De zaak-Vernooy heeft de discussie over loting als middel om schaarse studieplaatsen te verdelen weer nieuw leven ingeblazen. Aan die discussie zal ook geen einde komen....
ONDER het kopje 'Nogmaals de loting', becommentarieerde de Volkskrant van 18 juli de weer opgelaaide discussie over de studieloting, naar aanleiding van het geval-Vernooy. 'Nogmaals' is zwak uitgedrukt. De discussie over de manier waarop studenten bij numerus-fixusstudies moeten worden toegelaten, loopt al zo'n dertig jaar.
Een reeks commissies zocht in die tijd naar een redelijke manier om bij studies met een beperkte capaciteit de toelating van studenten te regelen. Al die commissies keken met op zijn minst enige sympathie naar mogelijkheden om op prestatie (cijfers) te selecteren - al was het maar vanwege de politieke druk.
Toch kwam onveranderlijk het compromis 'gewogen loting' als relatief beste oplossing uit de bus, dat wil zeggen een loting met hogere toelatingskansen naarmate het eindexamencijfer hoger was. Een oplossing die niet helemaal zonder gebreken is: vooral het feit dat ook wel eens vwo'ers met hoge eindexamengemiddeldes worden uitgeloot, valt slecht. Lang niet iedereen was dus tevreden.
Om de ergste schoonheidsfouten - pijnlijke incidenten à la Vernooy - voortaan uit te sluiten, stelde de commissie-Drenth kort geleden voor om iedereen met een cijfergemiddelde van acht of hoger zonder meer toe te laten; ook zou bij de loting voor de overige studenten de hoogte van het eindexamengemiddelde meer invloed op de toelatingskans krijgen dan eerder al het geval was.
Vervolgens voegde de Onderwijsraad daar nog het idee aan toe om in een beperkt aantal gevallen - en met de nodige procedurele waarborgen - instellingen bij de toelating een inbreng te geven.
Nu iedereen tevreden? Nee. De druk om prestatie (nog) meer invloed te geven, blijft onveranderd groot. Voorstanders zien dit als rechtvaardig en bovendien als doelmatig.
Het is interessant om te zien wat, concreet, de effecten zijn als de invloed van cijfers op de toelatingskansen inderdaad vergroot wordt. Het volgend voorbeeld is voor 'geneeskunde' uitgewerkt, maar werkt voor andere fixusstudies niet wezenlijk anders uit.
Ten eerste: er zijn ongeveer 1800 plaatsen voor geneeskunde en er melden zich jaarlijks zo'n 6000 studenten aan. Ten tweede: van de groep die het vwo-diploma haalt (en ook bij de groep die zich aanmeldt) heeft 10 procent een cijfergemiddelde van 8 of hoger, een kwart zit op of boven de 7,5 en de helft heeft een 7 of meer.
Stel, Drenth's voorstel haalt het, en iedereen met een 8 of meer mag inderdaad zonder loting naar binnen. Van de 6000 aanmelders heeft een op de tien die 8, daarmee zijn 600 van de 1800 geneeskundeplaatsen bezet. Voor de kandidaten die het vwo met zevens of zessen afrondden, blijven 1200 plaatsen over. Niet onredelijk, zeker als ze ook een grotere toelatingskans krijgen naarmate hun eindcijfer hoger is.
Iedereen tevreden? Nee, want wie een 7,9 haalde of 7,8 of 7,7 - toch ook geen geringe prestatie - heeft geen absolute garantie op inloten, en ook voor deze kandidaten is uitloting erg sneu. Stel, je laat de grens daarom tot 7,5 zakken. Dan komen 1500 studenten (een kwart van de 6000) zonder loting binnen. Driehonderd plaatsen blijven over voor de 4500 anderen. Zelfs voor wie tegen de 7,5 aanzit wordt de toelatingskans nu miniem. Ook sneu.
De grens nog lager leggen? Het houdt in ieder geval op bij 7,3 of 7,4: eenderde van de 6000 aanmelders heeft een eindcijfer op of boven dat niveau en daarmee zijn de 1800 beschikbare plaatsen ruim bezet. Maar de toelating is nu in ieder geval consequent op prestatie gebaseerd.
Nu dan iedereen tevreden? Nee. Wie 7,3 had baalt, en stelt niet ten onrechte (zoals ook de Volkskrant doet): wat voor cijfer je achter de komma krijgt, is so wie so een loterij; en een 7 is toch ook een prestatie. Zelfs wie op het diploma 'slechts' een al dan niet ruime 6 kreeg baalt, en stelt - evenmin ten onrechte dat cijfers niet zaligmakend zijn, een goede arts heeft belangrijker kwaliteiten, en wat hebben hoge vwo-cijfers eigenlijk te maken met een goed studieverloop of met een goede beroepsuitoefening?
Voor de beroepsuitoefening maken schoolcijfers inderdaad niet uit. Het studierendement is ook voor de groep met zessen goed te noemen. Worden ze uitgesloten, dan gaat het rendement voor de studentgroep als totaal net iets omhoog, een paar procent. Dat resultaat valt trouwens ook op andere wijze te bereiken, bijvoorbeeld door voortaan enkel nog meisjes toe te laten, die - als groep - bij elke cijferhoogte betere resultaten halen.
Hoe dan ook, er is blijkbaar geen keus zonder voors en tegens. De gewogen loting is niet meer of minder dan een manier om deze enigszins in balans te brengen. Maar de kern van het probleem is natuurlijk dit: welke toelatingsmethode je bij fixusopleidingen ook kiest, loting of anders, er zullen altijd - veel - studenten buiten de boot vallen die graag de studie hadden gewild, deze studie goed zouden hebben volbracht en een goede arts, dierenarts of fysiotherapeut zouden zijn, 'zeven-komma-negens' zowel als 'zesjes'.
Het lijkt onvermijdelijk dat in de toekomst de loting 'nogmaals' en 'alweer' en 'nog een keer' op de politieke agenda zal komen.
M. van Dyck is werkzaam bij de Onderwijsraad.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.