Het tekstboek dat de cd Sacrificium van de Italiaanse mezzosopraan Cecilia Bartoli begeleidt, verdient nadere studie en lof. Behalve het libretto bij de aria’s uit de achttiende eeuw, gecomponeerd voor castraten (daar waren scholen voor, in Napels werden jaarlijks een paar duizend jongens tussen hun achtste en twaalfde jaar van...
Daar zonk ik in weg, terwijl Cecilia haar recital begon. Na de twaalf aria’s had ik het lexicon uit, zodat ik de bonus-cd ook daadwerkelijk als toegift ervoer, met als culminatie Sposa, non mi conosci van Giacomelli. Een man alleen zingt zich in 10 minuten en 11 seconden naar de dood toe. Met de stem van Bartoli wordt dat een slotakte om stil van te worden.
Hoe zou die aria hebben geklonken in Venetië anno 1734, met een castraat als zanger? Onbehaarde fluwelen mannen met stemmen als geslepen juwelen, in staat om eindeloze coloratuurritsen voort te brengen? Ik las over Filippo Balatri uit Pisa, die in 1691 als cadeautje naar Peter de Grote werd gestuurd (‘Moet je dit zien, en horen!’), die hem weer als attractie op de Wolga zette richting de Khan van Kalmukkië.
Ook verbaasde mij de anekdote over castraat Tenducci, die een vrouw en kinderen had – met dank aan een derde testikel die aan de operatie zou zijn ontsnapt. Hoe kon dat? Heeft die chirurg maar tot twee geteld, volgende patiënt (‘Successivo!’), zonder het zaakje even langs te lopen? (‘Caro Dio! Un ballo in maschera!’)
Farinelli (1705-1782) spreekt het meest tot de verbeelding, de legendarische zanger die door de depressieve koning Filips V van Spanje te hulp werd geroepen. De vorst lag onmachtig te bed. Farinelli zong hem weer tot leven en regeren, en moest vervolgens tien jaar lang exclusief voor de koning zingen. Elke nacht van twaalf tot vier, en elke nacht dezelfde vier aria’s.
Da capo al fine.
Wat hoorde Filips? We weten het niet. Een stem ‘van een schrijnende schoonheid’, schrijft Margriet de Moor in haar castratenroman De virtuoos (1993), ‘een stem die beweegt, bedwelmt, die getuigt van een wereld buiten de wereld maar niettemin toebehoort aan een lichaam als elk ander: warm, vol duistere verlangens.’ Zoiets moet het zijn geweest.
De Beierse keizer Ludwig II liet een Shakespeare-acteur nachten lang aan zijn bed komen declameren. Zulke anekdotes worden geregeld aangehaald als bewijzen van idiotie. Maar als ik moest kiezen tussen een koning die alles weet van watermanagement, of eentje die weet wat het betekent om door kunst te worden bedwelmd, dan wist ik het wel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.