*

 
dossier

Archief

Een gat in de ziel

MARTIN SCHOUTEN − 13/11/96, 00:00

OP 7 SEPTEMBER 1941 maakte een Britse bommenwerper, die bij Berlijn was aangeschoten, een nachtelijke noodlanding op een akker in de Achterhoek....

'In dankbare herinnering aan Bernard Besselink en Jan Agterkamp. Er is geen beter bewijs om zijn liefde, trouw en vriendschap te tonen, dan zijn leven te offeren voor zijn vaderland en zijn vrienden. Richard Pape en William Moir van de Royal Air Force.'

Ik was bij de onthulling omdat Jan Agterkamp een broer was van mijn moeder, een oudere broer, die haar tot steun was toen ze na de dood van mijn vader in 1940 - nee, met de oorlog had dat niets te maken - alleen achterbleef met het tweejarige kind dat ik toen was. We woonden in Apeldoorn en oom Jan kwam vaak logeren als hij weer eens onderweg was van Amsterdam naar Steenderen of vice versa, voor de krant en later dus voor het verzetswerk, waar hij nooit over sprak. Oom Jan, van wie ik me alleen de broekspijpen herinner omdat ik toen nog zo klein was en vooral de vreugde die door het huis woei als hij kwam en de lucht van de grote wereld met zich meebracht, was een vrolijke en ondernemende man. Ik schrijf jullie niet, zei hij (zei mijn moeder), mijn brieven staan in de krant. Maar soms schreef hij toch, want ik heb nog altijd een briefkaartje van hem waarin hij mijn moeder vroeg vooral de groeten te doen aan mij: het mannetje 'meer, meer, meer'. Zijn blauwe scheerkom stond na zijn dood nog lang op hem te wachten op het aanrecht, met de scheerkwast, de scheerzeep en het krabbertje en de geheime lucht van een echte man, zoals ik ze verder niet kende in mijn omgeving, het raspende geluid van een scheermes over een baard kende ik alleen van mijn opa in Steenderen. Ik werd boos toen Richard Pape in Steenderen kwam en ik zag hoe mijn opa de pet voor hem afnam, wat hij anders alleen deed onder het bidden aan tafel, ik zag de broze schedel van mijn opa en het was of ik het verdriet opeens open zag barsten, het verdriet van mijn opa en misschien ook wel het mijne, toen hij die pet afnam en nu eens niet voor God, maar voor Richard Pape, o, wat had ik, eigenwijs mispunt van zestien met een paar woorden Engels op zak, een hekel aan die Engelse bal.

'En ik,' zegt Betsie, een van de drie dochters van Bernard Besselink, 'was toen veertien, kijk, daar sta ik op de foto, dat meisje daar, een beetje knorrig hè? Mijn moeder was toen al hertrouwd. Kon jij het vinden met je tweede vader? Niet hè? Het bleef oorlog na de oorlog.'

Betsie en ik hebben elkaar opnieuw ontmoet bij de herdenking in 1995, toen er, vijftig jaar na de bevrijding, weer eens werk van werd gemaakt, ook in Steenderen, bij dat monumentje, waar ik sinds 1954 nooit meer geweest was. Betsie wel, o ja, ze was daar vaak terug geweest op de 4e mei, zei ze, en zij was het die mij uit de menigte viste op die 4e mei 1995, want ik had haar niet herkend, nou ja, zij mij ook niet gelukkig, maar ik had zo'n bekende Agterkamp-kop en toen had ze gevraagd wie ik was. Ze vertelde me dat ik vaak bij haar gespeeld had, als ik bij mijn opa in Steenderen logeerde, en wat een opgave dat dan voor haar was: 'want jij kende onze spelletjes niet.' Ik wist daar niets meer van, maar we raakten meteen bevriend omdat we iets te delen hadden.

'Die tekst op het monumentje is nogal ronkend,' zei ik (ja hoor, nog altijd de onmogelijke wijsneus van zestien, die nooit iets had bijgeleerd, nooit ouder en wijzer was geworden) tegen Betsie toen we daar maanden later samen weer eens stonden.

'Ik denk dat die paste in '53,' zei ze.

'Ja, in '53 wel, ja.'

'We hebben het wel over 43 jaar geleden.'

'Ja.'

'En kijk, Richard Pape mag jij niet, want jouw opa deed de pet af, maar Richard Pape heeft een afschuwelijk leven gehad, hij heeft dat nooit van zich af kunnen zetten. Want Richard bleef altijd schrijven, ook als ik daar eens slordig in was, maar dan opeens kreeg je weer een hele lange brief dat hij er absoluut niet tegen kon, dat hij moest blijven weten of het wel goed ging met ons. Ja, die heeft er echt onder geleden. Het was een egoïstische bal, die kant had hij ook, ijdel als de pest, ik weet niet wat allemaal, maar daarin heb ik hem altijd heel zuiver beleefd.'

Via Betsie sluit ik vrede met Richard Pape, ook al heeft hij er niets meer aan, want hij is nu dood, maar ik ben af van een oude wrok, dankzij Betsie, die nu een mooie, wat melancholieke dame is, voor wie, onlangs, tijdens een Tunesisische vakantie, nog tweehonderd kamelen werden geboden, waar ik, arme donder van een journalist, natuurlijk niet tegen op kan. Maar ik mag toch luisteren naar haar wat hese, aangename stem, waarmee ze zegt dat ik een ramp was bij het vlooien, maar dat ik er mee door kon als het mooi weer was, dan gingen we knikkeren en dat was te doen.

Ik kwam bij Betsie als mijn moeder en ik logeerden bij mijn opa in Steenderen. Zo'n logeerpartij was een opluchting, want op de knie van mijn overgetelijke opa mocht ik weer kind zijn, wat me thuis, in Apeldoorn, niet vergund was: 'mijn moeder had altijd hoofdpijn,' vertel ik aan Betsie, 'migraine heette dat, er hing een doem in huis, dan moest ik weer eens zachtjes doen, omdat mijn moeder 's middags probeerde te slapen en die had hoofdpijn, die had overal last van en ze legde haar hoofd soms zo zwaar op mijn schouder, op zoek naar wat troost, want ik was de man in huis, ja, een mannetje, het ging boven mijn macht, wat kon ik daar nou aan doen, ik schrok er van terug, ik kon al dat verdriet niet aan, ik wilde dat hoofd niet op mijn schouder, daar was ik heel hard in, het ging boven mijn macht, ik was toch nog maar een kind?'

'En ik,' zegt Betsie, 'vond mijn moeder vaak huilend in bed, dat vond ik zo erg. En dan had ze de foto van mijn vader voor zich, die was ingelijst, die had ze bij zich in bed, ik vond het verschrikkelijk en ik liep weg naar de buren. Daar ben ik echt voor weggelopen.'

'Ja,' zeg ik, 'ik ook. Maar mijn rol in het leven werd op den duur om mijn moeder aan het lachen maken. Op een gegeven moment ontdek je dat dat wel eens lukt, nou, wat een succes, doe je dat nog eens en nog eens, een dwangmatige grappenmaker word je daarvan.'

'O,' zegt ze, 'maar bij ons thuis werd ook wel gelachen. Als de Duitsers weer een streek was geleverd. . .'

Vrolijke verhalen heeft ze daarover: hoe in een kersenboom een touw zat die langs twee boerderijen ging, konden ze bellen als de Duitsers kwamen. Of hoe de Duitsers een keer vastliepen in het prikkeldraad, ja, prachtig: 'Een keer 's nachts, dat ik in bed lag en dat je opeens wakker werd en lawaai om het huis en mijn moeder kwam in de slaapkamer en die haalde uit de kast ondergoed en toen kwam een oom binnen, broer van mijn moeder, en die gaf ons een zoen en toen zei mijn moeder nou ja, neem maar mee, dat is allemaal schoon, dat is nog van Bernard, dus dat was ondergoed van mijn vader wat zij mee gaf aan die oom, die werd toen opgehaald door de Duitsers en toen zijn die Duitsers in een versperring gelopen, ja, het zal wel gaas geweest zijn of zo, wat er bij zo'n boerderij ergens is en die Duitsers zijn gevallen en die oom kon vluchten, kwam hij de andere dag het ondergoed weer brengen, dat weet ik nog goed.'

Maar ach, nee, echt gezellig werd het thuis nooit meer, onze moeders waren zo droef.

Betsie: 'Mijn moeder heeft dat rouwproces met tops en dips gedaan en weer denken: hij kan nog terug komen. Dat heeft haar gemaakt tot de vrouw die zij is, dat zie ik duidelijk en dat kun je een plek geven en je zal mij niet horen zeggen dat ik geen liefde van haar ontvangen heb, maar ik heb altijd een heel grote behoefte aan affectie, wat niet verzadigd kan worden. Er zit een gat, er zit gewoon een gat in mijn ziel, ja ik kan het niet anders uitleggen dan dat het warme-nest-gevoel er niet was. Dat had jij toch ook niet?'

'Nee,' hoorde ik mezelf zeggen, tot mijn verbazing, want zo had ik er nog nooit over gedacht: dat ik iets miste, ach, nee, alles kwam zoals het kwam, hoe weet je als kind dat het anders kan? Mijn gemis is vager en ik heb er minder onder geleden dan Betsie, hoe komt dat?

Betsie: 'Dat warme-nestgevoel, ik weet bijna zeker dat het er was en toen werd het afgekapt, daar zit bijna iets in van een amputatie, waarvan ik dan maar, zeg, dat gat in mijn ziel heb overgehouden.'

Heb ik het gat in mijn ziel dan altijd maar verdonkeremaand?

(Wordt vervolgd)

mailIcon print |