*

 
dossier

Archief

Het toneel ontdoen van alle obstakels: Peter Brook verstaat als geen ander de kunst van het weglaten

MARIAN BUIJS − 27/05/94, 00:00

Peter Brook, wonderkind van het Britse theater, houdt niet van uiterlijk vertoon. Altijd op zoek naar de ultieme eenvoud, probeert hij suggesties te wekken met de meest minimale middelen: een wiel is strijdwagen, twee soldaten symboliseren een legermacht....

CRITICI versleten hem voor gek. Maar ook sommige van zijn acteurs dachten dat hij zijn verstand had verloren toen regisseur Peter Brook hen in de zomer van 1972 voorstelde af te reizen naar Afrika. Toneelspelen in de woestijn? Hoezo en voor wie?

Ze hadden net een avontuur in Iran achter de rug waar ze een stuk hadden gespeeld in een onbegrijpelijke, archaïsche taal. Toch vertrokken ze, in december van datzelfde jaar. In vijf landrovers en een Bedford-truck doorkruisten ze drie maanden lang Afrika. Ze speelden, met niet veel meer dan kartonnen dozen, muziekinstrumenten en een tapijt - dat ze neerlegden op een willekeurig dorpsplein - voor publiek dat een taal sprak waarin het woord theater niet eens bestond.

Peter Brook, een van Europa's beroemdste toneelregisseurs, was op zoek naar de oerwetten van theater, naar een antwoord op de vraag wat het contact tussen spelers en toeschouwers bepaalt. In die zoektocht paste een publiek, dat niet was beïnvloed door welke theatertraditie dan ook. Die vreemde safari, door menigeen met opgetrokken wenkbrauwen gevolgd, zou Brooks werk blijvend beïnvloeden.

Het wonderkind van het Britse toneel heeft inmiddels een theatercarrière achter zich van ruim vijftig jaar. Al heel jong bracht Brook het Engelse toneel in opschudding. Zijn eerste voorstelling regisseerde hij op zijn zeventiende, in Oxford met studenten. Vijf jaar later baarde hij opzien met zijn brutale en frisse Shakespeare-regies. Op zijn zevenentwintigste had hij gewerkt met alle groten van het Engelse theater en maakte hij deel uit van de artistieke leiding van de prestigieuze Royal Shakespeare Company.

Hij benaderde toneel op een filmische manier en creëerde de ene spectaculaire beeldenreeks na de andere. Halverwege de jaren zestig was hij een internationale beroemdheid, pendelend tussen Londen, New York en Parijs. Als regisseur had hij het theater tot in alle uithoeken verkend, van film tot boulevardkomedie, van musical tot thriller, van opera tot de klassiekers van het serieuze toneel.

In 1970 keerde hij, na de uitvoering van zijn meesterwerk A Midsummernightsdream (een circusachtig schouwspel op een kale toneelvloer), die stralende carrière plotseling de rug toe. Hij was gaan twijfelen aan het uiterlijk vertoon van het theater. Twee jaar eerder had hij zijn ideeën reeds te boek gesteld in De lege ruimte, een nog altijd populair standaardwerk. Brook roemt daarin de eenvoud en kaalslag van het Elizabethaanse theater. Volgens hem dient het theater te worden bevrijd van knellende decors, pluche gordijnen en verdere ballast.

Hij vestigde zich in Parijs, waar Jean Louis Barrault hem had gevraagd een centrum te beginnen met een internationale groep acteurs. Brook wilde, los van bestaande tradities, ontdekken wat mensen van verschillende culturen in het theater bindt. Hij wenste geen uitwisseling van technische bekwaamheden en trucs en was niet uit op het ontwikkelen van een groep virtuoze acteurs. Hij zocht naar wat schuilt achter een bepaalde cultuur, naar iets dat boven de taal uitstijgt, dat mensen op dezelfde manier raakt als muziek.

Zijn eerste project Orghast, waarvoor de Engelse dichter Ted Hughes een universele taal had gecreëerd die was gebaseerd op klanken, werd niet onmiddellijk met gejuich ontvangen. Het was een peperdure onderneming die ook nog eens werd gespeeld in Iran, onder het corrupte bewind van de sjah. Versjoemelde Brook zijn talent niet met vage en dwaze projecten?

Brook trok zich van de kritiek niets aan. Hij ging door. Zijn enscenering van de opera Carmen uit 1981 werd alom geprezen. Evenals het acht uur durende epos De Mahabaratha (1988), dat is gebaseerd op de bijbel van de Hindoes en later werd verfilmd. Met De Storm bewees Brook in 1990 opnieuw dat hij kan toveren. Zijn acteurs voeren de toeschouwers onweerstaanbaar mee naar een andere wereld. Een wereld die ontstaat in het hoofd en die louter berust op suggestie, opgeroepen met eenvoudige middelen: zand, water en een enkel rekwisiet.

Brook is nu negenenzestig, nog steeds wereldberoemd en een graag geziene gast op grote festivals. Vorig jaar in Parijs stond ik voor het eerst oog in oog met de grootmeester, op de stoep van zijn eigen theater. Hij was nog kleiner van stuk dan ik had verwacht, een beetje gedrongen. Hij droeg een versleten windjack en over zijn schouder hing - als onvervreemdbaar hippieornament - een tas, gemaakt van een Perzisch tapijtje.

Wie ooit een voorstelling van Brook heeft gezien, zal zich de haast bovenmenselijke concentratie van de acteurs herinneren. Acteurs als Yoshi Oida, Japanner en Zenmeester, die alleen als verschijning al een onuitwisbare indruk achterlaat, de ondoorgrondelijke Engelsman Bruce Myers, de lange breekbare Afrikaan Sotigui Kouyaté (Prospero in De Storm), en de kleine Duitser David Bennent. In Nederland kunnen we ze zien, voor het eerst, tijdens het Holland Festival met hun nieuwe voorstelling The man who.

Over de intense uitstraling van deze gemêleerde groep spelers zei Brook zelf eens: 'Het blijkt dat mensen in onze kleine groep die uit alle windstreken komen zonder gemeenschappelijke taal, zonder gezamenlijke grapjes of gekanker, voornamelijk intuïtief contact met elkaar zoeken. Dat kan alleen als er voldoende concentratie, openheid en creativiteit is.'

Hij probeert iedere acteur ertoe te brengen afstand te doen van zijn trucs, zijn stereotypen, waarbij het bepaald niet de bedoeling is die speler tot een bleke anonymus te reduceren. 'Als een Japanner zijn typisch Japanse manieren verliest, is hij juist veel meer zichzelf', zegt Brook. 'Dan kan hij ook samen met anderen iets nieuws creëren. Zoals in een orkest, waar ieder geluid op zichzelf staat, maar samen met andere geluiden een nieuwe gebeurtenis schept.'

Brook vergelijkt een acteur graag met een sportman of -vrouw, die jaren lang toeleeft naar die ene wedstrijd, dat moment waarin hèt moet gebeuren. Ook een wedstrijd heeft zijn spelregels en zijn scenario, maar desondanks is er veel onvoorspelbaar. Dat verlangt alertheid en improvisatievermogen van de spelers. Datzelfde vraagt Brook van zijn acteurs. Er wordt dagelijks gewerkt aan beweging, aan de stem en aan de algehele fysieke conditie van de acteurs. Ze hebben geleerd hun volle concentratie te richten op het spel.

Op het (spaarzame) videomateriaal is te zien dat Brook nauwelijks regisseert. Hij interrumpeert zelden, laat de spelers zelf zoeken , geeft nauwelijks aanwijzingen. Pas heel laat zet hij de grote lijnen vast. Het meeste werk zit in improvisaties en in fysieke training.

'Brook wil alles in ons wakker maken, elke vinger, elke cel', zegt Bruce Meyers, die reeds vanaf het begin bij de vaste kern van het Parijse centrum hoort. 'Hij schept een raamwerk waarin ieder individu veel ruimte krijgt, maar vrijheid verlangt grote discipline van elke speler. Allereerst moet je kunnen luisteren naar elkaar, open blijven voor wat er gebeurt. Zonder dat kun je nooit samenspelen, kom je nooit tot iets homogeens. Een publiek voelt onmiddellijk aan of een groep spelers een eenheid is. De hechtheid is heel belangrijk. Daardoor probeer je dingen die je niet kunt of niet durft. Alles draait om het verhaal dat we willen vertellen en daarbij laten we alle facetten zien: ook de duistere kanten.'

Brooks kracht schuilt in het vertellen van mythische verhalen waarin fantasie en realiteit een vanzelfsprekend verbond aangaan. Repeteren is voor hem vooral het opruimen van obstakels, in de beweging, in de stem. Dat klinkt simpel, maar de meeste acteurs geven toe dat ze per voorstelling misschien twee minuten onbelemmerd op het toneel staan. 'Transparant', zoals Brook het noemt.

Brooks voorstellingen winnen nog altijd aan soberheid. Hij beheerst de kunst van het weglaten, is altijd op zoek naar de optimale suggestie en die weet hij met steeds minimalere middelen op te wekken. In de toneelversie van de Mahabaratha was een wiel een strijdwagen en symboliseerden twee soldaten een legermacht. In De Storm creëerden de spelers met niet meer dan een paar stokken een orkaan.

Van een Indiaas epos naar de bestseller van een Amerikaanse neuroloog lijkt nogal een stap, maar Brook werd zo getroffen door De man die zijn vrouw voor een hoed hield van Oliver Sacks dat hij besloot er een voorstelling van te maken. Met veel compassie beschrijft Sacks patiënten die lijden aan een neurologische stoornis met ernstige gevolgen voor hun gedrag. Het zijn intens menselijke ervaringen en het onderwerp strookt met Brooks zoektocht naar iets dat een specifieke cultuur overstijgt. We hebben immers allemaal hersens die ons doen en laten bepalen.

De acteurs verdiepten zich in de materie, bezochten ziekenhuizen en spraken met patiënten en artsen. De voorstelling volgt het boek van Sacks bijna chronologisch. In een doodsimpel decor met vier witte stoelen, twee tafels en daarachter twee monitoren. Aan de rand van het podium zit de muzikant Mahmoud Tabrizi-Zadeh. Hij reageert met oosterse klanken op wat er gebeurt. De verregaande eenvoud is treffend. Vier acteurs zijn zowel arts als patiënt: wie arts speelt, trekt een witte jas aan. De ene scène gaat snel over in de volgende, er zijn nauwelijks lichtwisselingen en na anderhalf uur is alles voorbij.

Heel behoedzaam en zonder enig oordeel of effectbejag tonen Brook en zijn vier acteurs wat er kan gebeuren als het communicatiesysteem in de hersens defecten vertoont. De conclusie laten ze waar die hoort: bij het publiek. De allesoverheersende indruk die de voorstelling achterlaat is het onbegrijpelijke van alles wat wij gewoonlijk zo vanzelfsprekend vinden. Aan het begin en het eind verschijnt wordt een van onze hersenhelften getoond, dat geheimzinnige centrum van het menselijk handelen. Brook neemt ons in The man who mee op reis in die microkosmos. En opnieuw is het de intensiteit van de acteurs die deze case-stories haast mythische dimensies geeft, waardoor deze individuen stuk voor stuk veel meer zijn dan 'gevallen'.

Brook is terug bij de eenvoud van zijn Afrikaanse carpet-shows en de onopgesmukte eerlijkheid waarover hij al schreef in De lege ruimte: 'We hebben de taak de aandacht van het publiek te vangen en te zorgen dat het gelooft. Daartoe moeten we bewijzen dat er geen trucs in het spel zijn, dat niets verborgen blijft. We moeten onze lege handen laten zien en aantonen dat we niets in onze mouwen verbergen. Pas dan is er een begin.'

Peter Brook: The man who. Op 22, 23, 24, 25, 27 en 28 juni in Bellevue, Amsterdam.

In het Filmmuseum, Amsterdam van 5 tot en met 15 juni registraties van regies van Brook.

mailIcon print |