Wat nieuw is in de literatuur, is niet per se wat gisteren werd geschreven, vandaag wordt gepubliceerd en morgen met schallende annonces het publiek wordt opgedrongen....
Het nieuwe in de literatuur is uiterst betrekkelijk, althans voor èchte lezers die zich uit ware hartstocht voor de letteren steeds meer in 'leesclubjes' verenigen - alsof ze zich, bedreigde diersoort die ze zijn, alleen nog in zo'n biotoop kunnen handhaven.
Het is soms aantrekkelijk van het nieuws in de boekenwereld kennis te nemen, maar heel vaak ook niet, omdat er altijd veel kaf tussen het koren zit en er thuis, of in sommige bibliotheken, nog zoveel ongelezen ligt te vergelen dat je je haast schuldig gaat voelen.
Het nieuwe in de literatuur is sedert de jaren zestig onder invloed van Amerikaanse marketingtechnieken, niet alleen in Nederland, maar ook in landen met lange literaire tradities als Engeland, Duitsland en (zelfs) Frankrijk, een aparte categorie geworden, een categorie waarin trends, commercialiteit en snelheid van aanzienlijk groter gewicht zijn dan literaire kwaliteit.
Je hoeft daar niet rouwig om te zijn. Zo gaan die dingen nu eenmaal. De moeilijkheid is slechts dat de categorie van het nieuwe almaar uitdijt. Van de bescheiden plaats die bestsellers in de uitgeverswereld altijd hebben ingenomen - een mogelijkheid tot interne subsidiëring van minder goed verkopende boeken - zijn ze opgeschoven naar een positie waar ze onafgebroken àlle aandacht opeisen, zowel van de uitgevers, als, met behulp van de media, van het publiek.
Niemand die de zaken een beetje volgt, zal ontkennen dat het er somber uitziet voor de literatuur, voor het boek-als-kunstwerk - wat iets anders is dan zomaar een boek. Maar ziet het er somberder uit - dat is de vraag - dan pakweg vijftig of honderd jaar geleden?
Wie zich wel eens in uitgeverscorrespondenties heeft verdiept - en daarin bijvoorbeeld de klachten van schrijvers over de povere verkoop van hun boeken heeft beluisterd - weet dat dit niet zo is. Alleen de schaal is veranderd, wat betekent dat óók wat goed is ruimer voorhanden moet zijn dan in het grijze verleden.
Wekelijks zie ik van dat laatste de voorbeelden. Nog steeds zijn er uitgevers die de literatuur een warm hart toedragen en, gesteund door hun schrijvers, hun vaak bevlogen redacteuren, hun vertalers en al of niet academisch geïnspireerde adviseurs - laten we de rol van de paar geleerden die leven vóór en niet vàn de literatuur niet vergeten - gaan ze dan ook manhaftig voorwaarts.
De mate waarin zij het aandurven 'oud' werk te herdrukken typeert die houding, meer nog misschien dan het feit dat ze er van tijd tot tijd in slagen een 'nieuw' meesterwerk in het licht te geven. Een heruitgave van een oud meesterwerk kan op een bepaalde manier óók nieuw zijn. Het is de kunst van de uitgever het zo te presenteren dat het zich voegt naar het commerciële patroon dat nu eenmaal in de boekenwereld bestaat en het naast de nieuwe Grisham of de nieuwe Celestijnse belofte bij de kassa gelegd kan worden. Dat kàn, maar gebeurt het ook?
De Bezige Bij herdrukte Onder Professoren van W. F. Hermans en herdrukte Langzame wals, Door de weken heen en De lieve vrede - onder de titel De pap der tijden - van Johnny van Doorn en daar zie ik de boekhandelaar wel voor in beweging komen (en dus, ten dele, ook het publiek). Maar geldt dat ook voor Een liefde van Lodewijk van Deyssel? Zelf zou ik dat boek niet graag hebben willen missen en nu ik het, zoveel jaren later, als herdruk in de klassieke Salamander-reeks van Querido opnieuw heb gelezen, heb ik de neiging, door niets geremd, uit te roepen dat niemand zo'n boek eigenlijk ongelezen kan laten.
Een liefde verscheen, zo vertelt de Van Deyssel-biograaf Harry G. M. Prick in een zeer uitgebreid, boeiend en ten dele zelfs voor ingewijden verrassend nawoord, op 16 december 1887 bij C. L. Brinkman, Singel 260 te Amsterdam. Van Deyssel had er toen al uit voorgelezen ten overstaan van vrienden als François Erens, Willem Kloos en Albert Verwey. Kennelijk hebben zij hun enthousiasme niet op de uitgever weten over te brengen. Want toen Een liefde uitkwam, was de oplage slechts 550 stuks.
De reacties waren interessant. Men vond deze eerste 'naturalistische' roman in de Nederlandse letteren voornamelijk tamelijk onkuis, om het eufemistisch uit te drukken. Vooral de zelfbevrediging van Mathilde, de verscheurde hoofdpersoon, moet de besprekers zogezegd in het verkeerde keelgat zijn geschoten. Ze waren zo kwaad dat ze geen oog meer hadden voor het
onovertroffen raffinement waarmee Van Deyssel het innerlijk van een gehuwde vrouw in die tijd had blootgelegd.
De gewraakte scène staat in deze editie op bladzijde 337. Op gevaar af hier iets uit zijn verband te rukken, citeer ik wat daar gebeurt, nadat Mathilde bladzijdenlang in grote innerlijke nood heeft verkeerd:
'Haar schrikkende handen grepen naar haar geslachtsdeel. Het slijm sapte uit haar openzijgende mond, hete trillingen ijlden in haar achterhoofd, haar geslachtsdeel spoog zijn wellustvocht in het stijve stugge hemd. Haar ogen snikten hun hete tranen uit, die als zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden.'
Die passage is, zeker in samenhang met wat eraan vooraf gaat, daarom zo mooi, omdat Van Deyssel er, zoals hijzelf schreef - in een reactie op de bespreking van Een liefde door Frederik van Eeden - 'de meest intense snik van verrukkingslijden van een vrouw in liefde' mee had willen verbeelden. Ter nadere verklaring liet hij deze typische Tachtigers-formulering vergezeld gaan van de volgende zinsneden: 'Ik zie het wellustvocht biggelen als een groote traan, en werkelijk, reëel, heelemaal, zie ik geen onderscheid tussen de traan van het oog en de traan van het geslachtsdeel. Ik beweer dat dat een reine en ruime ''opvatting'' van het geslachtsleven is. Ik beweer, dat het Kristelijke konventie is, de traan van het vrouwen-oog iets edels en liefelijks, en de traan van het vrouwen-geslachtsdeel iets walgelijks te vinden. Het zoû mij ontzachlijk veel plezier doen als je dat ook kondt vinden. Het geslachtsleven als een groot en zuiver geluk openlijk te vereeren vind ik rein, het als iets geheims, verborgens te beschouwen niet.'
Gerard Reve had het hem, honderd jaar later, niet kunnen verbeteren.
Zo'n klassieke Salamander kan men kopen voor ¿ 15,-. Hoe lang nog?
Ik wil er overigens op wijzen dat in dezelfde reeks tegelijkertijd de Ilias van Homerus (in de vertaling van M. A. Schwartz), de Romeinse epigrammen van Martialis (vertaald door Frans van Dooren) en In de ochtend van het leven van Theo Thijssen verschenen. En dan is het, als het om uiterst waardevolle boeken gaat, nog niet op, want bij Meulenhoff verscheen Het huis met de zeven gevels van Nathaniel Hawthorne (¿ 55,-), eveneens een boek dat er (weer) mag wezen.
Anton Haakman, die deze schitterende roman uit 1851 vertaalde, preciseert in zijn nawoord, met steun van Henry James en Jorge Luis Borges - die er in Otras Inquisiciones over schreef - wat er zo bewonderenswaardig is aan The House of the Seven Gables. Het is, net als La vie mode d'emploi van Georges Perec, een verhaal over een huis, een allegorie van een oud Amerikaans landhuis, waar de generaties elkaar opvolgden. Tegelijkertijd is het huis symbool van het morele verval van de Amerikaanse aristocratie, door Hawthorne zo nauwgezet geschetst, dat hij zijn uitgever kon schrijven: 'Veel passages vereisen de gedetailleerdheid van een Hollands schilderij.'
Een bijzonder boek, net zo bijzonder als de Portugese brieven van Guilleragues (Van Oorschot, ¿ 24,90; ¿ 39,90 gebonden). Toen deze hartstochtelijke liefdesepistelen in 1669 verschenen, dacht men werkelijk dat ze van de hand van een Portugese non waren. Dat droeg zeker bij aan hun succes. In zijn nawoord vertelt Frans de Haan, die de brieven plus een selectie uit de antwoorden van de minnaar aan wie ze gericht waren, vertaalde, de fascinerende geschiedenis van dit boek, dat aan het begin staat van het genre der 'briefroman' (zoals Pamela van Richardson; Julie ou la nouvelle Héloïse van Rousseau; Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos; Die Leiden des jungen Werthers van Goethe; de Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken en Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven van Hella Haase).
Het was niet alleen een begin; het was misschien meteen ook een hoogtepunt, zoals vele schrijvers (laatstelijk misschien Paul de Wispelaere in Brieven uit Nergenshuizen) hun lezers hebben kond gedaan.
Bij De Geus verscheen de luidgeprezen roman waarmee de in Rusland geboren Franse schrijver Andreï Makine vorig jaar de Prix Goncourt en de Prix Médicis won: Het Franse testament, een mooi Proust-achtig familieverhaal, dat door Jan Versteeg werd vertaald (¿ 49,90). Nieuw is ook een vertaling van de brieven die Louis-Ferdinand Céline aan zijn uitgever schreef en waarin hij - gedwongen uit te leggen waar zijn Voyage au bout de la nuit over gaat - een typering van dit meesterwerk geeft, die geen criticus hem had kunnen verbeteren. De brieven werden, voorzien van een mooi los geschreven nawoord, vertaald door Frans van Woerden (Meulenhoff, ¿ 59,90).
Er is meer 'nieuws'. Bijvoorbeeld een sfeervolle roman van Marijn Sizoo over twee vrouwenlevens, moeder en dochter: Oktober, oktober (De Bezige Bij, ¿ 39,50). Maar als ik daar te lang bij stil sta, dan schiet de poëzie er wéér bij in. Toon Tellegen schreef Als we vlammen waren en laat daar onder meer in zien hoe lastig gedichten voor hun schepper kunnen zijn: 'Ik schreef eens een gedicht/ en het gedicht stond op, deed een stap achteruit/ en bekeek mij -/ argwanend en hooghartig zoals alleen een gedicht kan kijken/ bekeek het gedicht zijn dichter./ Vliegen zoemden, stofjes dansten, precies/ zoals ik geschreven had,/ en de deur ging open en op de drempel stond -/ maar dát had ik niet geschreven, dat wist ik zeker!/ En het gedicht verscheurde mij, gooide mij haastig weg.' (Querido, ¿ 27,50).
Maria van Daalen is extatischer in haar 'erotische mystiek', waarvoor de rozenkrans haar poëtisch houvast biedt. Het geschenk// De maker verscheen eveneens bij Querido (¿ 27,50). Bij die uitgeverij publiceert ook Robert Anker zijn werk. In In het vertrek, Ankers eerste bundel na zeven jaar, combineert hij de herinneringen aan zijn vader, liefdesgedichten en een reeks balladen met ontroerende titels als: 'Ballade van mijn moeder die mij opbelt om te vragen of het bij ons ook zulk slecht weer is.' (¿ 27,50).
Uit het werk van Paul van der Steen (1950-1991) - 'een dichter zoals velen zich de klassiek romantische poëet voorstellen: volstrekt onaangepast. . .' - werd door Pieter Boskma, Rob van Erkelens, Jan-Hein de Nobel en Frank Starik een ruimbemeten bundel samengesteld onder de titel Van gelijke duisternis, een uitgave die voor In de Knipscheer mogelijk werd door een Paul van der Steen Fund Raising Night in mei vorig jaar. Theo Verhaar leidt de lezer in Het badwater van de fotograaf nuchter en sober door gehavende steden als Berlijn, Dresden, Krakau en Neurenberg (De Harmonie, ¿ 29,50). En een verrassing was het debuut van Erik Lindner, Tramontane (Perdu, ¿ 29,90): 'Trek niet in twijfel dat rede,/ dat rede, dat rede, dat rede./ Een vlieg loopt van de rand/ naar het midden van het tafelblad/ en weer terug, volgt enkele centimeters/ van de zijde, steekt de leegheid/ van het vaalwit weer in, probeert opnieuw/ wat ik niet weet en vliegt dan op.'
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.