de stad heb je dat niet, daar worden mensen anoniemer. Er is studie gedaan naar het gedrag van personen in de trein die van een grote stad naar een kleine plaats reizen. Hoe dichter ze bij de kleine plaats kwamen, hoe meer ze elkaar in de ogen keken. Ze werden meer open en hadden meer contact. In een dorp is de verantwoordelijkheid voor de eigen omgeving groter. De manier van bouwen is hier mede debet aan. Onderzoek heeft aangetoond dat mensen in een flat met bijvoorbeeld een vierkante kilometer grond eromheen zich minder verantwoordelijk voelen voor de omgeving en banger waren om naar buiten te gaan, dan hetzelfde aantal mensen op dezelfde oppervlakte in kleinere wooneenheden.'

Ook in de Verenigde Staten heeft men het fenomeen groeikernen ontdekt, vertelt hij, een vorm van planning die zowel tegemoetkomt aan de behoefte aan privacy en veiligheid als de behoefte aan stimulering. 'Een mens zoekt optimale stimulering. In de stad heb je van alles. Je kunt naar concerten, naar de film enzovoorts. Stadsmensen houden daarvan en zoeken dat juist op. Er is een hoger stressniveau, maar ook meer stimulering. Je went eraan, je weet na verloop van tijd welke tram je moet hebben, je let automatisch op wie er voor en achter je lopen, maar we weten niet of die gewenning overdraagbaar is op een volgende generatie. Men tendeert ernaar te zeggen van niet.'

Waar het Nederlandse gevoel van 'volheid' vandaan komt, weet hij ook niet precies, maar er zijn wel degelijk verschillen tussen diverse volkeren. 'Er is eens onderzoek gedaan naar de hoeveelheid plaats die mensen voor zichzelf reserveren op het strand. Er waren aanmerkelijke verschillen. Raad eens wie het meeste plaats nodig hadden? In der daad ja, de Duitsers.' Enig kabouterperspectief is Nederlanders niet vreemd. Een stad als Los Angeles beslaat in z'n geheel ongeveer de oppervlakte van Den Helder tot Weert. Nederlanders weten aan de andere kant niet altijd goed raad met een overvloed aan ruimte. 'Als een Amerikaan gaat kamperen doet hij dat om zo veel mogelijk alleen te zijn in de natuur. Op campings staan mensen zo ver mogelijk van elkaar af. Nederlanders die gaan kamperen in Oostenrijk of Frankrijk, gaan dicht bij anderen staan. Dat verbaast me wel eens. Ik had het nog nooit gezien. Misschien dat kamperen voor Nederlanders een ander, meer sociaal gericht doel heeft.'

'Volheid' heeft dan ook van alles te maken met wat men zoekt en wat men gewend is. Paulus: 'Ik woon zelf in een dichtbevolkt gebied. Als ik een beetje bos wil zien, moet ik uren rijden. Woon je in Amsterdam dan zit je in een kwartier in het bos. Nederland als geheel is vrij ruraal. Je hebt overal koeien, bootjes, water. Men is daaraan gewend en beschouwt het als normaal. Als er dan wat verandert, wat wordt bijgebouwd, betekent dit natuurlijk niet dat het land te vol wordt.

'Toen ik veertig jaar geleden wegging uit Nederland woonden er twaalf miljoen mensen. Inmiddels zijn er vier miljoen bijgekomen, maar wanneer ik nu als Amerikaan door Nederland reis heb ik niet het idee dat het veel voller is geworden.' Dit komt mede door de manier van bouwen, meent Paulus. Dorpen, kleine steden afgewisseld met platteland geven een landelijk gevoel. 'Daarom zou ik het Groene Hart maar openlaten'.

Van Engelsdorp Gastelaars is dit niet met hem eens: 'Aan de stedelijke ontwikkeling hebben we van oudsher onze voorspoed te danken. Het is economisch veel beter als de delta-metropool, dat is zeg maar het gebied tussen de vier grote steden, verder wordt versterkt. De rest van Nederland onder de lijn Alkmaar-Doetinchem zou een verstedelijkt parklandschap kunnen worden.' De ideale bevolkingsdichtheid, zegt hij, vind je in het Gooi. Een onderzoek uit de jaren tachtig - en er is sindsdien niet veel veranderd - heeft uitgewezen dat iedereen een huis met een tuin wil. Mensen hebben liever een boom voor zichzelf dan een bos met z'n allen, de helft van twee-onder-één-kap. Ze willen privé-buitenruimte, nog los van caravans en tweede huisjes. Het Vinex-model gaat sneuvelen op z'n bekrompenheid. Decentraal wonen in een parklandschap, dat is voor velen het ideaal.'

Om dat te bereiken zal er agrarisch gebied en ontoegankelijke natuur (oh heilig huisje) moeten worden opgeofferd, meent de sociaal-geograaf. ('Je ziet al dat het boerenland rondom de grote steden verandert in fake-boerenland. Daar lopen paarden, en waar paarden lopen is meestal geen echte landbouw meer.') Wat je ervoor terugkrijgt: dorpser wonen en meer recreatiefaciliteiten. Ook Paulus propageert de ruime opzet: 'Bevolkingspolitiek kan ook betekenen dat je minder dicht op elkaar gaat wonen. Nederland is wat dit betreft wel goed bezig. Ik denk dat je op deze manier nog wel even uit de voeten kunt als er ook goede vervoersmogelijkheden komen tenminste.' Zo'n twintig miljoen kunnen we er wel bergen, denkt hij, voordat de rattenstress toeslaat.

mailIcon print | |