Hij leek voorbestemd om roem te vergaren als atleet. Hij bleef lang geloven in de mogelijkheden van Suriname. maar uiteindelijk werd hij, als topambtenaar en - sinds kort - secretaris van Amsterdam Zuidoost, het gezicht van de multiculturele Nederlandse samenleving....
Bijna was Hugo Kenneth Fernandes Mendes (49) al op zijn 18de een bekende Nederlander. Begin jaren zeventig was hij Nederlands militair- en jeugdkampioen op de 100 en 200 meter hardlopen en stond hij op het punt zich te kwalificeren voor de Olympisch Spelen van München in 1972. Maar tijdens de Europese jeugdkampioenschappen in Parijs, in 1971, ging het mis. Fernandes Mendes kwam net terug uit het Caribisch gebied waar hij een officieus Nederlands record ('tien rond, met te veel rugwind') had gelopen en de bruuske overgang naar het kille, regenachtige Europa brak hem op. Tijdens de halve finale schoot de pijn plots in zijn hamstring en vanaf die tijd stapelde blessure zich op blessure. Op zijn 20ste was zijn atletiekcarrière voorbij. Voor de jonge Nederlander van Surinaamse afkomst zat er niets anders op dan terug te keren in de anonimiteit en zich te richten op zijn opleiding tot beroepsmilitair. En toen zijn moederland in 1975 onafhankelijk werd, leek de toekomst van de jonge idealistische officier niet in Nederland maar in Suriname te liggen.
Ook hijzelf had op dat moment niet kunnen denken dat hij nog een glanzende ambtelijke carrière in Nederland tegemoet zou gaan. Eerst als hoogste ambtenaar voor het minderhedenbeleid op het ministerie van Binnenlandse Zaken en sinds vorige maand als secretaris van het stadsdeel Amsterdam Zuidoost. En dat hij het gezicht zou worden van de multiculturele samenleving. De multiculturele samenleving als ideaal wel te verstaan - niet als probleem of drama.
Toen Fernandes Mendes in 1969 als veelbelovende atleet van 18 voor het eerst in Nederland arriveerde, betrok hij een flat in Arnhem. Op een van de eerste zaterdagochtenden in zijn nieuwe woning werd hij uit bed gebeld door mede-flatbewoners; of hij maar mee wilde doen met de gezamenlijke autowas-ochtend van de buurt. De jonge Hugo had tot diep in de nacht gefeest met vrienden in Amsterdam, maar sleepte zich met fikse tegenzin uit bed voor dit eigenaardige Hollandse gebruik. 'En je zou het niet verwachten, maar het was een prachtig festijn, waarbij ontzettend gelachen werd. Natuurlijk, ik had kunnen zeggen: ik doe niet mee. Maar dit leek me toch een wijze vorm van aanpassen.'
Tegenwoordig verdiept hij zich beroepshalve in dit soort integratie-dilemma's. De afgelopen tien jaar gaf hij als directeur Coordinatie Integratiebeleid Minderheden in belangrijke mate het Nederlandse minderhedenbeleid vorm, onder achtereenvolgens de ministers Dales, Van Thijn, Dijkstal en Van Boxtel. Fernandes Mendes zal zelf niet snel beweren dat hij een stempel op het minderhedenbeleid heeft gedrukt, maar het staat vast dat hij een sterk pleitbezorger was van de begin jaren negentig nog omstreden, maar inmiddels volledig geaccepteerde verplichte inburgering van zogeheten nieuwkomers. 'De vrijblijvendheid voorbij, daar heb ik wel naar gestreefd', zegt hij. En: 'Het welzijnsetiket dat aan het beleid hing, is er wel een beetje vanaf.'
Dat hij een groot voorstander is van inburgeringscursussen, is deels ingegeven door eigen ervaringen. Zo kostte het hem de nodige moeite, zegt hij, om de vele 'impliciete codes' van de Nederlandse samenleving te 'ontcijferen'. 'De regels zijn hier allemaal bekend en soms streng, totdat blijkt dat het in de praktijk toch iets anders ligt. Euthanasie mag bijvoorbeeld niet en dan duurt het een hele tijd voordat je in de gaten hebt: euthanasie mag wel, alleen moet je je aan tien regels houden.
'Voor veel mensen uit het buitenland is het lastig om het verband te zien tussen een land dat bekend staat als calvinistisch, maar tegelijkertijd geldt als liberaal. Dat het red light district uitgerekend in Neder land bestaat, terwijl Nederland voor veel mensen toch ook het land is dat overal ter wereld de vinger op de zere plek legt en strenge gedragsregels hanteert. Waar nu precies de balans ligt van: wanneer mag iets wel en wanneer mag iets niet, dat is voor nieuwkomers vaak erg verwarrend.'
Hij is gespitst op illustraties uit het leven van alledag. 'Ik reed laatst 's avonds op mijn fiets zonder licht en aan de verkeerde kant van de weg door Leiden, pal langs een politieagent. Hij was ook op de fiets, maar wel in vol ornaat. Nou, ik reed door en hij hield mij niet aan. Iemand die naar Nederland komt snapt dat dus niet. In Suriname zou ik snel van de fiets zijn gesprongen, al was het maar uit respect.'
Een van de sterkere punten in Paul Scheffers veelbesproken NRC-artikel Het multiculturele drama van begin dit jaar vond Fernandes Mendes daarom diens pleidooi om de impliciete codes van de Nederlandse samenleving explicieter te maken. 'Zodat nieuwkomers weten wat er nodig is om er hier bij te horen.'
Maar Fernandes Mendes was vooral verbaasd over de weerklank die het artikel van Scheffer vond. 'Want inhoudelijk werd er weinig toegevoegd aan wat al in '92, tijdens het Bolkenstein-debat, is gezegd. Dat heb ik nog eens bekeken en het is heel aardig dat een heleboel mensen nu denken dat ze iets nieuws hebben geroepen, terwijl dat absoluut niet het geval is. Blijkbaar is het nu modieus om je binnen de grachtengordel als niet politiek-correct te presenteren. Zo van: nu ga ik iets baanbrekends zeggen. Maar behalve Paul Scheffer zelf ben ik daarna niemand meer tegengekomen bij discussies waar allochtonen wel aan meededen.'
In het algemeen vond hij Scheffers analyse te negatief. 'De werkloosheid onder allochtonen is in tien jaar tijd wel gedaald van 30 naar 14 procent. En als hij zegt dat integratie met behoud van eigen identiteit onmogelijk is, dan is mij dat te filosofisch. Ik kan daar in het beleid weinig mee. Je identiteit wordt deels gevormd door je gezin, door je familie en door allerlei invloeden uit je jeugd. Je kunt iemand niet zomaar even zijn identiteit afnemen zoals je een pet afzet. En natuurlijk is het zo dat er sprake moet zijn van aanpassing. Ik heb weleens een moslimjongen gesproken die bij de politie wilde, maar zei: "Vrouwelijk agenten geef ik geen hand." Tja, dan zit je in Nederland toch met een probleem.'
Toch heeft hij de neiging om te blijven wijzen op de 'uitsluitingsmechanismen' in de Nederlandse samenleving. 'Sommige dingen vind ik onverklaarbaar. Dat er zo veel vacatures zijn en er tegelijkertijd zo veel allochtonen in de kaartenbakken zitten bij de arbeidsbureaus. Hoe komt het dat zij er niet worden uitgehaald? Ik vind ook dat minderhedenorganisaties het laten afweten. Zij zouden het bedrijfsleven en de overheden veel meer onder druk moeten zetten.'
Scheffers verhaal maakte wel goed duidelijk, aldus de topambtenaar, wat volgens hem de kern is van het integratieprobleem: 'Het interesseert de mensen geen bal. Ze zien het op tv, ze lezen erover in de krant, maar ze willen het in hun nabije omgeving niet zien. Ook al wonen ze in hartje Amsterdam of werken ze met vijfhonderd mensen in een gebouw. En dat is buitengewoon ernstig.'
Eigenaardig vindt hij het, de suggestie dat zijn overgang van de burelen in Den Haag naar het weerbarstige Amsterdam Zuidoost (waartoe ook de Bijlmermeer behoort) een stap terug zou zijn. 'Dat heb ik meer gehoord, maar het is grote onzin. Amsterdam Zuidoost is eigenlijk gewoon een middelgrote stad van bijna 90 duizend inwoners. Op het departement gaf ik leiding aan veertig tot vijftig mensen, dat worden er nu zo'n vijfhonderd. Daarnaast word ik nu eindverantwoordelijk. Dat is voor mij een grote stap vooruit. Drie jaar geleden heb ik al eens overwogen om hierheen te gaan, maar toen vond ik mezelf er nog niet rijp voor. Nu dus wel. Ik heb Amsterdam Zuidoost ook al heel lang gevolgd. Vanuit mijn werk van de afgelopen jaren is het de interessantste deelgemeente van Nederland. Iedereen realiseert zich dat Zuidoost het laboratorium is waar het goed of fout kan gaan met de multiculturele samenleving. Het is dus de spannendste plek die ik kan bedenken om te werken.'
Hij deed overigens niet mee aan de omstreden - en mislukte - procedure waarin expliciet werd gevraagd om een 'allochtone' secretaris. In tweede instantie werd hij gevraagd te solliciteren. Toch zegt hij: 'Ik begrijp de ophef over die procedure niet zo. Zuidoost heeft uiteindelijk zelf gezegd: wij vinden dat de kandidaten niet voldoen aan de kwaliteitseisen die wij stellen.'
Hugo Fernandes Mendes werd in 1951 geboren in een 'volksbuurt' in Paramaribo. Zijn vader was een lagere ambtenaar op het ministerie van Onderwijs, maar Hugo werd alleen door zijn moeder opgevoed, samen met vijf van zijn broers en zussen. In de buurt waar hij woonde, viel de jonge creool op doordat hij niet alleen belangstelling had voor sport, maar ook goed presteerde op school en graag een boek las. 'Nogal on-Surinaams', zegt hij zelf.
Bij toeval bleek op zijn 15de dat hij talent had voor atletiek, een paar jaar later was hij Surinaams kampioen op de 100, de 200, de 400 meter, verspringen en snelwandelen. Een hoge militair in het bestuur van de Surinaamse atletiekbond raadde de jonge Fernandes Mendes aan om naar Nederland te gaan voor een opleiding tot beroepsmilitair. Op die manier zou hij ook zijn atletiektalenten kunnen ontwikkelen. Na het mislukken van zijn sportieve carrière zag de idealistische Fernandes Mendes nieuwe perspectieven in de onafhankelijkheid in Suriname, in 1975.
Terwijl er vanuit zijn moederland grote aantallen Surinamers uit angst voor de toekomst naar Nederland kwamen, deed de jonge officier, met een aantal collega's, juist een oproep om terug te gaan naar Suriname. 'De kranten stonden vol met dramatische voorspellingen. Er zou bloed vloeien, hindostanen en creolen zouden elkaar in de haren vliegen en Suriname was toch een beetje het voorportaal van de hel. Ik geloofde daar niet in. En wij zagen, als militairen, ook allerlei kansen: een jong leger waarin je als officier meteen veel meer verantwoordelijkheden kreeg dan in Nederland.'
Zo werd hij in 1975, op zijn 24ste, officier in het Surinaamse leger. Daar kregen de professionele, in Nederland opgeleide militairen te maken met een onbekwame, ongemotiveerde en ijdele bevelhebber, kolonel Elstak. Fernandes Mendes: 'Elstak bleek vooral geïnteresseerd in het decorum, in recepties en parades. Hij had geen contact met zijn mensen, hij heeft nooit op een militaire manier gefunctioneerd. Wel had hij een extreme interesse voor uniformen. Hij liet voor iedere gelegenheid een ander uniform maken en had, met het oog op de toekomst, ook al een generaalsuniform in ontwerp.'
Voor Fernandes Mendes en een aantal van zijn mede-officieren werd als snel duidelijk dat noch Elstak noch de verantwoordelijke politici zich bezighielden met doel, functie en organisatie van het Surinaamse leger. Nadat ze Elstak er in 1977 in een brief op hadden gewezen dat hij 'de zaak dol' draaide, volgde een aantal gesprekken. 'Maar Elstak zei: "Als u het anders wilt, pleegt u maar een staatsgreep".'
Die optie ging voor de officieren vele stappen te ver en ze besloten om te wachten op politiek ingrijpen. Maar vervolgens uitten ook de onderofficieren, onder wie Desi Bouterse, hun ongenoegen. Eind 1978 besloten zij tot de oprichting van een militaire vakbond, die werd verboden door Elstak. De situatie escaleerde en toen die onderofficieren na een bezetting van de belangrijkste kazerne voor de krijgsraad werden geleid, barstte de bom. Een dag voor de uitspraak, die voor de betrokkenen zware gevolgen had kunnen hebben, vond de staatsgreep plaats.
Hugo Fernandes Mendes maakte die niet mee. Hij zat ziek thuis ('Dat was echt toeval, mijn been zat in het gips'), maar hij had al besloten dat de onderofficieren te ver gingen. 'Wij waren allemaal opgeleid met het idee dat het leger ondergeschikt was aan het burgerlijke bestuur. In een democratie ligt het primaat bij de politiek en ik ben er nog steeds van overtuigd dat veel onderofficieren dat eigenlijk ook vonden. Daarom twijfel ik nog steeds of je wel moet spreken van een staatsgreep. Een van hun eisen na het plegen van de 'coup' was dat ze geen straf zouden krijgen van het parlement. Nou, dat doe je niet als je net de macht hebt gegrepen.'
Het motief voor de rebellie lag volgens Fernandes Mendes in de drei gende uitspraak van de krijgsraad. Daarna pas kregen ze de politieke macht min of meer in hun schoot geworpen. 'De politiek was in Suriname al in 1978 volledig vastgelopen en veel mensen dachten: dit is de kans om een nieuwe start te maken met jonge mensen en zonder die oude politieke structuur waarbij rassen tegen elkaar worden afgezet. Ook in Nederland werd zo gedacht; in die periode ging ook veel extra geld naar Suriname.'
Desi Bouterse was door Fernandes Mendes tot dan toe in ieder geval nooit op politieke aspiraties betrapt. 'Ik sprak hem regelmatig, als onderofficier kwam hij regelmatig bij mij binnenlopen. Ik vond het een sociale jongen, bescheiden, niet heel erg op de voorgrond. Over politiek ging het nooit.'
Fernandes Mendes zat, als overtuigd tegenstander van de staatsgreep, in een moeilijk parket. De coupplegers hadden op televisie het vriendelijke doch dringende verzoek gedaan aan alle officieren om zich te melden. 'Het zag ernaar uit dat ik openlijk zou moeten kiezen: voor of tegen. Ik had, als woordvoerder van de jonge officieren, geen onopvallend bestaan binnen de krijgsmacht, dus de kans was groot dat er in politieke zin een beroep op me zou worden gedaan. Daar had ik geen zin in. Dus ben ik vertrokken. Hals over kop, ja, naar Nederland. Nog niet direct omdat er concreet gevaar dreigde, maar wel omdat ik in een dilemma-achtige situatie kwam. En als ik de andere partij was geweest, dan had ik toch gezegd: die Fernandes Mendes, die moet je of in je eigen kamp trekken of je moet er voor oppassen. Ik was wel zo arrogant om dat zo te taxeren.'
En zo arriveerde Hugo Fernandes Mendes, inmiddels 28, begin maart 1980 opnieuw in Nederland, met zijn Nederlandse vrouw en hun twee kinderen. 'Het was raar. Ik realiseerde me toen dat ik toch met een zeker idealisme naar Suriname was gegaan. Ik had besloten, met mijn vrouw, dat daar onze toekomst lag. Maar onze droom werd, letterlijk, lek geschoten.'
En nog had hij Suriname niet uit zijn hoofd gezet. Hij pakte zijn studie rechten, waar hij in Suriname aan begonnen was, weer op en studeerde in recordtempo, binnen twee jaar, af, met het doel om weer terug te gaan. 'Ik kon niet meer als militair naar Suriname, maar ik wilde wel in Suriname wonen en werken. Dus kwalificeerde ik me in Nederland voor een burgerfunctie.'
De kans om terug te gaan deed zich voor toen verzekeraar Ennia in 1982 het plan opvatte om flink in Suriname te investeren en in Fernandes Mendes de geschikte persoon zag als bestuurssecretaris ter plekke. 'Begin december voerden we de afrondende gesprekken. Alles leek geregeld. Maar een paar dagen later vonden de decembermoorden plaats. En Ennia zag af van haar plannen. Dat was zeer ingrijpend. Een desillusie.'
De verbijstering was groot bij Fernandes Mendes. 'Je kunt veel zeggen van Suriname, er wordt veel geklept en geneuzeld, maar het had geen gewelddadige traditie. In de regio was Suriname op dat gebied een paradijs. Dat was al doorbroken door de staatsgreep, maar het drama van december 1982 had werkelijk niemand kunnen voor spellen.'
Fernandes Mendes werd (hoofd)docent aan de universiteit van Lei den, in 1989 promoveerde hij. Pas toen koos hij definitief voor Nederland, ook al omdat hij, vanwege een aantal artikelen dat hij schreef over Suriname, tot 1990 geen visum kreeg voor zijn moederland.
Het was een late keuze voor Nederland. 'Niet omdat ik niet van Nederland hou. Ik heb er nu de helft van mijn leven doorgebracht en ik ben een spreekwoordelijke exponent van twee culturen. Maar wil je in Nederland functioneren, dan moet je je richten naar de codes die hier gangbaar zijn. En Nederland is het land van de zakelijkheid en hard werken. Suriname is het land van de relaties, van de warmte en het wij-gevoel. Het klinkt sentimenteel, maar die warmte mis je toch. Die dubbele houding zie je bij veel Surinamers. Als je vakantiegangers spreekt zeggen ze allemaal hetzelfde: "Nou, het was weer heel slecht in Suriname, maar ik heb zo'n plezierig vakantie gehad."
'Maar goed, je kunt niet eeuwig in twee werelden blijven leven, daarmee doe je jezelf en je gezin onrecht. Je wordt doodongelukkig als je niet echt kiest voor een samenleving, voor een land. Dat heb ik dus uiteindelijk gedaan.'
Pijn doet het soms wel en het gemis deed zich al die jaren in Den Haag nog weleens voelen. Vandaar wellicht ook die overstap naar Amsterdam Zuidoost, in de volksmond wel 'Klein Paramaribo' genoemd. Hij zal dat alleen al om politieke redenen niet voluit onderschrijven. 'Mijn doel is juist om hier een gemengd apparaat op te zetten op basis van professionele kwaliteit. Veel mensen zeiden: "Dat lukt nooit, je bent hartstikke gek dat je daar naartoe gaat." Maar ik heb gezien dat er wel potentie is. Op een van mijn eerste dagen was ik bij een borrel op de afdeling financiën. Die vierde dat de financiële huishouding op orde was. Dat was drie, vier jaar geleden nog wel anders. Dat is wat ik graag zie: jonge mensen met een verschillende culturele en etnische achtergrond die een gemeenschappelijk en professioneel belang hebben. Die zeggen: het budgetbeheer moet op orde zijn en daar ontlenen wij onze trots aan.'
De multiculturele samenleving als ideaal. Hij is eigenwijs genoeg, zegt hij, om erin te geloven. 'Ik beschouw het als mijn doel om te bewijzen dat het kan. Om die omslag te maken van het Nederland van de jaren vijftig, zestig, naar een multiculturele samenleving die ook in de praktijk werkt. Daarin ben ik zeer vastbesloten. De keuze voor Zuidoost is ook geen toeval in mijn leven. In alle keuzes die ik heb gemaakt zit een element van: tegen de stroom in roeien. Ik heb besloten om naar Suriname te gaan toen iedereen zei: het gaat daar fout. Ik heb in besturen en organisaties gezeten met maar een doel: zorgen dat het beter gaat, ondanks een ongelukkig gesternte. Ik weet niet of dat idealisme is. Het is in ieder geval een permanente keuze om niet de makkelijkste weg te nemen. En de drang om te winnen, juist als de opgave zwaar is.'
Een beetje wennen is het nog wel, op zijn nieuwe werkplek. Op het ministerie werkte Fernandes Mendes 's avonds door zo lang hij wilde, maar bij het stadsdeel Zuidoost wordt de nieuwe secretaris door een geuniformeerde bewaker iets voor zevenen vriendelijk doch dringend verzocht het pand te verlaten. Dus neemt hij die twee tassen met werk maar mee naar zijn huis in Leiden, waar hij, zoals gewoonlijk, doorwerkt tot middernacht. 'Denk niet dat ik thuis voor de tv ga zitten', zegt hij, even voordat hij verdwijnt in de parkeergarage in de betonnen krochten onder het stadsdeelkantoor, zijn jaspanden wapperend in de gure novemberwind.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.