AMSTERDAM - De zaak van Floor van der Wal is een recent voorbeeld van een beslissing van justitie die op onbegrip stuitte. Mohamed S. reed op 25 maart vorig jaar de 26-jarige cabaretière dood. Het Openbaar Ministerie eiste vier jaar onvoorwaardelijke celstraf wegens doodslag.
S. kreeg een straf van achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk, en werd vrijgesproken van doodslag. Hij werd begin februari vervroegd vrijgelaten, zes weken eerder, als onderdeel van een reïntegratieprogramma. Hij had toen ruim zes maanden vastgezeten.
De vader van Van der Wal vertelde aan Het Parool dat hij een 'onverteerbare oneerlijkheid' voelde. 'Het OM had vier jaar geëist en wij hadden het gevoel dat dit een reële strafeis was. De uitspraak maakte ons woedend, maar de officier van justitie legde zich erbij neer en tekende geen beroep aan', zegt Van der Wal. Dat S. nu na ruim vier maanden vrij is, kan hij moeilijk verkroppen. 'Die gast is nauwelijks uit de samenleving geweest!'
In een reactie op de zaak-Van der Wal zei Fred Teeven, staatssecretaris Veiligheid en Justitie: 'Natuurlijk kun je zeggen dat de laatste zes weken niet meer uitmaken, maar dat doet geen recht aan wat de ouders van dat meisje hebben meegemaakt.'
Bénédicte Ficq, de advocate van Mohamed S., gaf het Openbaar Ministerie de schuld van de commotie, omdat de eis volgens haar veel te hoog was. 'Het OM schept daarmee een verwachtingspatroon bij de nabestaanden, bij de maatschappij en bij de media. Ze wisten dat dat niet zou lukken en gingen niet in hoger beroep', aldus Ficq. In verkeersstrafzaken worden mensen in het algemeen veroordeeld voor dood door schuld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.