*

 
dossier

Archief

Al is het maar stil in ieders hoofd

CORNALD MAAS − 02/06/95, 00:00

'Hij was dader, maar ook slachtoffer. Een persoon bestaat nooit op zichzelf.' In de kameropera Westerling, vanaf 6 juni in Amsterdam te zien, komt de omstreden legerkapitein er genadig van af....

Door Cornald Maas/ foto Maarten Corbijn

Raymond Westerling was een schurk. 'Maar het heeft geen zin het beeld van de geschiedenis opnieuw te bevestigen. Liever corrigeer ik dat tegen de heersende mening in.' In de kameropera Westerling, die vanaf 6 juni in het Amsterdamse theater Bellevue te zien is, komt de legerkapitein er genadig van af. Graa Boomsma (42), die het libretto schreef, legt hem deze woorden in de mond: Wij zaaien geen dood en verderf,/ Maar vormen de kiem voor rust en orde. Ondertussen voerde Westerling in de jaren 1946-'49 op Celebes en Java standrechtelijke executies uit. Meer dan drieduizend mensen vonden de dood. 'Hij was dader, maar ook slachtoffer. De modelsoldaat Westerling werd door zijn superieuren gebruikt om vuurhaarden te doven. Een persoon bestaat nooit op zichzelf.'

Boomsma voerde ellenlange gesprekken met regisseur Jos Vijverberg en componist Jan Bus voor zijn tekst gereed was. 'Slachtofferkunst is een populair genre. Daderkunst niet zo.' Aan het slot van de negende scène zegt Westerling: Alles loopt dood/ Een eenling ben ik,/ Een opgejaagd stuk wild. 'In een opera gaat het niet om sympathiek of onsympathiek. Kundera zei ooit: tijdens het schrijven wordt de moraal opgeschort.'

De waarheid laat zich niet kennen. En elke bewering roept een andere op. Boomsma hoopt dat theaterbezoekers zich laten meeslepen door het personage van Westerling. Zodat ze gealarmeerd worden en zichzelf vragen stellen. 'Het is comfortabel om te zeggen dat anderen de daders zijn. En ook zo zelfgenoegzaam. Misschien blijven de theaterbezoekers straks met een ongemakkelijk gevoel achter. Wat mij betreft is het na afloop doodstil in de zaal. Al is het maar stil in ieders hoofd.'

Nederland is een gidsland dat altijd weet hoe andere naties zich dienen te gedragen. Maar als het op het nationale verleden aankomt, wordt de hand zelden in eigen boezem gestoken. 'Kohl heeft in Rotterdam zijn excuses aangeboden. Maar Kok geeft niet thuis als het Nederlands- Indië betreft. Ik denk dat het hem niet werkelijk interesseert. Hij is de democratische boekhouder van Nederland.'

Hier is middelmatigheid troef. Geen sprake van links, geen sprake van rechts, altijd weer neutraal en gelijk, in alles de veilige middenmoot. 'Ik mis soms de katholieke buitensporigheid, het excessieve, de grenzeloosheid.' Worden er te harde oordelen geveld? 'Ik ben streng. Heel streng.'

Als hij schrijft, kan hij de geschiedenis naar zijn hand zetten. 'Maar ik ben niet een god die eigenmachtig de historie herschrijft. Ik voel me vooral verbonden met de personages. Die moeten zo authentiek mogelijk zijn.'

Op het omslag van Westerling - het libretto verscheen deze week, uitgebreid met een Tijdtafel, in boekvorm bij uitgeverij Prometheus - staat dat Boomsma zijn tekst schreef als bijdrage aan de discussie over Nederlands-Indië. 'Het gevaar van zo'n opmerking is dat het libretto daarmee gereduceerd wordt tot een historisch-politieke tekst. Westerling is er niet gekomen omdat we zonodig actueel wilden zijn. Dit is in de eerste plaats een artistiek produkt. Literatuur stijgt boven de haastige actualiteit uit.'

De discussie over het engagement in de literatuur vindt hij oppervlakkig. 'Dat de een estheet en de ander ethicus zou zijn is een schijn-overzichtelijkheid. Zo simpel zit het niet in elkaar. Couperus bijvoorbeeld was een geëngageerd schrijver. Misschien is zijn Stille Kracht zelfs geëngageerder dan de Max Havelaar.'

Als Graa Boomsma zijn verhalen en romans schrijft, trekt hij zich niets aan van vooroordelen en verwachtingspatronen. Ook dagdroomt hij niet over momenten dat de inspiratie zijn slag slaat. 'Dat die de bron van het schrijverschap zou zijn is een cliché. Inspiratie is een flits die je moet opmerken in een onbewaakt ogenblik.' Liever concentreert hij zich vastberaden op zijn eigen preoccupaties. 'Gewelddadigheid op geestelijk en lichamelijk niveau is altijd mijn grote fascinatie geweest. Begrippen als moed en lafheid zijn dan belangrijk.'

Het zijn de motieven in romans als Het hoedelint van de duivel (1991) en Clio's kamer (1994). De personages reconstrueren het eigen verleden, soms met grote moeite. Want het verleden kan een verraderlijke vijand zijn, het springt plotseling op je nek. 'Je moet het ontrafelen om te weten te komen hoe je degene bent geworden die je nu bent. Er zijn altijd dramatische knooppunten geweest die het karakter een knauw hebben bezorgd. Zodat het een wond kreeg.'

In het beste geval wordt het verleden afgeschud. Vroeger dacht Boomsma nog wel eens dat hij met de publikatie van een roman een daad had verricht, duidelijk en resoluut. In euforie meende hij de valkuilen van vroeger voortaan te kunnen mijden. 'Maar het is nogal aanmatigend om dat te veronderstellen. Wie kent zichzelf voor honderd procent?'

Het verleden dat hem steeds weer op de nek springt is dat van de knellende familiebanden. 'Soms knellen ze meer, soms minder dan anders, maar ze blijven altijd bestaan. Je dompelt er in onder. Je kunt ze niet uit je leven bannen.'

Boomsma groeide op in een dorp in de kop van Noord-Holland. Bij zijn grootouders las hij kloeke, gebonden streekromans, waarvan hij onder de indruk was. Die verhaalden immers over gewelddadigheden en familievetes. De jonge Boomsma herkende er zijn werkelijkheid in. Later pas, toen hij W.F. Hermans las, onderkende hij de kracht van de verbeelding. Hij besloot Nederlands en Engels te gaan studeren en wijdde zich ten slotte aan het schrijverschap. 'Op een gegeven moment valt alles in een groef en heb je de smaak voorgoed te pakken.'

Eerder dit jaar verscheen, in de bundel De geest van lavendel, het verhaal De Atjeh-knoop. Daarin haalt de hoofdpersoon, tijdens een taxi-rit, behoedzaam en begripvol herinneringen op aan het Indië-verleden van zijn zojuist overleden vader. Ook Boomsma's eigen vader liet zich, als zoveel andere soldaten, eind jaren veertig naar Nederlands-Indië verschepen om er de eer van het vaderland te redden. Terug in Nederland werd er over de drie grimmige jaren nauwelijks iets gezegd. Boomsma was, zegt hij, nog volop met zijn vader in gesprek toen deze, net als de vader uit De Atjeh-knoop, in 1977 overleed. 'Het verhaal is het resultaat van tien tot vijftien jaar gesprekken die soms, en altijd in flarden, werden gevoerd. Veel heb ik onthouden, veel schreef ik op in het dagboek dat ik vanaf mijn vijftiende bijhield.'

Boomsma dwong zich, tijdens het schrijven van zijn verhaal, tot identificatie met de vader-figuur. 'Daardoor heb ik mijn vader beter leren begrijpen. Vroeger was ik niet bereid me in zijn werkelijkheid te verplaatsen. Ik voelde vooral boosheid en verbittering. Nu zie ik in dat ik hem heb onderschat. Hij heeft veel dingen voor mij opgeruimd. Het christelijk-historische erfgoed, bijvoorbeeld. Ik hoefde me niet te verweren tegen de intolerantie van de godsdienstbeleving.'

Met De Atjeh-knoop rondde Boomsma een periode uit zijn leven af. 'Ik heb het gevoel dat ik mijn vader nog een keer, en nu voorgoed, ten grave heb gedragen. Over hem ben ik uitgesproken. Het materiaal is uitgeput.'

Maar je weet het nooit zeker. Om met de historicus Von der Dunk te spreken: het verleden is geen lade in het bureau die je op slot kunt doen. 'Het scheelt als je je dat realiseert. Dan blijf je waakzaam. Schrijven is een activiteit die onveilige kanten moet hebben. Als je besloten hebt hoe de wereld in elkaar steekt, houd je op met nadenken. En kun je net zo goed ophouden met schrijven. Het is de dood in de pot.'

Zijn kinderen - een tweeling van bijna vijf - wil hij nog niet lastigvallen met onzekerheden en twijfels. 'Nu schiet ik even in mijn rol van vader.' Hun schotelt hij, als hij voorleest uit Winnie de Poeh, speelse taalspelletjes voor. 'Ik stel me protectionistisch op. Die gewelddadige troep op televisie hoeven ze niet te zien. De ellende komt later wel. Je moet niet alles tegelijk willen aanbieden.'

Er valt, niet voor de eerste keer die middag, een stilte. Boomsma is verheugd dat hij de gelegenheid krijgt zijn gedachten weloverwogen te formuleren. 'Op televisie moet je meteen zo concreet zijn.'

Hij zocht, en vond de woorden die zijn vader niet kende. 'Ik kom uit een zwijgzame familie. Thuis werd eerder gereageerd met een eeltige hand dan met een afgewogen monoloog.'

Maar over sommige zaken kan, ook nu, beter gezwegen worden. Aan het proces dat hem, vanwege een uitspraak in een interview, door oud-Indië-gangers werd aangedaan, wil Boomsma geen woord meer wijden. Luister naar wat in de openingsscène van Westerling wordt gezegd: Ach, als woorden kogels waren,/ dan hadden wij geen leven meer.

mailIcon print | |