*

 
dossier

Archief

'Dat is mijn heldendom: nauwkeurige getuigenis' INDRUKWEKKENDE DAGBOEKEN VAN VICTOR KLEMPERER VERTAALD

JAN LUIJTEN − 21/03/97, 00:00

'IK WIL GETUIGENIS afleggen tot het bittere eind.' Victor Klemperer - een Duitse jood, hoogleraar Romaanse talen aan de Technische Hogeschool in Dresden, in 1935 ontslagen - schreef dit op 11 juni 1942 in zijn dagboek....

Ich will Zeugnis ablegen bis zum letzten: zo luidt de Duitse titel van de tussen 1933 en 1945 geschreven dagboeken van de in 1960 in Dresden overleden Klemperer. Deze dagboeken, die pas enkele jaren geleden werden ontdekt, verschenen in Duitsland in het najaar van 1995. Zij vormden het belangrijkste Duitse boek van die herfst, want het was voor het eerst dat zo uitvoerig, zo precies en zo indringend de nazi-terreur in Duitsland zelf werd beschreven.

Het is een goede zaak dat van deze dagboeken nu een Nederlandse vertaling is verschenen. Tot het bittere einde geeft geen ander beeld van nazi-Duitsland, maar het vult dit beeld wel aan. Goldhagen heeft in Hitlers gewillige beulen terecht geschreven dat veel gewone Duitsers gruwelijke misdaden hebben gepleegd en dat er al vóór Hitler antisemitisme in Duitsland was. Maar ook is waar dat de eerste slachtoffers van de nazi-barbarij Duitsers waren; joden, communisten, socialisten, linkse schrijvers.

Van de vijfhonderdduizend joden die in 1933 in Duitsland woonden, emigreerde ongeveer de helft naar het buitenland. Van de joden die bleven, hebben maar heel weinigen de holocaust overleefd.

Tot die overlevenden behoorde Viktor Klemperer. Begin 1942 werd meegedeeld dat joden in gemengde huwelijken niet zouden worden gedeporteerd. Klemperer, neef van de bekende dirigent Otto Klemperer, had toen al veel verloren: zijn baan, zijn huis en niet te vergeten zijn typemachine, waarmee hij na zijn ontslag schreef aan zijn Geschichte der französischen Literatur im 18. Jahrhundert en later aan zijn autobiografie.

De mededeling nam de angst en onzekerheid niet weg, want de willekeur en terreur van de Gestapo waren groot. Bovendien kregen joden steeds minder te eten. Victor Klemperer leed honger.

W. Hansen, die de dagboeken vertaalde, wijst er in zijn nawoord op dat vooral ook Eva Schlemmer, een pianiste met wie Klemperer in 1906 trouwde, in grote mate aan zijn redding heeft bijgedragen. Zij deelde zijn lijden, hielp hem en bleef hem trouw.

En wat hem, naar eigen zeggen, op de been hield, was schrijven, vooral ook aan het dagboek. 'Dit manuscript is mijn plicht en mijn laatste levensvervulling.' Die dagboeken waren levensgevaarlijk, voor hemzelf en voor anderen. De Gestapo mocht ze niet vinden en daarom moest Eva geregeld manuscripten wegbrengen naar Pirna, een stadje bij Dresden, waar een goede vriendin, een arts, ze verborg. Klemperer was zich van dit gevaar zeer bewust. Hij schreef op 27 september 1944: 'Ik zeg telkens weer bij mezelf: als ze ontdekt worden, kosten ze niet alleen mij het leven, maar ook Eva en diverse anderen die ik bij name heb genoemd, moest noemen als ik ze documentaire waarde wilde geven. Ben ik ertoe gerechtigd, misschien zelfs verplicht, of is het een misdadige vorm van ijdelheid?'

Tot het bittere einde is een aangrijpend boek. Het vertelt niet alleen de lijdensweg van Victor en Eva Klemperer, maar ook van de joodse gemeenschap in Dresden. De lezer maakt uitvoerig kennis met die gemeenschap en neemt al lezende deel aan haar gruwelijke lot.

Haast dagelijks schreef Klemperer op wat er gebeurde, wat hij zag en meemaakte, met wie hij sprak en wat hij dacht. De dagboeken maken zichtbaar hoe de systematische uitroeiing van de joden door de nazi's een proces was dat zich stapsgewijze heeft voltrokken, beginnend met een boycot van joodse winkels en warenhuizen, het ontslag van joodse ambtenaren en hoogleraren, en vervolgens alsmaar meer verboden, vernederingen en terreur.

De joden werden systematisch uit de samenleving verdreven. Alles werd hun ontnomen: hun rechten, hun eigendom, hun contacten met de buitenwereld, en ten slotte werden de meesten gedeporteerd naar concentratiekampen en vermoord, als ze al niet tevoren zelfmoord hadden gepleegd.

Klemperer had al in 1933 weinig hoop meer. 'Het is waarlijk geen frase: ik kan het gevoel van weerzin en schaamte niet meer kwijtraken. En niemand verroert zich; alles en iedereen siddert, en kruipt weg.' Op 21 maart van dat jaar noteerde hij: 'Vermoeidheid en matheid. Levensmoeheid en doodsangst.' En enkele weken later: 'Ook voor ons persoonlijk dringt alles op in de richting van de catastrofe.'

Niettemin besloot hij in Duitsland te blijven. Vooral op aandringen van Eva liet hij een huis bouwen in Dölzschen, een dorp bij Dresden, ofschoon er voortdurend geldgebrek was. Hij nam rijles en kocht een auto, maar moest zijn rijbewijs eind 1938 inleveren. Joden mochten niet meer autorijden. Eind 1938 wilde hij toch emigreren - 'Er valt niets meer te kiezen: we moeten weg' - maar toen was het te laat.

Hij logenstraft al die Duitsers die na 1945 zeiden niets te hebben geweten van Auschwitz en de moord op de joden. Op 16 maart 1942 schreef hij: 'Dezer dagen hoorde ik als vreselijkste concentratiekamp Auschwitz (of zoiets) bij Königshütte in Opper-Silezië noemen.' Kort tevoren noteerde hij: 'Het staat er nu zo voor dat concentratiekamp kennelijk identiek is aan doodvonnis.'

Een bijzonder aspect van de dagboeken is zijn worsteling met zijn identiteit. Klemperer, de zoon van een rabbijn, was een volledig geassimileerde jood en een groot tegenstander van het zionisme. Hij was een Duitse patriot, die als vrijwilliger deelnam aan de Eerste Wereldoorlog. Het Duitsland van de dichters en de denkers was zijn vaderland. Dat was voor hem het echte Duitsland. Hij schreef daarom ook: 'De nazi's zijn onDuits.' Later noteerde hij uit de mond van een joodse vrouw: 'Wij zullen Goethe redden'

Na 1933 werd zijn leven steeds meer door zijn joodse afkomst bepaald. Hij schreef op 16 april 1941: 'Vroeger zou ik gezegd hebben: Ik oordeel niet als jood, ook niet over anderen. . . Nu: Jawel, ik oordeel als jood, omdat de joodse zaak in het Hitlerdom mij als jood extra treft en omdat die in de hele structuur, in het hele wezen van het nationaal-socialisme centraal staat en niet karakteristiek is voor al het andere.'

Klemperer erkende dat hij het antisemitisme in het Duitsland vóór Hitler had onderschat. 'Ik ben geschokt door Elbogens Geschichte der Juden in Deutschland, dat ik nu helemaal heb doorgeploegd en waarover ik aantekeningen wil maken: hoe dun is het laagje ijs waarop mijn Duitsheid staat? Pas in 1848 gelijkberechtiging van de joden, die in de jaren vijftig opnieuw werd beknot. Daarna in de jaren zeventig opnieuw sterk antisemitisme en eigenlijk de hele Hitler-theorie al ontwikkeld. Ik heb van dat alles weinig geweten - werkelijk, indringend geweten: helemaal niets, misschien er niet van willen weten.'

Was assimilatie een catastrofale vergissing? Klemperer: 'De ommekeer van de generatie van geassimileerde joden - maar ommekeer waarheen? We kunnen niet terug, we kunnen niet naar Sion. Misschien is het helemaal niet aan ons om ergens heen te gaan, misschien moeten we wachten: ík ben Duits en wacht tot de Duitsers terugkomen; die zijn ergens ondergedoken.' Hij schreef dat op 30 mei 1942. Zijn, overigens korte, aantekening van de volgende dag ontbreekt in de overigens goed verzorgde, tweedelige Nederlandse uitgave. Ook de eerste alinea van de aantekeningen van 2 juni ontbreekt.

In totaal is de Nederlandse uitgave met ongeveer 20 procent ingekort. Dat is jammer, want de kracht van Klemperer is dat hij alles opschrijft, ook zijn eigen vaak tegenstrijdige gevoelens. Zelfs als hij geen tijd heeft, ziek is en honger lijdt, schrijft hij, want zijn getuigenis moet en zal zo volledig mogelijk zijn. Die volledigheid, die ook al in de Duitse uitgave niet totaal was, is nu opgegeven.

En Klemperer wilde nauwkeurig zijn. 'Dat is mijn heldendom. Ik wil getuigenis afleggen, nauwkeurige getuigenis'

Jan Luijten

Victor Klemperer: Tot het bittere einde - Dagboeken 1933-1945.

Vertaald uit het Duits door W. Hansen

Atlas; twee delen, 1089 pagina's; ¿ 149,50.

ISBN 90 254 2281 0.

mailIcon print |