*

 
dossier

Archief

Boekje over het Rapenburg schuwt privé-leven van roemruchte bewoners niet 'Mooiste gracht van Europa' bron van anekdotes

AUKJE VAN ROESSEL − 28/07/95, 00:00

De grote man achter het eerste Burgerlijk Wetboek woonde aan het Leidse Rapenburg, Thorbecke gaf er les in een schuurtje....

Van onze verslaggeefster

Aukje van Roessel

LEIDEN

De gracht werd ooit gegraven om Leiden te beschermen tegen vijandelijke invallen. Nu wordt het Rapenburg door sommigen wel de mooiste gracht van Europa genoemd. Aan deze betiteling zal enig Leids chauvinisme niet vreemd zijn. Als de stad aan het Rapenburg echter de titel zou geven van dè 'juristen-gracht' van Nederland, dan zou dit moeilijker weerlegbaar zijn.

Jan Smits, tot voor kort werkzaam aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Leidse Universiteit, heeft een boekje opengedaan over het Rapenburg en de juristen die de gracht in de loop der eeuwen tot zijn bewoners kon rekenen. Het idee om een rondwandeling door Leiden te maken, met als hoofdmoot het Rapenburg, ontstond geleidelijk. Toen Smits de afgelopen vier jaar les moest geven aan de rechtenfaculteit, begon hij de studenten mee de stad in te nemen om hen te laten zien waar de grote man achter het eerste Burgerlijk Wetboek had gewoond of waar het borstbeeld staat van de initiator van de vernieuwing van dat wetboek.

De Leidse uitgever Jongbloed raakte op de hoogte van de rondwandelingen en vroeg Smits het steeds uitgebreidere verhaal dat hij erbij vertelde op schrift te stellen. Het is nu uitgegeven onder de titel Een Juridische Wandeling.

'Eigenlijk heb ik op die rondwandelingen twee hobby's gecombineerd. Ik ben in Leiden geboren en heb altijd veel belangstelling gehad voor de geschiedenis van de stad. Daarnaast ben ik jurist. Ik merkte dat de studenten het erg leuk vonden om door de stad te lopen en wat meer over het persoonlijke leven te horen van de juristen waarover ik ze tijdens het college had verteld.'

Het kleine boekje is doorspekt met smeuïge anekdotes en wederwaardigheden die geen enkele student uit zijn collegeboeken kan halen. Zo blijkt in het pand op Rapenburg 22 Joan Melchior Kemper te hebben gewoond, de man die begin vorige eeuw aan de wieg stond van het Burgerlijk Wetboek.

In het souterrain waar nu de fietsenstalling is voor de leerlingen van de muziekschool gaf Kemper vroeger college. Aan huis, iets dat nu met zo'n duizend eerstejaars niet meer mogelijk is, maar toen gebruikelijk was.

Zo blijkt J. Thorbecke, de man van de Nederlandse Grondwet, college te hebben gegeven in een schuurtje achter zijn woning aan de Garenmarkt, op een steenworp afstand van het Rapenburg. Het schuurtje zou er nog steeds staan.

De meeste hoogleraren die aan de mooie Leidse gracht hebben gewoond, konden dat niet betalen van hun salaris. Omdat studeren toen nog het voorrecht was van zonen uit welgestelde families, konden velen zich toch een pand aan het Rapenburg veroorloven. Kemper had als een van de weinigen wel een hoog salaris, 4500 gulden per jaar, terwijl zijn huis 3500 gulden kostte. Zijn collega's moesten het vaak met de helft van dat bedrag doen.

Anno 1995 staan de salarissen van hoogleraren vast, toen bleek het echter een kwestie van onderhandelen te zijn. Hoogleraren die bij de studenten goed stonden aangeschreven, waren in staat meer salaris te vragen dan anderen. De beoordelingen van de studenten staan te lezen in de studentenalmanakken uit die jaren. Die heeft Smits dan ook gebruikt als bron voor zijn boekje. Volgens hem waren die beoordelingen soms vrij hard.

Zo vroeg een student zich in 1870 openlijk af waarom de colleges van de hoogleraar burgerlijk recht, R. van Boneval Faure, zo slecht werden bezocht. '. . . en dan herinneren wij ons dat wij wel eens hebben hooren klagen over zijn manier van doceeren, over zijn treurige gewoonte om altijd zulk een klein gedeelte slechts te behandelen van de vakken die hem zijn toevertrouwd en over zijn eentoonige wijze van voordragen, die vooral in het vroege morgenuur nog wel eens herinneringen opwekt aan de zooeven verlaten slaapstede.'

Naast deze informatie die nog enigszins met de uitoefening van het juristenvak te maken heeft, schrijft Smits ook over échte privé-aangelegenheden. Zo valt in het boekje te lezen over de ruzie van de hoogleraar H. Drucker met de buitenechtelijke dochter van zijn vader. Dat was de eerste feministe, Wilhelmina Drucker, ook wel Dolle Mina genoemd. Ook staat vermeld dat hoogleraar E. Meijers, de ontwerper van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, in zijn dagelijks leven niet in praktijk bracht wat hij op college vertelde. De lezer komt zelfs van sommige juristen te weten dat ze stierven aan overmatig alcoholgebruik, ruzie hadden met de buurman over de uitbreiding van de keuken of een vrouw hadden die zeer waarschijnlijk overspel pleegde.

Een Juridische Wandeling door Leiden, auteur Jan Smits, Uitgeverij A. Jongbloed en Zoon, ¿ 17,50

mailIcon print |