*

 
dossier

Archief

Robin Linschoten

KEES FENS − 27/04/96, 00:00

ZELDEN zal de geest zich zo belichaamd hebben: de rechtlijnigheid en de onbuigzaamheid van Robin Linschoten zijn zichtbaar in zijn stijve nek, zijn rechte rug, zijn onwankelbare benen, - hij staat als een paal boven water....

Er is over hem gesproken als over een 'wonderkind' en toen hij kamerlid was en staatssecretaris werd, werd voortdurend zijn jeugd benadrukt. Ik heb dat nooit goed begrepen, want Linschoten was op zijn vijfentwintigste al oud: in zijn lichamelijke en geestelijke stramheid. Zijn opinies waren gevormd, zijn meningen waren al zekerheden en hij kleedde zich als een geslaagde veertiger. Zelfs zijn sportjasjes lijken ook nu nog ouder dan hij zelf officieel is (alsof hij de kleren van zijn vader draagt). En de witte boord op zijn gekleurde hemden maakt hem niet alleen nog ouder, zijn nek lijkt er nog stijver van te worden. Hij draagt de halsband van de gevestigde orde. Misschien komen die stijfheid, stramheid, dat mechanische ook, nog het best samen in het beeld van de marionet. En dat is hij ook geestelijk. Zijn meesterschap is de herformulering van de in zijn kringen gevestigde standpunten. Toen hij zich bij het debat over die drie van het Ctsv, die er een bende van hadden gemaakt, tot zijn gespeelde verbazing herinnerde wat vooraan in zijn geheugen moest liggen en hij even leek te moeten buigen, kreeg hij een ogenblik iets menselijks. De machine haperde.

Linschoten is moeilijk geliefd te noemen. Het is iets te gemakkelijk, dat tot zijn arrogantie terug te voeren (hij beoefent trouwens sinds enige jaren een ascese die tot een zekere nederigheid moet leiden, maar als alle ascese, voor de bedwinging van welke lusten ook, zal die vergeefs blijken). Ik denk dat het met zijn ouderdom te maken heeft. Die maakt bijna iedereen - Bolkestein uitgezonderd - jonger dan hij, of je nu vijftig of zestig bent. Op zijn 39ste representeert hij de onverdraagzame en alles beter wetende vaderfiguur. Hij heeft Nederland verjongd, - en dat is misschien wel zijn grootste verdienste. En als de echt ouderwetse vader beheert hij de uitkeringen als zakgeld. En dat wekt woede. Want zijn motiveringen voor inhoudingen en kortingen zijn maar al te vaak de ambtelijke inkleding van de vaderlijke opmerking: 'Dan neem je maar een krantewijk'.

Linschoten heeft bijna alleen zinnen gesproken die hem typeren. Dat kan niet anders. Toch is er één vergeten geraakt die het meest typerend is of die het prototype kan zijn van al zijn andere uitspraken. In 1985 werd hij, net drie jaar kamerlid, zeer uitgebreid geïnterviewd in Vrij Nederland. Door Vincent Bakker en Feike Salverda. De twee maken op een bepaald moment deze opmerking: 'U wilt de koppeling afschaffen. Maar mensen in de bijstand vragen zich af hoe hoog de uitkering daarna zal blijven.' Het antwoord was een enkele zin: 'Die vraag blijven ze altijd houden.' Hierin is het wereldbeeld van deze geseculariseerde kapelaan, met de eeuwig geldende leer, volmaakt weergegeven. Het is ook een volkomen uiting van de zakgeldtheorie. (Rosenmöller, toch hees gebleven van het sociaal protest, zei nog onlangs: 'Daar ga ik eens een avond met Robin Linschoten over doorbomen.' Soms begrijp ik van de wereld weinig).

Toen hij op de middelbare school zat in Apeldoorn, hing hij in die school, bij de verkiezingen, affiches van de VVD op. Dat lijkt moedig (of niet, ik ken de school niet), maar voor een grijs kind is het vanzelfsprekend. En vanzelfsprekendheid is meestal het gevolg van kortzichtigheid of geborneerdheid. Daarom zal de daad ook geen bewondering hebben gewekt bij Linschotens medeleerlingen, op zijn minst afkeer en een lichte haat. Hier raak ik aan een mogelijke tweede reden van Linschotens geringe geliefdheid. In zijn grijze gestalte is het oudere kind zichtbaar gebleven: de oppassende scholier, de afstotend brave, de das- en colbertdrager die altijd aan de verkeerde kant staat: die van het gezag en de orde. En eigen ideeën de beste vindt. Ieder heeft het type in zijn jeugd gekend en gehaat. Misschien juist vanwege diens onverstoorbaarheid. Zekerheid irriteert (een van de oorzaken van de ontkerstening!). In Linschoten blijft het schooltype herkenbaar. En zo verjongt hij bij veel ouderen ook nog hun gevoelsleven, want vergeten afkeren blijken levend te zijn gebleven.

De VVD heeft altijd een zwak gehad voor jongere ouderen. De JOVD, een contradictio in terminis, is er de kweekplaats van. Wiegel was het eerste grote succes. Maar, al was die ook al heel vroeg door zijn leeftijd gezakt, hij hield iets jeugdigs, waarschijnlijk ook door zijn onverwoestbare opgewektheid, die hem een licht roomse glans gaf, die door Van Agt herkend moet zijn. Wiegel had altijd het gelijk van de kwinkslag (dat heeft hij trouwens nog), welke oppervlakkigheid zijn betrouwbaarheid alleen maar leek te vergroten. En zijn populariteit mateloos maakte. Hij leek alles niet zo ernstig te nemen, speelde dat althans. Nijpels is een uitzondering: hij was een kind, hij is een kind en hij zal het altijd blijven. En dat zijn doorgaans zeer aardige mensen.

0E personificatie van de JOVD. Linschotens gezicht - vergelijk het met dat van de stralende Wiegel - heeft de onkreukbaarheid van het calvinisme. Later, als hij echt oud wordt, zullen de lijnen kaarsrecht over dat gezicht lopen. Hij meent alles, al heeft hij er geen eigen mening over. Hij is, laat ik een andere contradictie gebruiken, een liberale fundamentalist, streng en onverdraagzaam in de leer, ieder vermogen tot realativering missend. (Zie ik hem goed, dan heeft hij, als het gehate schooltype, alleen een wat hartstochtelijke voorkeur voor oude jazz; dan wil zijn voet wel eens op en neer gaan). De paarse levenslust ontbreekt hem. Hij moet dan ook in het kabinet een eenzame zijn: de schooljaren blijven zich voortzetten; voor sommigen is ook het leven zeer rechtlijning en onveranderlijk. Ook daarom leunt hij op Bolkestein, de vader van deze vader, die trouwens al bijna vader des vaderlands is. Soms stel ik mij een gesprek tussen die twee voor; het moet een uitwisseling van vanzelfsprekendheden zijn. Bolkestein bewondert Linschoten; hij was ook liever vroeg oud geweest. Linschoten bewondert Bolkestein, want hij herkent zijn leeftijdgenoot. Samen hebben ze het idee dat de VVD in hen eindelijk volwassen is geworden.

Er wordt gezegd dat Linschoten als kamerlid plezier in de discussie had. Hij stond vaak bij de interruptie-microfoon. Ik twijfel aan dat plezier. Zijn spreken verraadt het niet en niet alleen het mechanische daaraan. Zijn kracht is zijn herhaling van een standpunt, ook in een vraag. De herhaling toont de fundamentalist. Hij miste als kamerlid elk gevoel voor spel. Maar wat wil men als men zijn jeugd heeft overgeslagen. Hij sprak (en spreekt nog altijd) met zeer weinig gebaren. De armen hangen vaak af. Hij is een gebedsmolen. Daarom is het goed te zien als de Kamer hem even in een andere richting tracht te dwingen. Hij raakt even ontregeld. Maar de leer schikt zich onmiddellijk in zijn hoofd, zichtbaar voor de kijkers. Het verstand houdt alles onder controle; de ogen laten het zien. Hij mag een groot hart hebben, een ruim hart wellicht, maar het is een verborgen hart. In zijn opvatting zal dat juist een staatssecretaris van Sociale Zaken sieren.

Daar staat hij en hij verdedigt zijn zaken. En mensen zijn systemen. Hij ziet de anderen zoals wij hem zien en hij misschien ook zichzelf ziet als hij in de spiegel kijkt. Maar hij kan dan ook, met velen, denken: Madame Tussaud wacht.

mailIcon print |