*

 
dossier

Archief

Met vrijgezellen en meesters wordt het hoger onderwijs aantrekkelijker

RICK VAN DER PLOEG − 23/02/95, 00:00

Om in het hoger onderwijs een goede balans te vinden tussen brede toegankelijkheid en strenge selectie pleit Rick van der Ploeg voor invoering van het Angelsaksische model....

HET vorige week verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Hoger Onderwijs in Fasen pleit voor een Angelsaksisch model voor het hoger onderwijs: een eerste, breed toegankelijke fase van drie jaar aan de universiteit of hogeschool voor vwo'ers en van vier jaar aan de hogeschool voor havisten en daarna een selectieve tweede fase van één à drie jaar voor een beperkte groep studenten. Succesvolle afsluiting van de eerste en tweede fase leidt tot respectievelijk de baccalaureaats- of vrijgezel-bul en de doctorandus- of meester-bul.

Een dergelijk model sluit aan bij de visie op differentiatie en selectie in het regeerakkoord. Nu het financiële raamwerk voor de komende jaren duidelijk is geworden, heeft een serieuze discussie over een nieuw stelsel van hoger onderwijs hoge prioriteit. Er is een aantal redenen waarom ik het advies van de WRR van harte steun.

Allereerst maakt een Angelsaksisch model het mogelijk het kaf van het koren te scheiden. Nu studeren op universiteiten zowel mensen die geïnteresseerd zijn in wetenschappelijke diepgang als mensen die eigenlijk alleen maar op een bul en baan uit zijn. Door de universitaire opleiding in twee fasen op te splitsen is selectie van de beste en meest gemotiveerde studenten voor de meester-opleidingen mogelijk. Nu zijn er veel dropouts op universiteiten. Het Angelsaksisch model biedt grote groepen studenten echter een fatsoenlijke manier om eerder uit te stromen.

Sommigen beweren dat een dergelijke driejarige opleiding geen goede perspectieven op de arbeidsmarkt biedt. Ervaring in de Angelsaksische wereld leert echter dat die redenering niet opgaat: het gros van de bachelors komt aan de bak, hoewel tegen een iets lager salaris. Werkgevers vinden het aantrekkelijk jonge mensen aan te nemen, omdat men het merendeel van de kennis die nodig is voor een goede uitoefening van een beroep in het bedrijf zelf leert.

Universiteiten zijn er niet om mensen met kennis vol te stouwen, maar om studenten dingen zelf te leren uitzoeken en om te leren denken.

Anderen suggereren dat het Angelsaksische model een ongenuanceerd pleidooi voor kortere studies is. Hoewel het regeerakkoord stelt dat op termijn de gemiddelde verblijfsduur met een half jaar verkort moet worden door de feitelijke studieduur meer in overeenstemming te brengen met de nominale studieduur, pleit de regering niet zo zeer voor kortere studies maar voor meer flexibiliteit in studieduur.

Het accepteren van een langere studieduur voor technische studies opent de deur voor andere studies om hetzelfde te verlangen. Het is bizar dat een ir-opleiding vijf jaar mag duren, terwijl een technische drs-opleiding het met vier jaar moet doen.

Waarom niet, vooruitlopend op invoering van een Angelsaksisch model, een facultatieve doch selectieve vervolgopleiding van één of twee jaar voor afgestudeerden van de bèta-opleidingen van zowel de technische als de algemene universiteiten?

Versterking van de technologische kennisinfrastructuur is van groot belang voor onze economie. Maleisië wil dat 60 procent van de studenten bèta- of technische studies volgt. Nederland slaat met 20 procent een slecht figuur. In plaats van een langere studieduur voor alle studenten aan technische universiteiten, is het doelmatiger voor de overheid meer technische dan niet-technische meester-opleidingen te financieren.

IN een moderne markteconomie met een geëmancipeerde bevolking is het gewenst dat gedurende één leven verschillende carrières worden doorlopen. Studeren moet daarom veel meer afgewisseld worden met werken. Er is meer en veelzijdiger kennis nodig dan ooit, terwijl het huidige stelsel van hoger onderwijs slechts zeer beperkt aan deze behoefte kan voldoen.

Scholieren worden gedwongen na de middelbare school vier jaar één vak te studeren en doen er overigens vaak meer dan een jaar langer over. De meeste studenten hebben in eerste instantie behoefte aan een stevige, algemene opleiding die best korter mag duren. Daarom is het huidige stelsel ondoelmatig en onnodig duur.

Na enige jaren werkervaring kan men dubbel gemotiveerd terugkomen voor een vakstudie op hoog niveau. Kennis veroudert immers steeds sneller en pas in een baan ontdekken de meeste mensen welke aanvullende scholing of studie ze nodig hebben. De maatschappij heeft behoefte aan gespreid leren, waarbij mensen studie en werk naar eigen inzicht en behoefte combineren.

Permanente educatie vereist een flexibel onderwijsbestel waar men na studie een aantal jaren praktijkervaring opdoet en vervolgens terugkomt voor een vervolgopleiding aan hogeschool of universiteit. Met behulp van studie-sabbaticals of een vorm van permanente bijscholing kan men de kennis op peil houden.

Docenten profiteren hier ook van, want de rijpere student heeft een meer vruchtbare voedingsbodem en is gemotiveerder dan een student zonder werkervaring. Het bedrijfsleven heeft immers net zo goed flexibele mensen met een multidisciplinaire achtergrond nodig als specialisten.

Met het handen en voeten geven aan het begrip permanente educatie stimuleren we tegelijkertijd de homo universalis. Een ingenieur werktuigbouwkunde die bijvoorbeeld verantwoordelijk is voor personeelsmanagement komt wellicht na enige jaren werkervaring terug voor een vervolgstudie psychologie. Het doorbreken van de hokjesgeest betekent dat de maatschappij kan profiteren van mensen die meerdere studies gevolgd hebben.

Een ander belangrijk voordeel van het Angelsaksisch model is een gezondere verhouding tussen het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. Studenten met een universitaire bul kunnen immers na enkele jaren werkervaring hun voordeel doen met een meer praktijkgerichte vervolgopleiding aan een hogeschool en vice versa vinden sommige hbo'ers in een wetenschappelijke vervolgopleiding meer diepgang.

Hogeschool en universiteit zullen elkaar dus veel meer dan voorheen moeten aanvullen en zich tegelijkertijd moeten concentreren op waar ze goed in zijn.

De primaire verantwoordelijkheid van de universiteit is het bijdragen aan de wetenschap en die van de hogeschool is het overdragen van toepassingen van bestaande kennis. De hogeschool voorziet dus bij uitstek in een meer praktische opleiding terwijl de universiteit creatief en innovatief denken moet stimuleren.

Nu schort er echter iets aan de relatie tussen hogeschool en universiteit. Universiteiten kampen met teruglopende studentenaantallen. Ontslagen worden vermeden met het werven van hbo'ers voor doorstroomstudies aan de universiteit. Hoewel bijvoorbeeld heao'ers niet veel extra opsteken van een universitaire studie bedrijfseconomie, azen zij begrijperlijkerwijs toch op de drs-titel.

Titeljagerij draagt niet bij aan de doelmatigheid van het hoger onderwijs. Hoewel de hogeschool en universiteit niet dezelfde opdracht kennen, behoren ze wel gelijkwaardig te zijn en dezelfde status te hebben. In Engeland zijn de polytechnics reeds tot universiteit gepromoveerd. Nederlandse hbo-opleidingen hebben in Nederland niet het recht een academische titel te verstrekken en zoeken daarom aansluiting bij Britse (poly)universiteiten. Zo kunnen Nederlandse hogescholen studenten die hun vervolgopleiding met succes hebben doorlopen, belonen met een masterstitel.

Er is dus behoefte aan meer samenwerking, maar ook aan meer concurrentie tussen hogeschool en universiteit op gelijkwaardige basis. Daarbij dient men rekening te houden met het meer beroepsmatige karakter van de hogeschool en de meer wetenschappelijke aard van de universiteit.

Beloning van een succesvolle afronding van een driejarige universitaire opleiding of (voor havisten) een vierjarige hbo-opleiding met een baccalaureaats- of vrijgezel-bul en van een één- of tweejarige vervolgopleiding met een meester-bul is doelmatiger, vermijdt titeljagerij, en stimuleert permanente educatie en multidisciplinariteit. Een dergelijk modern stelsel van hoger onderwijs stimuleert de concurrentie tussen universiteiten onderling en tussen hogescholen en universiteiten.

Hoger onderwijs in Nederland is een gesloten markt. Hogeschool en universiteit zullen echter alleen goed kunnen gedijen als zij de concurrentie durven en kunnen aangaan met buitenlandse instellingen. Alleen daarom al heeft invoering van het Angelsaksische model een hoge prioriteit. De drs-bul is immers volstrekt onbekend in de Angelsaksische en veel Aziatische landen, maar ook in vooruitstrevende landen als Denemarken.

Net zoals een consument weloverwogen kiest tussen Maasdammer en Magor, zullen mondige studenten willen kiezen tussen een opleiding in Rotterdam, Milaan, Londen, Tokyo of San Diego. Het is de hoogste tijd dat de stelsels van hoger onderwijs en studiefinanciering aangepast worden om internationalisering van het hoger onderwijs daadwerkelijk te stimuleren. Ook vanuit het oogpunt van de Europese eenwording is dit gewenst.

BOVENSTAANDE overwegingen pleiten voor een Angelsaksisch stelsel van hoger onderwijs. De universiteiten vinden dan een goede balans tussen brede toegankelijkheid en strenge selectie, staan meer bloot aan onderlinge concurrentie, werken meer samen met de hogescholen, voorzien meer in een maatschappelijke behoefte, slechten de hokjesgeest door de staf breed in te zetten, investeren in onderzoek, leveren sneller beter opgeleide en mondiger studenten af, en gaan de strijd aan met de beste universiteiten en hogescholen in het buitenland.

De budgettering van het hoger onderwijs zal moeten worden aangepast opdat instellingen geprikkeld worden flexibelere studies aan te bieden. In plaats van elk jaar te moeten knokken voor de bijdrage van de overheid, krijgen universiteiten en hogescholen meer vrijheid zelf de markt op te gaan en zelf collegegelden, eventueel binnen een bepaalde bandbreedte vast te stellen.

Nu de discussie over de centen lijkt te zijn gesloten, is een open discussie over het toekomstige bestel van hoger onderwijs op zijn plaats. Decentralisatie van bevoegdheden, meer selectie, zonder de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te veel op het spel te zetten, en invoering van een Angelsaksisch model, leidt tot een sterkere concurrentie binnen het hoger onderwijs. Deze modernisering van het hoger onderwijs stimuleert de kwaliteit en de emancipatie van het hoger onderwijs.

Rick van der Ploeg is algemeen financieel woordvoerder voor de PvdA-fractie van de Tweede Kamer en hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam.

mailIcon print |