*

 
dossier

Archief

Onderwijs past in geen enkel keurslijf

JOB COHEN − 06/03/95, 00:00

De Wetenschappelijke Raad voor de Regering (WRR) heeft aangeraden universitaire studies breder en daardoor academischer te maken. Job Cohen zet hier zijn vraagtekens bij....

IEDEREEN heeft onderwijs gehad, en daarom heeft iedereen er verstand van. Dat is één van de redenen waarom zo velen zich mengen in het debat over het hoger onderwijs, en bovendien één van de redenen dat er zoveel diametraal tegenover elkaar staande meningen worden geuit. Wat mij daarbij vaak opvalt, is dat standpunten nogal eens zijn terug te voeren op eigen ervaringen uit het naaste maar soms ook verre verleden.

Neem Rick van der Ploeg, opgeleid in het Angelsaksische stelsel, en daarvan een fervent voorstander, zoals wij hebben kunnen lezen (Forum, 23 februari) in zijn reactie op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor de Regering (WRR). Of neem Hans Adriaansens, een van de belangrijkste auteurs van dat rapport. Hij is decaan van de sociale faculteit in Utrecht, een faculteit die al voor een niet onbelangrijk deel in de praktijk brengt wat de WRR voorstelt. Met name op een kernpunt uit dat rapport, te weten de academische vorming.

Dat is, geloof ik, nog een van de lastigste problemen van ons hoger onderwijs: iedereen kijkt ernaar vanuit zijn eigen ervaringen en achtergronden, en redeneert daarvan uit over het hele bestel - alsof dat bestel niet allerlei totaal van elkaar verschillende disciplines bevat, met totaal verschillende docenten en totaal verschillende studenten.

Alleen al om die reden geloof ik niet zo in een belangrijk uitgangspunt van het rapport van de WRR, namelijk het uitgangspunt dat je op basis van heldere doelstellingen een helder model kunt ontwikkelen.

Dat klinkt buitengewoon rationeel, maar het gaat voorbij aan wat ik zojuist schreef, namelijk dat je er niet in kunt slagen in één model zoveel totaal uiteenlopende mensen, ideeën en disciplines onder te brengen.

Het rapport bepleit handhaving van het stelsel met een wo- en een hbo-poot, maar binnen dat stelsel moet vooral de wetenschappelijke poot grondig veranderen, en wel in een eerste fase van drie jaar die zich vooral richt op 'academische vorming' , en die wordt gevolgd door professionele en wetenschappelijke opleidingen. In het hbo verandert niet veel. Nu ontgaat mij waarom de WRR voor alle hbo-opleidingen vier jaar uittrekt voor havo-abituriënten. Is nu niet net één van de problemen van het huidige stelsel dat de uniforme cursusduur zo knelt?

Bij de toetreding van het hbo tot het hoger onderwijs werden allerlei opleidingen, met daarvóór een kortere cursusduur, allemaal op vier jaar gezet. Was dát nodig en nuttig?

Voor het wetenschappelijk onderwijs verandert er zoals gezegd wel veel. Het belangrijkste argument daarvoor is dat de doelstelling van de academische vorming nu niet behoorlijk uit de verf komt: de opleidingen zijn te zeer gericht op het specifieke. Vooral de wetenschappelijke beroepen.

Daarom zouden de opleidingen van de eerste fase juist veel breder moeten worden. De WRR wijdt mooie en leesbare passages aan deze academische vorming, houdt het dus niet bij wat abstracte begrippen. Maar moet dat nu voor alle disciplines gaan leiden tot een academie met een uniforme cursusduur van drie jaar, waarbij de studie wordt gecentreerd rond een hoofdvak met een aantal bijvakken?

Zeker, ik kan me dat bij allerlei disciplines best voorstellen, maar moeten we die weg óók volgen als het gaat om bijvoorbeeld ingenieurs en dokters? Kenmerkend voor déze beroepen is nu net dat allerlei verschillende disciplines van meet af aan met elkaar in verband moeten worden gebracht. De hele discussie over de noodzaak van vijfjarige ingenieurs-opleidingen concentreerde zich rond het feit dat het daar niet alleen ging om verschillende disciplines, maar ook om het zogeheten construerende vermogen dat studenten vanaf het allereerste begin van hun opleiding zouden moeten leren. Van opleidingen met zulke nogal gecompliceerde doeleinden kan niets terechtkomen als we de WRR-knip van drie jaar vorming invoeren, met pas daarna een beroepsopleiding.

De gedachte aan wat bredere studies spreekt mij wel aan; alleen ben ik er niet zo van overtuigd dat de situatie nu zo treurig is als de WRR beschrijft. Er zijn ook nu al heel wat breder opgezette studies, al geef ik onmiddellijk toe dat het er meer zouden kunnen zijn, en al is het waar dat er ook zeer specifieke studies zijn.

Maar deugt dat dan niet? Zijn er in die enorme diversiteit aan studenten, niet tal van lieden die zo'n specifieke opleiding juist graag willen volgen - en daar óók banen mee vinden? En kennen we niet ook nu al studenten die op basis van hun wat bredere opleiding juist moeilijk banen vinden?

HIER raak ik aan een punt waar het WRR-rapport, in een roes van het fraai ontwikkelde eigen stelsel, werkelijk lichtzinnig over serieuze problemen heen dendert. Na drie jaar academie met academische vorming gaat zo'n 50 procent verder met het volgen van een beroepsopleiding, in professionele scholen of onderzoeksscholen. En die andere 50 procent? Die gaat gewoon werken, want zegt de WRR, 'in toenemende mate ontwikkelt het bedrijfsleven momenteel de mogelijkheid om academisch geschoolden via stages en trainee-posities de specifieke kennis en ervaring te laten opdoen die voor het functioneren in de desbetreffende organisaties nodig is.'

De lichtzinnigheid blijkt hier treffend. Met zo'n zin kun je niet over dit probleem heen lopen. Als het al juist is dat stageplaatsen en trainee-posities meer en meer voorkomen, dan ben ik er absoluut niet van overtuigd dat die praktijk zonder meer voortgezet zal worden met mensen die nog jonger zijn dan de huidige afgestudeerden. Anders dan wij bij de invoering van de vierjarige cursusduur indertijd verwachtten, was het afnemende beroepsveld helemaal niet zo gecharmeerd van al die jonge en levens-onervaren afgestudeerden.

Bovendien is het een open vraag of de beoogde werkgevers zo blij zullen zijn met onze algemeen gevormden - die ongetwijfeld op moordende concurrentie kunnen rekenen van degenen die wel een professionele scholing konden laten volgen op hun academische vorming. Ook Rick van der Ploeg is hier van eenzelfde lichtzinnigheid, met opnieuw een verwijzing naar zijn uit eigen ervaring bekende Engeland.

Bachelors komen daar prima aan de bak, zegt hij; alsof die situatie vergelijkbaar zou zijn! Het aantal studenten dat daar universiteiten bezoekt is aanzienlijk lager dan in ons land. Daarom zou op zijn minst grondig onderzocht moeten worden of er werkelijk een brede vraag is naar academische vorming als eindopleiding, wil men überhaupt serieus nadenken over de WRR-voorstellen.

Kortom, de WRR legt ons een uniform stelsel voor, waar wij nu net geen behoefte aan hebben. Het hoger onderwijs met al zijn verschillende disciplines, met al zijn verschillende beroepsopleidingen, met al zijn totaal verschillende docenten en studenten is zo veelvormig, dat we niet opnieuw in de val van uniformiteit moeten trappen.

Daarom zie ik meer in de aanbevelingen van de commissie-De Moor, die veranderingen zoekt in grotere selectiviteit zonder selectie aan de poort (en daar nog eens de bekende, maar daarom niet minder juiste argumenten voor aanvoert), en op een verstandige manier toch enige ruimte wil creëren om af te wijken van de uniforme cursusduur.

Dat voorstel van de commissie-De Moor is eens te meer verstandig omdat het ons niet opzadelt met de hoge transitie-kosten die inherent zijn aan het WRR-voorstel. Het stelsel van de WRR brengt immers met zich mee dat alle opleidingen moeten worden geherprogrammeerd, dat sommige opleidingen (de kundes, bijvoorbeeld bestuurskunde, bedrijfskunde) uit de academie en naar de professionele scholen moeten, en tenslotte dat een opleidingen als de juridische opleiding verdwijnt om terug te komen als professionele opleiding. Dat gaat dus allemaal een enorme hoop geld kosten.

NU valt op het argument van de transitie-kosten best iets af te dingen. Wanneer je van mening bent dat het WRR-voorstel absoluut noodzakelijk is om het stelsel van hoger onderwijs niet op termijn in te laten storten, dan is het natuurlijk beter om de transitie-kosten nú voor lief te nemen.

Maar dan moet je ook werkelijk van oordeel zijn dat het niet anders kàn, ook al weet je dat de transitie-kosten van de vorige verandering van nog geen vijftien jaar geleden nog maar nauwelijks achter de rug zijn.

Job Cohen is rector magnificus van de Rijksuniversiteit Limburg; in het laatste jaar van het kabinet Lubbers-Kok was hij als staatssecretaris belast met het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

mailIcon print |