*

 
dossier

Archief

Achter de coulissen van de geschiedenis

ARJAN PETERS − 08/09/95, 00:00

door Arjan Peters Mag het reeds ongewoon genoemd worden dat verschillende Nederlandse auteurs zich in de afgelopen jaren aan een historische roman hebben gezet, opmerkelijker nog is hun keuze voor de achttiende eeuw....

Die overgangstijd, waarin verlichte ideeën hun suprematie ten opzichte van allerhande kwakzalverijen en bijgeloven nog moesten verwerven, ontpopt zich als een rijke bron van inspiratie voor schrijvers van fictie, die kennelijk iets herkennen. Een onmiskenbare correspondentie tussen toen en nu is de onoverzichtelijkheid van het maatschappelijke en godsdienstige leven. Filosoof, theoloog, historicus en piskijker worden tegenwoordig weer gelijkelijk besprongen door bezorgdheid, al betreft die dit keer de alleenheerschappij van de ratio. Onzeker als we zijn geworden over de beheersbaarheid van de technologische zegeningen, hebben we ineens weer iets weg van onze voorouders uit de tijd van de verzakkende pruiken. En dat terwijl we er lang en heilig in geloofden hen ver voorbijgestreefd te zijn.

Ruim twee eeuwen geleden werd de Amsterdamse Schouwburg, gelegen aan de Keizersgracht, in de as gelegd. Onvoorzichtigheid van het Vlaamse gezelschap dat er een voorstelling verzorgde kan de oorzaak zijn geweest van de ramp, waarbij achttien slachtoffers vielen.

Die buitenlanders ook altijd. Hoe meer je d'r van in je stad toelaat, des te groter de last die je d'r van krijgt, monkelde de Amsterdammer in mei 1772 op straat, en zo werd het ook in anonieme vlugschriften gesteld.

Anno 1995 komt ons zo'n dubieuze uitlating niet onbekend voor. De ongemakkelijkheid waarmee autochtonen vreemdelingen bejegenen, neemt onveranderlijk toe in onzekere tijden. Daphne Meijer (1961) beschrijft de historische schouwburgbrand in haar roman Het plezier van de duivel, en laat ook die onaangename reacties van de geboren Hollanders aan bod komen. Ze doet dat niet nadrukkelijk, waarmee ze voorkomt dat haar roman in een preek ontaardt. Vóór alles heeft zij een tableau vivant geschapen, een schildering van hoe het leven er toen uit gezien kan hebben. Haar personages bewegen niet voor, maar tussen de décorstukken. Als ooggetuigen is hun plek die achter de coulissen van het schouwtoneel dat 'de geschiedenis' wordt genoemd.

Nelleke Noordervliet voorzag de vrouwelijke hoofdpersoon van haar roman Het oog van de engel van een linkeroog, dat gaandeweg het verhaal steeds vervaarlijker uitpuilt. Deze Elisabeth Lestevenon beziet de haar omringende wereld aldus letterlijk 'met andere ogen', en vormt op die manier een verbindende schakel met de twintigste-eeuwse lezer. Iets dergelijks doet Daphne Meijer, zij het dat zij haar hoofdpersoon Antje Barnard niet zo wil laten opvallen dat ze te veel aandacht aan het tableau vivant zou onttrekken.

Antje is een bultenaar en een hinkepoot. Met haar man bestiert zij de schouwburg aan de Oude Vest te Leiden, boekt rondreizende gezelschappen, en verkoopt het publiek stoven en bier. Haar droom is acteren. Door haar mismaaktheid is ze tot de toeschouwersrol veroordeeld.

Met een stoutmoedig plan neemt deze vrouw op haar 52ste de trekschuit naar Amsterdam, evenzeer verstekeling als de lezer die ze van haar belevenissen deelgenoot maakt. Ze luistert twee jongens af die stoer praten over die grote stad, waar de hoeren een stuiver of zeven doen. Later zal ze de schouwburg aan de Keizersgracht bekijken, op een middag wanneer er geen ander volk in de loge zit, alsof ze clandestiene blikken werpt. In haar levensverhaal dat ze tussen de bedrijven door doet, blijkt Antje op de gewichtigste momenten telkens haar tong te verliezen. Stuk voor stuk handgrepen waarmee Daphne Meijer haar niet naar de voorgrond dringt.

Zo behouden wij continu een totaaloverzicht. Wat zien we dan? Onder meer het Leiden en Amsterdam van twee eeuwen terug, toen het rapalje, falderappes en kanalje al minstens zo menigvoud en luidruchtig was als heden ten dage. We horen de gereformeerden sputteren over het goddeloze vertier van het toneelspel, en de 'philosophes' bepeinzen of een mens al dan niet als een onbeschreven blad ter wereld komt.

Ook krijgen we flarden van teksten voorgeschoteld die Meijer uit de motteballen opdiepte: Den Vrolyke Tuchtheer (1730) van Jacob Campo Weyerman, een begaafd stilist die het spotten en roddelen niet laten kon en in het gevang de dood vond, en De wiskonstenaars van Pieter Langendijk, een olijke komedie die de toekijkende Antje ook achter de oren doet krabben. 'Is alles dan bedrog, in het leven?', denkt ze, een vraag waarvan de ernst dwingend wordt als ze veel later tijdens haar Amsterdamse escapade ruw van enkele illusies wordt beroofd. Wèl vergroot die ontnuchtering haar zelfvertrouwen. Ineens is de schroef in haar keel los gaan zitten, en laat ze de doortrapte Vlaamse toneelgezelschapsleider Jacob Neyts hardop weten dat ze niet langer met zich laat sollen. Krom als een hoepel, doch met geheven gelaat kan ze Amsterdam verlaten. Door dat uiteindelijke initiatief lijkt ze op de jonge Dorith Flesschendrager uit Daphne Meijer's contemporaine debuut Resten van de eeuw (1993), die liever haar individuele koers vaart dan op te gaan in het collectief van een kibboets.

Dat eerste boek had korter gekund. Het plezier van de duivel daarentegen is voorbeeldig van compositie. Meijer heeft voor dit project enige jaren onderzoek verricht. In plaats van een turf te vervaardigen, heeft ze de gebeurtenissen gecondenseerd en de taal in korte zinnen smaakvol gekostumeerd.

Het resultaat is een kleurrijke uitsnede uit onze historie. Aan een acteur die nog lang heeft te wachten voor hij op mag in het stuk van Langendijk, vraagt de behulpzame Antje of hij iets nodig heeft. Dit krijgt ze ten antwoord: 'Een weinig witsel op de kaken. De onzekere tred van een oude dwaas en een glas bier om het wachten te veraangenamen.'

Hier past een revérence.

Daphne Meijer: Het plezier van de duivel. Nijgh & Van Ditmar, ¿ 34,90.

mailIcon print |