Het Nederlandse poldermodel oogst in het buitenland niet louter bewondering. De volgehouden loonmatiging bezorgt ons land een concurrentievoordeel dat in Frankrijk en Duitsland gemengde gevoelens oproept....
TWEEENHALVE week geleden gaven Wim Kok en z'n gast, de Franse premier Jospin, een korte persbriefing in het Catshuis. Binnen enkele minuten vroeg een Nederlandse journaliste aan Jospin of hij met Kok over het poldermodel had gesproken. En wat hij dacht daarvan over te nemen. Jospin mompelde beleefd iets over bewondering, maar dat de Franse schaal het imiteren van Nederland in de weg zit.
Het was een karakteristiek toneeltje. Wij zijn trots op ons poldermodel en dat willen we weten. Na de ontwikkelingshulp en de liberalisering van de zeden, is Nederland gidsland geworden bij de sociaal-economische inrichting van de samenleving. Kok mag het uitleggen, in Pörtschach aan de EU-collega's of zelfs bij Bill Clinton. En eigenlijk begrijpen we niet waarom ons poldermodel niet door heel veel andere landen wordt overgenomen: sociale vrede, deeltijdarbeid, bescheiden salarissen, zo moeilijk kan dat toch niet zijn?
Nederland, weten we sinds vezuilingspoliticoloog Arend Lijphart, heeft z'n verdeeldheid gepacificeerd door coalitiegewijs problemen van hun politieke lading te ontdoen. Met als gevolg dat het voor Nederlanders kennelijk moeilijk is te zien dat zoiets als het poldermodel het resultaat is van specifiek Nederlandse omstandigheden.
Op die Nederlandse omstandigheden doelde Jospin toen hij iets over 'schaal' prevelde. De vigerende opvatting in Frankrijk luidt dat salarismatiging wellicht mooi is voor de export, maar in een groot land desastreus voor de binnenlandse vraag. Om die reden al geen poldermodel voor de Fransen.
Ook de Nederlandse sociale vrede is niet ieder buurland gegeven. De Fransen niet, de Duitsers evenmin. Sterker, ik heb de stellige indruk dat de Fransen helemaal niet op sociale vrede à la Hollandaise zitten te wachten. Niet alleen vanwege de 'passion' die spreekt uit het conflict. Ook omdat maatschappelijke problemen pas in het debat helder worden.
Een aspect van het poldermodel waarover politiek Nederland wijselijk z'n mond houdt - maar dat in het buitenland wel wordt genoteerd - springt uit het deze week verschenen Portrait social de l'Europe van Eurostat, het CBS van de Europese Unie. Daarin is terug te vinden hoe de koopkracht van het minimumloon in Frankrijk (SMIC) tussen 1980 en 1997 met 28,8 procent is toegenomen. Terwijl in dezelfde periode in Nederland de koopkracht van een minimumloner met 21,3 procent is afgenomen. Dank zij het poldermodel.
Tot voor kort kon Nederland over het spectaculaire concurrentievoordeel dat hieruit blijkt, betrekkelijk laconiek doen. Het poldermodel was immers iets voor het binnenland, daar had verder niemand last van. En de Europese stemming was er niet naar om erover op te spelen. Na de moeizame onderhandelingen van 'Maastricht' luidde het modewoord subsidiariteit - de EU-leden mogen zelf hun bestuurlijke boontjes doppen, tenzij het samen móet.
Sinds een paar maanden zijn de bordjes verhangen. Er is een lichte euro-euforie en er lopen nieuwe machthebbers rond die aanmerkelijk politieker gebakken zijn dan hun voorgangers. Het modewoord is niet meer subsidiariteit, maar harmonisatie - en niet die van de Europese stekkers of de lengte van de bananen. Financiële liberalisering - de euro - brengt met zich mee dat geld stroomt naar de hoek waar de opbrengst het hoogst is - of de belasting het laagst. Vandaar dat de Franse en Duitse ministers van Financiën, Strauss-Kahn en Lafontaine, hebben aangekondigd dat zowel begrotings- als belastingharmonisatie onvermijdelijk is. En Kok heeft zich daarbij van harte aangesloten.
Maar daar heeft met name Oskar Lafontaine het niet bij gelaten. Hij heeft de politiek van het poldermodel geagendeerd. Eerst liet hij bij monde van z'n militante staatssecretaris Flassbeck weten dat loonbeperking schadelijk is voor de Duitse economie. Dezelfde Flassbeck had eerder de Nederlandse vakbeweging van 'onderkruiperij' beticht vanwege het streven naar loonmatiging in ruil voor arbeidsplaatsen.
Afgelopen zondag gaf Lafontaine een interview aan Le Monde , waarin hij opmerkte dat de salarissen in Europa gelijke tred zullen moeten houden. 'Het zou ongewenst zijn wanneer een regio of een staat probeert een competitievoordeel te halen door een geforceerde verlaging van de salarissen.' Het kan zijn dat deze boodschap aan Portugal is gericht. Maar Nederland ligt voor Duitsland dichterbij, en de concurrentie is er voelbaarder.
De laatste maand heeft bewezen dat Oskars soep niet zo heet wordt gegeten. Maar de politieke boodschap is onmiskenbaar: na het gelijktrekken van de begrotingstekorten, van de rentevoet en binnenkort de belasting, is het nu de beurt aan de salarissen. Lafontaine adviseerde de Europese vakbeweging op dat vlak meer te gaan samenwerken. Daarmee gaan de Duitse metaalbonden in december beginnen, vooral uit angst om met de Duitse lonen in een spiraal omlaag te belanden.
Voor Nederland kan het verkeren. Alle salarissen omhoog in Duitse richting, zoals Lafontaine het wil. Of allemaal omlaag, zoals zou gebeuren wanneer de markt het voor het zeggen heeft. In beide gevallen gaat de politiek van het poldermodel zware tijden tegemoet. Dijkbewaking instellen, dus.
Martin Sommer is correspondent van de Volkskrant in Parijs.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.