*

 
dossier

Archief

Schaf ontwikkelingshulp af

Pieter Marres − 10/05/01, 00:00

Het afschaffen van de ontwikkelingshulp geeft mensen hun waardigheid terug en pas dan is het dekolonisatieproces afgerond, stelt Pieter Marres....

STEL u bent minister van Ontwikkelingssamenwerking in een ontwikkelingsland. Op het eerste gezicht een aantrekkelijk perspectief: geld ontvangen zonder tegenprestatie te hoeven leveren waarmee u activiteiten kunt financieren om de levensstandaard van de bevolking te verbeteren.

Maar het betekent ook overleg met minimaal dertig donoren en nog veel meer niet-gouvermentele organisaties - allen hebben hun eigen prioriteiten, speerpunten, thema's en procedures. U ontvangt de ene missie na de andere en wilt ze allemaal ontvangen op de zo bekende gastvrije wijze. Van u wordt een helder beleid verwacht waar ál deze donoren zich in kunnen herkennen en dat toch consistent in zich zelf is. Dat is een onmogelijke opgave.

Waarom?

De rijke landen geven gezamenlijk per jaar ongeveer 53 miljard dollar uit aan ontwikkelingshulp. Dit bedrag is de afgelopen jaren nagenoeg gelijk gebleven en komt overeen met 0,22 procent van het Bruto Nationaal Product van de donorlanden, terwijl in de Verenigde Naties afgesproken is om 0,7 procent, ruim drie keer zoveel dus, uit te geven. Het ziet er niet naar uit dat de hulp de komende jaren nog aanzienlijk zal stijgen, het tegenovergestelde kan eerder verwacht worden.

Wanneer we het totale hulpbedrag vertalen naar individuele landen dan ontvangt een gemiddeld ontwikkelingsland per hoofd van de bevolking tussen de 10 en 50 dollar, met uitschieters naar beneden (India komt niet verder dan 2 dollar) en naar boven (Israël gaat richting 180 dollar per inwoner). Voor 85 procent van de ontwikkelingslanden bedraagt het hulpbedrag minder dan 10 procent van hun nationaal inkomen.

De doelstellingen van de hulp zijn breed en verstrekkend: armoedebestrijding staat voorop, maar niet bij elke donor. De armoede, zo is afgesproken, moet per 2015 gehalveerd zijn. Er moet geïnvesteerd worden in voedselproductie, gezondheidszorg en onderwijs, maar ook in de infrastructuur en het opbouwen van lokale capaciteit. De democratisering is essentieel, mensenrechten moeten worden gerespecteerd, de rechtspraak onafhankelijk, de begroting op orde, de economie geliberaliseerd, de belastingen hervormd, de corruptie bestreden, het milieu gerespecteerd.

De donors stellen ook op procedureel vlak een scala aan eisen. Al zijn er in het kader van de OESO al 25 jaar discussies over het stroomlijnen van het beleid en beheer, de minister van Ontwikkelingssamenwerking in een derde-wereldland wordt nog steeds geconfronteerd met evenzovele procedures en regelgeving als er donoren zijn. De EU-lidstaten volgen niet de regels van de Europese Commissie; de leden van de Wereldbank niet de Wereldbank-procedures. Tegelijkertijd verwachten we dat het ontwikkelingsland zijn eigen doelstellingen formuleert en een transparante regelgeving hanteert. Is het tegen deze achtergrond verbazingwekkend dat regeringen van derde-wereldlanden weinig initiatief tonen, een afwachtende houding aannemen en de donorgemeenschap verwijten onvoldoende te doen? We doen wellicht onvoldoende, maar nog meer doen we het verkeerd.

Interessanter is ons voor te stellen wat er gebeurt als we de hulp afschaffen. Wat zijn daar de voordelen van, wat de nadelen? Het afschaffen van de hulp geeft mensen hun waardigheid terug. Dan pas is het dekolonisatieproces afgerond. Veel energie en intellectuele capaciteit die tot dusver besteed worden aan de donoren kan dan worden aangewend om het eigen ontwikkelingsproces vorm te geven. Dit behoeft niet te betekenen dat er geen internationaal overleg meer zal plaats vinden, maar dit gebeurt dan op basis van gelijkwaardigheid en economische belangen. Men zal het investeringsklimaat zodanig moeten aanpassen dat investeerders aangetrokken worden en westerse markten moeten worden opengesteld.

Als er geen hulp meer wordt gegeven, zal het belastingsysteem niet alleen hervormd moeten worden, maar de belastingen ook daadwerkelijk moeten worden geïnd en de water- en elektriciteitsrekening betaald. Belasting betalende burgers zullen eisen stellen aan de overheid.

De internationale politieke dialoog wordt gezuiverd van de eindeloze reeks goedbedoelde ontwikkelingsprioriteiten, waarmee men wel moet instemmen om de donorgelden veilig te stellen.

U zult zich afvragen of de ontwikkelingslanden hiertoe in staat zijn. Hoewel ik aarzel die vraag te beantwoorden met een volmondig 'ja', is het zeker wel mogelijk. Volgens mij is er een structurele onderschatting van de capaciteiten van deze landen. Hoe is het mogelijk dat Oeganda ver over zijn landgrens heen mijnen exploiteert in de Democratische Republiek Kongo; hoe kan het dat Ethiopië tijdens de oorlog met Eritrea in staat was om in afgelegen gebieden te zorgen dat er diesel voor tanks aanwezig was en eten voorsoldaten, in dorpen waar geen tbc-medicijn of schoolboek te bekennen viel? Men kan het, als er maar een politieke wil is.

Als er daadwerkelijk een capaciteitsprobleem is dan kan men expertise inhuren op eigen kosten op de internationale arbeidsmarkt en niet te vergeten onder de vele professionals uit de Derde Wereld die nu elders werken.

Een alternatief zou kunnen zijn om de ontwikkelingslanden een garantie te geven door tijdens een overgangsperiode een financieel vangnet aan te bieden: bij een acceptabel politiek en macro-economisch beleid worden gedurende vijf jaar hulpgelden ter beschikking gesteld voor schuldverlichting, zodat het ontwenningsproces geleidelijk kan verlopen.

Het stopzetten van de hulp is een moeilijk voorstelbare optie - een hele bedrijfstak staat op slag buiten spel. Niet alleen binnen de overheden zal kunnen worden afgeslankt, maar ook internationale en nationale ontwikkelingsorganisaties houden op te bestaan. Geen financiële bijdrage meer kunnen leveren aan de Derde Wereld gaat eigenlijk in tegen onze gevoelens, en politiek lijkt er evenmin een draagvlak voor deze benadering. Maar is dat voldoende reden om door te gaan?

mailIcon print |