In Remco Camperts werk heersen willoosheid, stilstand en stilte. Hij is de dichter van superieure terzijde-poëzie, en is dat ook niet waar het ware leven zich afspeelt - in de zijstraten?...
Remco Campert lijkt vaak weinig of nog liever niets te willen en van die stilstand die ver verheven is boven de besluiteloosheid, is hij de enige, natuurlijk paradoxale, woordvoerder in de Nederlandse taal. Hoeveel keer heeft hij sinds 1996 op de voorpagina van deze krant (de rubriek CAMU is echt pas in zijn vijfde jaar, het is alsof ik hem altijd heb gelezen) over dat persoonlijke nirwana geschreven?
De willoosheid, met de aarzeling als een wat minder vergevorderde variant, manifesteert zich vooral op zondag, en dat mag typerend zijn voor iemand die nooit het dwangbevel van de kerkklokken of de klaroen van een jeugdbeweging heeft gekend: de zondag is eindeloos want bewegingloos. Als hij dan tot een besluit is gekomen, regent het en hoeft aan het net beslotene geen uitvoering te worden gegeven. De stilstand blijft.
Op de laatste maandag van augustus 1996 begon hij zijn column met deze zin: 'Juist toen ik dacht dat ik toch maar even op de Uitmarkt moest gaan kijken, begon het uitbundig te regenen.' Het is een oud geluk. De bundel Bij hoog en bij laag uit 1959 opent met het gedicht 'Zondag':
Zondag had ik me voorgesteld
in de hangmat door te brengen
tussen de stevige stammen van de bomen
dicht boven de aarde
en van de hemel ver genoeg verwijderd
om me een mens op zijn plaats te voelen.
Maar het regende.
Ik houd van literatuur die haar vitaliteit dankt aan gebrek daaraan. Ook omdat ze de kracht van het mooiste verraadt: de afleiding. Die is altijd welkom. Er zijn benijdenswaardige geesten voor wie de dingen pas goed zijn als er iets tussen komt. In de inbreuk verraadt zich het scheppende moment. Het ware leven gebeurt in een zijstraat (is de zondag niet de zijstraat van de werkweek?).
Camperts poëzie is de superieurste terzijde-poëzie die ik ken. Er staat zeer veel in. De marge kent weinig aanzien. Maar zij is het meest wezenlijke deel van een bladzijde. De hoofdtekst interesseert ons niet. Wat er in de rand geschreven wordt, dat is de enige vorm van leven. Wat voor zijn gedichten geldt, geldt ook voor zijn columns op de eerste pagina van deze krant (morgen weer).
De stilstand en de stilte lijken het best bewaard in Den Haag. Voor de meest verfijnde momenten van zijn columns keert Campert terug naar zijn geboorteplaats: nergens houdt de geschiedenis zich zo sluimerend dat ze elk ogenblik gewekt kan worden, nergens valt een herfstblad trager en geruislozer ('herfst in Den Haag, wie dan niet van weemoedig geluk sterft, zal het nooit meer'). Hij blijft Den Haag verraden, ook in de zachtheid van zijn zo keurige taal: elke luidruchtigheid is hem vreemd. Zijn spreken doet vele voorgedachten vermoeden; hij durft de stilte in het gesprek nog aan. Soms zo vaak, dat je enig verzet tegen het spreken in hem begint te vermoeden, zeker bij interviews, hoe voorkomend hij ook altijd blijft, Haags haast.
Misschien is dit het meest bewonderenswaardig aan hem: hij woont al meer dan een halve eeuw in Amsterdam, heeft hier revoluties gemaakt en meegemaakt, maar heeft nooit in die erg spraakmakende stad zijn stem verheven.
Het terzijde-karakter van zijn werk is ook zijn persoon eigen. Er zijn nogal wat groepsfoto's van de Vijftigers waarop hij staat. Ik onderga altijd de bekoring van dit onderschrift: 'De Vijftigers, links Remco Campert'. Hij staat daar als de laatst - bijna te laat - aangekomene, de ogen vaak iets neergeslagen. Excuseer mijn aanwezigheid.
Ik heb hem wel eens een zijstraat zien inslaan, ik keek hem na: haast ongemerkt liep hij door de straat, pogend zelfs de huizen niet lastig te vallen. Maar ik zag hem ook eens - op de televisie - samen met naar ik meen Jeroen Henneman lopen over het net vrijgegeven nieuwe Museumplein in Amsterdam: hij droeg een regenjas over de arm in een bijna vooroorlogs gebaar, een zondagmiddagwandelaar. Hem werd zijn mening gevraagd over het plein. Vriendelijkere en meer ingehouden afwijzing heb ik niet gehoord: hij was even publiekelijk de zeer beschaafde passant die hij is.
Al waagde hij zich nog vorige week in een wandeling niet verder dan de Van Baerlestraat, niet ver van zijn huis (na eerst een fietsontsnapping te hebben geprobeerd, het bleef bij een blokje) hij is, zijn columns en gedichten laten het lezen, een weinig doelgerichte wandelaar door de stad. Heel mooi staat het in een van de gedichten uit de in 1984 verschenen verzameling Amsterdamse dagen:
Op een besneeuwde middag
in het Stedelijk lopen
door schilderijen beschermd
de bochten volgen van de Herengracht
tot aan het licht
en de wind van de Amstel
aan de tap hangen
in een onbekend café
waar de hele middag de kaarters zitten
en je gokken kunt op Franse paarden
dwalen over het Prinseneiland
plotse geur van pek
licht dat kraakt
in de Galgenstraat
denken aan wie hier eerder liep
onuitwisb're voetstap van de stad.
De lichtheid van de regels ('tot aan het licht / en de wind van de Amstel' zijn natuurlijk de mooiste), naar taal en toon, naar loop vooral, blijven al decennia fascineren. Dat geldt ook voor de bijna altijd aanwezige vreemde elementen - hier die Franse paarden waarop je kunt gokken - en voor de vaak schitterende beelden. Het verschrikkelijke komt juist door die lichtheid des te harder aan, (geen drama geeft pas drama) als in dit gedicht uit dezelfde reeks:
Eens sneeuwde het in de Beethovenstraat
sneeuwde het op het Waterlooplein
sneeuwde het in de Hollandse Schouwburg
eens sneeuwde het harder
vlagen wit en grauw
sneeuw van vroeger
die niet smelten wil
Het verbazingwekkende is dat Campert die toon al in zijn vroegste gedichten had. In mei 1950 verscheen het eerste nummer van het door hem samen met Rudy Kousbroek (beiden zijn dan twintig jaar) uitgegeven tijdschrift Braak. Het opent met een gedicht van Campert, een beetje programmatisch natuurlijk, maar elke nadrukkelijkheid programma's eigen ontbreekt. Een halve eeuw geleden is het ook al 2000, al rijmen de regels bijna toevallig: Campert heeft vijftig jaar lang bijna alleen maar eerste gedichten geschreven en dat is mede de grootheid van zijn dichterschap:
dichten is liegen op hoger plan
van een mus een zwaluw maken
en als het even lijden kan
nonchalant de kosmos raken
liefs erwtenborsten
worden een verrukkelijk span
een gore lap een smetteloos laken
maar voor de deur staat een man
al nachten lang te braken.
In het mei-juni nummer van het formele, traditionele en wat sjieke tijdschrift Libertinage, dat in juli 1950 uitkwam, verschenen ook gedichten van Campert: iedereen wilde zijn jeugd, en ook dat is zo een halve eeuw gebleven.
Die lichtheid (met een overigens grote inhoudelijke dichtheid) is ook eigen aan Camperts columns in deze krant. Om de dag bewijst hij dat wie de juiste woorden gebruikt er weinig nodig heeft. Als hij hekelt, gebeurt dat subtiel, om niet te zeggen elegant ('het Algemeen Dagblad, dat zijn naam nooit heeft meegehad'). Hij houdt de wereld bij, maar is misschien het sterkst in de concretisering van de geest van de tijd. Dat heeft - op een ander plan - ook zijn poëzie altijd gekenmerkt: door die halve eeuw aan gedichten gaat de toon van de tijd, niet te omschrijven, maar duidelijk aanwezig, natuurlijk de tijd als door hem beleefd (maar zo individueel is dat niet). Ik kan het niet bewijzen, maar taal en, daarmee samenhangend, wereldbeeld van zijn poëzie hebben alles te maken met de jaren dertig en veertig en al die spoken die toen door Europa waarden.
Dat klinkt zwaar, maar ik til er niet licht aan. De schroom, het terzijde, de humor, het woord dat het papier net raakt, het zijn de enige redmiddelen eruit.
Het lijkt erop dat Campert zich de laatste tijd beter voelt dan ooit. Als ik tenminste op zijn columns af ga. Ik vind dat enigszins verontrustend, want hij lijkt iets te gaan willen. Hij is in elk geval werkzamer dan ooit. Maar, helaas, de paradox dreigt te verdwijnen: die van een grote vitaliteit bij de voortdurende afwezigheid daarvan.
Deze alinea heb ik eens uit een stukje overgeschreven, omdat ze zo mooi aantoont hoe iemand de wereld altijd schept naar eigen beeld en gelijkenis: 'De regen had wel iets bijzonder treurigs, met van die druppels die halfhartig hun best deden om echt volle druppels te worden. Maar je voelde dat de grote weerbaas achter hen er bij het opstaan geen echte zin in had gehad.'
Dat is de soort treurigheid die mij troost in mijn treurigheid.
De tentoonstellling over Remco Camperts leven en werk die morgen in het Letterkundig Museum officieel wordt geopend, duurt tot en met 10 juni van het volgend jaar. Toen ik dat las, leek het mij wat overdreven. Maar ik begreep ineens, dat die lange duur voor de geestverwanten van de dichter is: die besluiten pas na heel lange tijd naar de tentoonstelling te gaan. Het zal druk worden in de eerste week van juni. Als het dan niet regent.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.