*

 
dossier

Archief

CONNIE PALMEN

door Peter Swanborn − 05/03/99, 00:00

Van Connie Palmen zijn meer dan een miljoen boeken verkocht, tot in Zuid-Korea toe. Het dit jaar door haar geschreven boekenweekgeschenk 'De erfenis' komt in een recordoplage van 745 duizend uit....

HET 'FILOSOOFJE' noemde Ischa Meijer haar en ook 'het achterneefje van Socrates'. Haar moeder was minder eerbiedig en zei: 'Wat ze in haar kop heeft, heeft ze niet in haar kont.' Verschillende docenten van Connie Palmens lagere en middelbare school spraken vorig jaar in HP/De Tijd over haar grenzeloze nieuwsgierigheid en haar 'bijna religieuze dweperigheid'. Connie wilde alles weten en wilde altijd 'zijn op de plaats waar iets gaande was.'

In het Limburgse St. Odiliënberg groeide zij op: 'Het dorp waar ik geboren ben is mooi en de mensen die er wonen zijn katholiek. Als je als katholiek geboren bent weet je niet beter, tenminste voor een tijd.' Aanvankelijk, zo valt in het laatste hoofdstuk van haar debuutroman De wetten te lezen, was haar geloof zo groot dat de familie Palmen zich zorgen maakte: 'Ze probeerden op allerlei manieren mijn aandacht af te leiden, om me bij de kerk vandaan te houden.'

Palmen wilde misdienaar, non 'en later een priester' worden, maar haar kinderlijke godsgeloof ging wankelen, toen zij 'de Witte Beertjes-pocket in handen kreeg, waarin lezingen stonden van Mijnheer Jean-Paul Sartre, over het existentialisme. Ik was bijna veertien.' De droom van het klooster maakte plaats voor de pedagogische academie.

Een minder geslaagde keuze ('ik verveel me zo') en daarom vertrok Connie Palmen op 22-jarige leeftijd naar Amsterdam, niet zozeer om groots en meeslepend te leven maar om, zoals ze in I.M. schrijft, 'even niets meer te hoeven meemaken en alleen maar te lezen, uit de boeken'. In 1986 studeerde ze cum laude af in de Nederlandse taal- en letterkunde en twee jaar later in de filosofie. Haar scriptie over Socrates zou één jaar na De wetten onder de titel Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates in boekvorm verschijnen. Een filosofische smartlap naar eigen zeggen.

In januari 1991 kwam De wetten uit bij uitgeverij Prometheus. Directeur Mai Spijkers had haar toegezegd 'echt alles' voor deze 'Bildungsroman' te doen en het succes van hun samenwerking was zo groot dat De wetten in hetzelfde jaar nog veertien maal herdrukt moest worden. Het boek vormde een inspiratiebron voor de carnavalsprocessies van dat jaar, won het Gouden Ezelsoor en werd uitgeroepen tot de European Novel of the year '91.

Opmerkelijk genoeg publiceerde Het Parool, waar inmiddels een vroegere studiegenoot hoofdredacteur was geworden, voorafgaand aan de verschijningsdatum een paginagroot interview met de debutante. Dit interview vormde het startschot voor wat Robert Anker achteraf zou omschrijven als een 'collectieve verliefdheid in de vaderlandse pers'. Ook Ischa Meijer nodigde 'La Palmen' uit voor een interview. Refererend aan de zeven mannen die in De wetten het alter ego van Connie Palmen vormen en beïnvloeden, riep Ischa Meijer zichzelf uit tot 'nummertje acht'.

Tijdens hun vier jaar durende relatie voltooide Palmen het manuscript van haar tweede boek, De vriendschap, een roman over het 'drama van de afhankelijkheid'. Deze keer won Palmen de AKO Literatuur Prijs '95, de Trouw Publieksprijs van 1996 en de Gouden Bladwijzer van het Vlaamse blad Humo. Carel Peeters sprak in Vrij Nederland van een 'genadeloos filosofisch meisjesboek'.

Veertien dagen voor het verschijnen van De vriendschap overleed Ischa Meijer. Zijn verjaardag werd zijn sterfdag en tevens de dag waarop precies drie jaar later I.M. verscheen, Palmens verslag van haar tijd met Ischa. Het boek werd aangekondigd als een roman, maar volgens Palmen was het evenzeer haar 'eerste echte autobiografische boek'. De reacties op I.M. waren niet mals. Zo hoog als Palmen werd geprezen aan het begin van haar literaire carrière, zo zwaar kreeg zij het nu te verduren. Woorden als machtsvertoon en megalomanie waren niet van de lucht. Hans Goedkoop sprak in de NRC van een 'egomane droomwens' en stelde dat haar boek 'niets met literatuur' te maken had. Emma Brunt noemde I.M. een 'zoetsappige, keukenmeiderige soap' en verweet Palmen zelfbedrog. Willem Kuipers zag in Palmen een 'tragédienne die zich uitzinnig van verdriet op het ontzielde lichaam van haar man werpt' en in meerdere recensies werd Palmen verweten prat te gaan op het feit dat alleen zij de 'onberekenbare Meijer had weten te temmen'. Ook gingen steeds meer recensenten zich ergeren aan Palmens vormeloze stapelzinnen en aan haar neiging om elk verhaal in korte, fragmentarische scènes op te delen. Waarom moest zij elke alinea besluiten met een betekenisvolle conclusie die vervolgens in een witregel een even betekenisvolle echo meekrijgt? De filosoof Cornelis Verhoeven, bij wie Palmen afstudeerde, sprak van haar 'feilloos gevoel voor pakkende kalenderwijsheden'.

Uitzonderingen vormden Jaap Goedegebuure en Doeschka Meijsing. De eerste schreef: 'Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zulk hartverscheurend proza heb gelezen. (. . .) Niet eerder zag ik zo snijdend geformuleerd wat de dood van de geliefde betekent voor de overlevende.' Meijsing noemde I.M. 'het intiemste boek dat ik ooit in handen heb gehad', al had zij over eerder werk van Palmen geschreven dat 'reclame en propaganda het langzamerhand winnen van enig nadenken'.

Naarmate Palmen meer boeken verkocht, werden de kritieken wantrouwiger en ook het filosofische gehalte van haar romans moest het ontgelden. Steeds vaker kreeg zij voor de voeten geworpen wat ze zich in De vriendschap (en ook al eerder) tot doel had gesteld: 'het ontheiligen, vereenvoudigen en banaliseren van wat door de filosofie als hoogstaand en door de psychologie als complex werd opgevoerd'.

Bas van Kleef noemde haar in deze krant een 'literair duizenddingendoekje' en in De Gids schreef Monica Soeting: 'Palmen beschrijft niet; Palmen verklaart. (. . .) Ze gebruikt dogma's en clichés waar echte grote schrijvers zoeken en tasten.' Het succes van Palmen werd niet langer toegeschreven aan de kwaliteit van haar boeken, maar aan de zelfverzekerdheid van haar toon en, erger nog, aan de behoeften van het grote publiek. In een tijd waarin de vraag naar geestelijke zelfbevrediging hoog genoteerd staat, zouden de romans van Palmen fungeren als waren het intellectuele zelfhulpboeken. Literatuur kan nu eenmaal volgens Palmen 'goedmaken wat in ons leven fout gaat'.

De kritiek bleef niet beperkt tot het werk, maar betrof ook steeds meer de persoon. Palmen zou zich schuldig maken aan de 'publieke exploitatie van particuliere emoties'. Ze zou haar eigen leven voor fictie laten doorgaan en zodoende al te zeer leunen op de voyeuristische behoefte van een publiek dat meer dan ooit schrijvers als goede vrienden wil zien. Ook Palmens gekoketteer met haar 'uitzonderlijke intelligentie' en haar aan grootheidswaan grenzende behoefte om al schrijvend mensen 'gelukkiger te maken', deden de zaak geen goed.

Palmen speelde echter de bal terug. Tegenover De Groene Amsterdammer verklaarde zij de media als een monster te zien, een lief en soms ook wel slim monster dat altijd honger heeft en dat liever met levensverhalen dan met literatuur wordt gevoed. De media konden wat haar betreft deze verhalen krijgen, want het onderscheid tussen privé en openbaar was in deze tijd van massacultuur en reality-tv toch al verdwenen.

Om haar stijl een naam te geven lanceerde Palmen de term 'autobiofictie', suggererend dat er een nieuw literair genre ontstaat wanneer autobiografie en verbeeldingskracht samengaan. Ieder beeld is immers, hoe realistisch ook beschreven, niet meer dan een beeld en de Connie Palmen die het publiek krijgt voorgeschoteld is, hoe eerlijk en openhartig ze ook mag zijn, altijd een personage.

Door toe te geven dat zij deel is geworden van haar publiek, tracht Connie Palmen het publiek op afstand te houden. Het is een paradoxaal spel, maar alleen deze paradox biedt de nodige bescherming als het onderscheid tussen Palmen en haar literaire alter ego daadwerkelijk dreigt weg te vallen. Sommige aanvallen zijn nu eenmaal te persoonlijk, ook voor een schrijfster die de grens tussen privé en openbaar onbelangrijk acht ('ragebolletje Connie' in Trouw, 'een groupie zonder één oorspronkelijke gedachte' in De Groene). Op die momenten is elke bekentenis een illusie en wijst Palmen op haar masker: 'alle dingen waar ik mezelf behoorlijk om kan verachten, zie ik mezelf drievoudig doen voor een groter publiek... ik ben de Bette Midler van de Nederlandse literatuur'.

Zij vindt 'het normale angstaanjagender dan het abnormale' en omschrijft zichzelf als een 'monomane rabiaat' met een 'te absolutistisch, te weinig soepel karakter'. Alcohol is haar 'liefste vijand' en in De vriendschap is zij het 'kamikazevrouwtje'. Adriaan van Dis noemde haar aan de vooravond van een gezamenlijke tour langs Belgische theaters in 1996 'Stiertje Palmen'. Freek de Jonge zag haar als 'een non in Las Vegas'.

De schrijfster Kristien Hemmerechts, met wie Palmen bevriend is, zegt: 'Het is onzin te beweren dat de boeken van Connie Palmen, omdat zij toevallig een mediahype is, niets met literatuur te maken hebben. Natuurlijk is zij een mediahype, maar tegelijkertijd schrijft zij boeken waarmee zij mensen weet te raken en te ontroeren. Het is niets anders dan afgunst. Connie doet niet mee aan de codes die het groepsgedrag voorschrijft en wordt om die reden afgeschilderd als ijdel en egocentrisch. In werkelijkheid is ze geestig, gul en spiritueel. Connie is een kwajongen, meer nog dan een gepassioneerde vrouw.'

mailIcon print |