*

 
dossier

Archief

'Het moet altijd ergens over gaan'

GEKE VAN DER WAL − 27/09/97, 00:00

Na, bij Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer, drie decennia een stempel te hebben gedrukt op de Nederlandse journalistiek, moet de wind door zijn bestaan, vindt Martin van Amerongen....

MARTIN VAN AMERONGEN vertrekt volgende week als hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer. En dat zal ie weten, met meer feesten dan hem lief is (hij is geen feestganger), met een biografisch gedenkschrift ('Topzwaar, wat ik heb meegemaakt is hooguit toereikend voor vijftien pagina's') en een boek waarin zijn beste stukken van de laatste jaren zijn gebundeld. Dat nu stemt hem wel tevreden: artikelen die beklijven, daar gaat het om.

Zijn besluit om te vertrekken, heeft indirect te maken met de dood van zijn vrouw. De wind moest door het bestaan, de hersenen moesten gelucht, het spinrag verwijderd. 'Je haalt in geschrifte het hele wereldgebeuren overhoop, je hebt de wijsheid in pacht, je bent geacht en je wordt gelezen, maar het moment dat het echt over essentiële dingen gaat, merk je dat je nog nooit wat hebt meegemaakt. Het was een jaar waarin ik dacht: mijn kinderen zijn volwassen, en dat geldt nu dan ook eindelijk voor hun vader.

'Ik kreeg langzamerhand het gevoel dat ik m'n leven op andere wijze moest inrichten. Ik had twaalf jaar bij De Groene gezeten, twaalf begrotingen, twaalf kerstnummers, en zes hele en halve reddingscampagnes. Ik bedacht: ik ben 55, normaal gesproken is een journalist ongeveer de levensduur tot 65 gegeven, behalve die paar die mazzel hebben, maar daar hoor ik met mijn levenswandel niet bij. In die tien jaar die mij nog zijn vergund, wil ik andere dingen gaan doen.'

Anderen moeten maar zeggen welke goede werken hij voor De Groene heeft verricht. Dan wil hij wel zeggen wat hij fout heeft gedaan. Een ding. 'Het gedoe met de firma Datex van Willem Smit, die ons twee ton gaf. In de eerste plaats hoor je niet twee ton aan te nemen van ''barretje Hilton'', en bovendien weet ik inmiddels dat we zijn genaaid, genaaid door het grootkapitaal, dat op zijn beurt werd ingefluisterd door de beursredacteuren van kranten als De Telegraaf, Elsevier, Nieuwe Revu en NRC Handelsblad. Voor een schertsbedrag wilde Smit zijn reputatie over onze ruggen heen opvijzelen. Ik had de volgende dag op een persconferentie moeten zeggen: dames en heren, in een moment van onberadenheid hebben we dat geld aangenomen, maar met alle respect voor de goede gevers, vandaag hebben we het teruggestort. Dat was een beoordelingsfout, het ging allemaal zo snel, sneller dan God kon rekenen.'

Hij was magazijnbediende bij een fabrikant van damespantalons, bediende op de postkamer van een bedrijf dat moeren en bouten en ijzeren pijpen produceerde, assistent bij een deurwaarderskantoor en medewerker op het bureau van de Stichting Jeugd en Muziek. Opleiding had hij nauwelijks - een paar jaar handelsschool, avond-mulo; een kwestie van milieu, van geld en ongeduld zijnerzijds, vermoedt hij.

Een autodidact, die geheel op eigen kracht ontdekte hoe leuk het was je in drukwerk te verdiepen, naar muziek te luisteren, naar de opera of naar toneel te gaan. Hij herinnert zich een zaterdagse klaverjasavond van zijn ouders, hij zat onder de tafel, een microfoontje in het oor, luisterend naar de draadomroep. 'Ik was zestien jaar, voor het eerst in mijn leven hoorde ik Die Zauberflöte. Ik sprak geen woord Duits, wist niet waar het over ging, maar het was één grote ontdekking.'

Op zeker moment raakte hij verzeild in de liberaal-joodse jongerenbeweging van Jacob Soetendorp, de vader van Avraham. 'Toen er een blaadje moest komen, heb ik die ene aflevering die verscheen, volgeschreven onder vijf pseudoniemen. De oude Soetendorp las het, kwam zijn kantoor uit, en zei: ''Waarom word je geen journalist?'' Die gedachte was nog nooit in mijn hoofd opgekomen.'

Soetendorp introduceerde hem bij Het Vrije Volk, waar ze een post vacant hadden waar niemand naar toe wilde, 'het massagraf van handelsreizigers', de gemeente Leeuwarden. 'Ik wist na drie dagen, nadat ik mijn eerste drie kulberichten had gemaakt, dat dit het beroep was dat ik wilde uitoefenen. Ik heb vervolgens bij die kleine, onaanzienlijke, door niet meer dan tienduizend Friese partijgenoten gelezen editie van Het Vrije Volk de drie gelukkigste jaren van mijn leven doorgebracht.'

Hij schreef al vrij snel brutaal-kritische stukjes. Waar haalde hij dat zelfvertrouwen vandaan? 'Dat weet ik niet precies. Ik was geen krantenlezer, ik wist nauwelijks wat Het Vrije Volk was, ik wist niet wat sociaal-democratie was en ik had geen verstand van politiek. Ik ging er blanco in, maar leerde snel. En ja, ik durfde wel, ach, wat haal je je allemaal niet in je eigenwijze kop. Het was een atoombom van creativiteit, elke avond feest, en de volgende dag de dingen lezen die je de vorige avond had geschreven. Ik vond alles interessant, de gemeenteraad in Akkrum, koe te water, en de Beerenburg drinkende veehandelaren in de Frieslandhal.'

Hij leerde er Laurens ten Cate en Fedde Schurer kennen. 'Dat zijn mensen door wie ik echt beïnvloed ben. Hun krant, de Friese Koerier, was een veel interessantere krant dan Het Vrije Volk. Laurens ten Cate was een grote, zwaarbehaarde sater die klavecimbel speelde. Een beschaafde en spirituele man. Betrokken bij Nieuw Links, maar toen hij merkte dat het een stelletje carrièristen was, heeft hij ze met een grote slag van de deur de rug toegekeerd. Dat was een houding die mij beviel. Beiden waren links-liberale sociaal-democraten, geletterde mensen die prachtig Fries schreven en prachtig Fries spraken.'

In 1965 werd hij redacteur bij Vrij Nederland, dat toen het paradijs van de journalistiek aan het worden was. 'We mochten schrijven wat we wilden en dat kon bij geen enkele andere krant. We roeiden overal doorheen, we trokken ons nergens wat van aan, we merkten ook helemaal niet wat er met de oplage gebeurde, dat het krantje van 30 duizend op een gegeven moment 80 duizend, 90 duizend abonnees had, en op het hoogtepunt zelfs 110 duizend.

'We waren bezig met het kritisch controleren van de macht, zoals dat opgeblazen heet, de macht die toen nog onaantastbaar was, je zei excellentie tegen de minister en je moest uitgebreid op je buik kronkelen voordat je door de wethouder werd ontvangen. Wij schreven gewoon op wat niet deugde aan het beleid. We gingen naar congressen en schreven daar buitengewoon oneerbiedige verhalen over. Ongedwongen en los van formulering. De een wilde nog geestiger zijn dan de ander, het was een grote leerschool, zonder dat iemand ons op de vingers keek.'

- Tot hoelang bleef het feest bij Vrij Nederland?

'Ik heb er negentien jaar gewerkt. Ik denk dat het driekwart van de tijd erg leuk is geweest. De laatste vier jaar was het veel minder, de krant was te groot, te welvarend en te zelfgenoegzaam, je kreeg stromingen. Ik kan het niet goed meer reconstrueren, er waren personele conflicten over de eindredactie en wie adjunct moest worden. Allemaal kinderachtigheden, die de sfeer ernstig hebben verziekt, en ik ben al niet iemand die van ruziemaken houdt. Maar ik heb moeite om het terug te halen.'

Met zelfspot: 'Het moet me dus wel ontzettend dwars hebben gezeten. Want de dingen die onaangenaam zijn, verdring je, in de beste freudiaanse traditie. Daar ben ik een meester in. Ja, dat is een verworvenheid.'

Hij schreef in de loop der jaren het ene boek na het andere, boeken over de meest uiteenlopende onderwerpen en over al even uiteenlopende figuren als Pistolen Paultje, Heinrich Heine, Richard Wagner, Tonio Hildebrand, Jeanne d'Arc en Pierre Vinken. Wat is de verbinding tussen deze figuren? Die is er niet, meent hij.

'Je kunt hoogstens zeggen dat ik me meer interesseer voor mensen die geprofileerd in het leven staan dan voor saaikloten. Dat Pistolen Paul geen lid is van de PSP, is bekend, en dat Pierre Vinken politiek gezien op de rechtervleugel van de VVD opereert, is ook bekend, maar dat kan me absoluut niets schelen. Ik vind dat ik, gezien de springerigheid van mijn belangstelling en de redelijke openheid van mijn karakter, in het Nederlandse politieke en sociale klimaat hors concours opereer. Ik kan de ene dag samen met Pierre Vinken pal staan voor het Republikeins Genootschap en de volgende dag loop ik achter de rolstoel van Tonio Hildebrand naar de 84ste verjaardag van prins Bernhard. Dan staat er de volgende dag een laatdunkend stukje op de voorpagina van het Algemeen Dagblad: ''Medeoprichter Republikeins Genootschap op bezoek bij prins''. Dan denk ik: krijg de pest maar.'

Hij had een Duitse moeder. Verklaart dat zijn belangstelling voor de Duitse cultuur? Spottend: 'Alsof we uren aan de keukentafel over de Duitse cultuur zaten te discussiëren? Ach, welnee. Je weet dat je een Duits-christelijke moeder en een joodse vader hebt, dat zal wel invloed hebben. Je gaat je realiseren wat je bent en uit welke cultuurbronnen je kunt putten. Ik heb jarenlang de hooghartige theorie gekoesterd dat ik kind van twee werelden was. Je probeert de beide elementen te cultiveren. Later merk je dat je toch meer naar het ene trekt, ik heb meer belangstelling voor de joodse component dan voor de christelijke. Het zij zo. Er zijn christenen genoeg, die hebben mij niet nodig.'

De joodse cultuur werd thuis al evenmin gekoesterd. 'Daar was mijn vader erg afhoudend over. Op een gegeven moment begon ie wel geintjes te maken over joodse dingen, maar over wezenlijke dingen heb ik hem nooit horen praten. Hij had het meer over de kwaliteit van de VARA-gids en dat ie geen knoflook in zijn gehaktballen wilde, dat was het intellectuele niveau waarop onze conversatie zich voltrok.

'Hij heeft tot vlak voor zijn dood nooit over de oorlog willen praten. We zaten allemaal bij mijn Duitse grootouders ondergedoken. Mijn moeder was in de jaren dertig uit afkeer van de nazi's naar Nederland gekomen, daarna volgden haar ouders. Die betrokken een boerderij in Huizen. En daar gingen wij in 1941 naar toe.'

- In sommige recensies van je boeken wordt gezegd dat ze leuk zijn, veel anekdotes bevatten, smakelijk en smeuïg zijn, maar theoretisch gewicht missen. Zit dat soort kritiek je dwars?

'Du moment dat je in Nederland een heldere en lucide zin formuleert, krijg je dat op je brood. Dat wordt meteen aangezien voor fundamentele oppervlakkigheid. Onzin natuurlijk. Ik heb meer boeken geschreven dan alle recensenten bij elkaar. En vrijwel allemaal over serieuze onderwerpen. Het feit dat ik enigszins uit mijn woorden probeer te komen, kan toch niet tegen mij worden gebruikt? Het lijkt nu net of ik mij zit te verdedigen en dat ik mij zit te ergeren, dat is niet zo.

'Ik wil iemand zijn die heldere en goedgeschreven en als het even kan inhoudelijk interessante boeken maakt. Dat is de sleutel van mijn bestaan. Ik vind mezelf zelfs een beetje een witte raaf in het Nederlandse medialandschap. Want er worden veel boeken gemaakt, maar weinig waarin serieusheid gepaard gaat met het optimale streven om het verstandig en leesbaar onder woorden te brengen. Ik ga mijn boeken toch geen semi-academisch ondertoontje geven, dat is aanstellerij.'

Oeuvre, het woord valt, 'jij zegt het.' Niettemin, het is in zijn ogen belangrijk. Serieuze journalisten op serieuze posten zouden niet alleen van dag tot dag moeten leven, maar een soort samenhangend oeuvre moeten opbouwen. Waarom eigenlijk?

'Ik heb hier een boekje van Sem Davids: Alleen voor gelovigen, een bundel stukken uit De Groene uit de jaren vijftig, die ik heb gelezen en herlezen. Hofland schreef eind jaren zestig Opmerkingen over de chaos, stukken die hij voor allerlei bladen had geschreven. Ook die heb ik gelezen en herlezen. Dat plant zich in je denken voort. Een paar maanden geleden liep ik over de Weteringschans, ik werd aangesproken door een jongen die me vertelde dat hij mijn boek over Heine zo goed vond en dat hij daarna Heine zelf was gaan lezen. Dat vind ik leuk.

- Heb je ooit het gevoel gehad dat je daadwerkelijk invloed had?

'Ja, een keer. Ik heb het denken in dit land over Richard Wagner enigszins veranderd. Ik heb het vredesverdrag tussen hem en de kritische intelligentsia voorbereid. Maar dat was dus op het onschuldige terrein van de cultuur. Bij de politiek ligt dat anders. Ik heb nooit een stuk geschreven waardoor de regering is afgetreden. Daar zijn journalisten ook niet voor. Stel dat ik zulke vreselijke dingen over de staatssecretaris van Volkshuisvesting zou schrijven dat hij zich aan de hoogste boom op het Binnenhof ophangt, dat zou ik niet graag willen zien. Die man moet door zijn collega-politici worden afgeschoten. Ik wil de ammunitie wel aandragen en bijdragen aan kritische oordeelsvorming, maar ik wil niet meeregeren.'

- Dat deden jullie anders wel in de jaren zestig, jullie namen een complete afdeling van de PvdA over.

'Dat was folklore! Nu je erover begint: ik heb een keer de landspolitiek echt beïnvloed, dat was met mijn Paradiso-lezing, Brezjnev aan de Amstel. In die periode was de PvdA zo godsverlaten zelfgenoegzaam dat hardhandig optreden geboden was.'

Monkelend: 'Ik vond het wel leuk, hoor. Er zaten hooguit vijftig man in de zaal, maar de hoofdstedelijke PvdA tuimelde van 24 naar 12 zetels. En dat heeft zich landelijk voortgeplant. Ja, dat was mijn schuld!

'Voor de rest is het journalistiek onderwijzerswerk, domineesarbeid en beschavingsarbeid. Journalistiek als divertissement is onbelangrijk. Het moet altijd ergens over gaan. Ik geloof in de emancipatorische traditie van de journalistiek. Als ik morgen een onbekende symfonie van Mozart ontdek, die er trouwens niet is, dan wil ik daar graag met m'n eigen geestdrift van getuigen en daar een stuk over maken zodat iedereen, alle zestien miljoen inwoners van Nederland, volgende week die symfonie van de rekken in de platenwinkel zullen rukken.

'Dat zal wel te maken hebben met het feit dat ik zelf scholing en beschaving heb moeten bevechten. Ik weet hoe dat je leven kan verrijken. Iemand die het werk van Shakespeare kent, is een verstandiger mens dan iemand die alleen maar de verzamelde werken van Vader Abraham kent. Je begrijpt meer van de menselijke drijfveren. Je ziet hoe op artistieke wijze de belangrijke dingen des levens aanschouwelijk worden gemaakt. Sommigen zullen roepen dat dit een elitair standpunt is, maar iemand die emotioneel drijft op het werk van Vader Abraham, die kan zich beter opknopen. Dat is echt waar.'

Na de dood van zijn vrouw, drie jaar geleden, kreeg hij, zoals hij zegt, een ongelooflijke behoefte het bestaan te zuiveren. 'Als een maniak ben ik alle kasten langsgegaan, ik heb alle potten en pannen aan de weg gezet, alsof je bepaalde relikwieën uit het verleden wil verwijderen. Dat is niet onaardig bedoeld jegens de overledene. Je zit met een behoefte een stormwind door je huis of door je bestaan te laten waaien. Ik beschikte over 48 vazen, ja, wat moet ik met 48 vazen? Daarvan gingen er 45 naar de vuilnisbak.'

'Het was de eerste keer in mijn leven dat ik echt iets serieus meemaakte. Dat hele ziekte- en stervensproces heeft veel indruk op me gemaakt, ik denk daar veel aan. Nog steeds. Ik lig niet te hyperventileren in mijn bed, maar af en toe daalt er 's ochtends vroeg een grote, zwarte adelaar op mijn borstkas. Hij blijft niet lang zitten, hij is zo beleefd na een paar minuten weer klapwiekend te verdwijnen, maar hij is er wel. Dat beest is bij mij thuis een onwelkome gast.

'Ieder mens maakt die dingen mee. Alleen, ik had het nog nooit meegemaakt, en bij mij kwam het in geconcentreerde vorm. Ik ging de afgelopen jaren naar de dodenakker met de routine waarmee je naar de kapper gaat, inclusief de toespraken die ik als hoofd van de familie moest houden. Twee weken na Anneke stierf haar moeder, daarna mijn vader, onder niet bepaald gezellige omstandigheden, die zat eenzaam en verbitterd, door de hele familie uitgespuugd, in het joodse bejaardentehuis te Buitenveldert. Mijn moeder stierf vorig jaar, we waren op de terugreis naar Amsterdam uit Wenen, waar ik een week met haar had doorgebracht. Ze kreeg een hartstilstand in het vliegtuig. Toen dacht ik: nu heb ik even mijn portie gehad.'

De verhouding met zijn twee zonen is na de dood van Anneke geïntensiveerd. 'Ze hebben beiden heel wat doorgemaakt, en ze hebben zich buitengewoon heldhaftig gedragen. Ik heb überhaupt de hele misjpoge, mijn broertje en mijn zusje, mijn schoonzusje en verdere aanhang, weer teruggevonden. Ook zij hebben zich als helden gedragen. Ik ga nu meer met ze om, een gereactiveerd familiegevoel, dat is de absolute meerwaarde van al die ellende.'

Hij vindt dat hij tegenwoordig enigszins naar eenzelvigheid neigt en hij wordt af en toe bevangen door een lichte vorm van neerslachtigheid. 'Het duurt maar een kwartier, maar het is een nieuw verschijnsel. Misschien is het ook wel normaal voor de wat ouder wordende mens. Je weet dat het beste deel van je leven voorbij is.'

Zullen we het nog even hebben over het interview met Willem-Alexander? Je bent tenslotte lid van het Republikeins Genootschap. Hij veert op. 'Ik zat haast te wenen boven mijn glas wijn! Wat een tragedie' Vervolgens declameert hij zonder haperen de volgende alinea: 'Als je ziet hoe iemand gedwongen is zich psychisch zo te deformeren en een uur lang een buitengewoon slecht, onregisseerbaar toneelstukje moet opvoeren, waar geen normaal menselijk woord in staat, waarin je moet vluchten in de waterhuishoudkunde om nog iets van intellectuele potentie te kunnen suggereren, waarin het enige moment van leven is de negen seconden dat de geïnterviewde stilvalt omdat ie moet kiezen tussen de regeerstijl van zijn moeder en die van zijn grootmoeder, toen wist ik dus andermaal: misschien dat het Republikeins Genootschap het niet helemaal handig aanpakt, maar ze hebben wel het grootste gelijk van de wereld'

Tevreden: 'Zo, daar valt geen speld tussen te krijgen.'

mailIcon print |