*

 
dossier

Archief

Ieder beest zijn eigen karakter

ROB RAMAKER − 11/06/11, 00:00

Is de persoonlijkheid van dieren een menselijke projectie? Steeds meer biologen denken van niet. Er zijn brutale en schuchtere inktvissen, koolmezen, en zelfs gisten. En dat zet zelfs de evolutie in een ander licht.

Toen acteur Mickey Rourke in 2009 een Golden Globe won, loofde hij in zijn dankwoord zijn hondje. De onvoorwaardelijke liefde van het dier had hem door veertien deprimerende jaren gesleept. We gaan meestal niet zo ver als Rourke, maar ieder baasje schrijft zijn huisdier menselijke karaktertrekken toe, zoals nieuwsgierigheid en hebzucht.

Wetenschappers hielden zich altijd verre van deze 'vermenselijking'. Ten onrechte, zo blijkt de laatste jaren. Dierpersoonlijkheden lijken de regel en niet de uitzondering.

Dat niet alleen huisdieren karakter bezitten, blijkt uit studies als die aan de Tasmaanse inktvis. Australische wetenschappers prikten daarbij met een pipet in de tentakels van de inktvisjes. Sommige dieren vluchtten onmiddellijk, andere wachtten af of gingen in de aanval. Na de prik reageert elk individueel dier consequent hetzelfde. Bovendien gedroegen de 'dapperen' en 'lafaards' zich ook voorspelbaar in andere situaties.

Het gaat niet alleen om inktvissen. In het hele dierenrijk vinden biologen persoonlijkheden. Bij stekelbaarzen, hyena's en koolmezen, maar ook bij insecten en slakken. 'Eigenlijk bij welke soort ook maar bekeken wordt,' aldus pionier op het gebied van dierkarakters Niels Dingemanse, onderzoeker van het Max Planck instituut voor ornithologie te Seewiesen, Duitsland.

Evolutie
Het onderzoek naar persoonlijkheden begint ook wetenschappers op andere terreinen te beïnvloeden, zoals evolutie. 'Door karaktervariatie kan evolutie veel sneller verlopen dan werd gedacht,' vertelt Franjo Weissing, hoogleraar theoretische biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en bedenker van een model dat het bestaan van dierpersoonlijkheden verklaart.

'Je hebt variatie nodig voor evolutie, en die is beperkt door de mutatiesnelheid waarmee nieuwe varianten ontstaan. In geval van persoonlijkheden zijn er al goede varianten binnen de populatie,' zegt Weissing. Bij veranderde omstandigheden kan een soort zich in twee tot drie generaties aanpassen in plaats van duizend.

Het is nog speculatief, maar persoonlijkheden hebben potentieel implicaties voor natuurbescherming. Ze bepalen mede of een soort flexibel genoeg is om zich aan te passen aan klimaatverandering of versnippering van een natuurgebied. Weissing ziet dat in zijn wiskundige vergelijkingen wanneer hij karakters introduceert in een populatie. Veldexperimenten moeten aantonen of dit in de realiteit ook opgaat.

Het onderzoek naar de dierkarakters zelf onthult dat deze in complexiteit nauwelijks onderdoen voor hun menselijke equivalent.

Het best onderzocht is de koolmees: 'Wij vinden hier een breed scala aan gedragingen,' zegt Kees van Oers, die promoveerde op koolmeespersoonlijkheden en nu onderzoeker is aan het Nederlands instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) in Wageningen. 'Het gaat om hoe de dieren leren en deze kennis omzetten naar nieuwe omstandigheden.'

De variatie in persoonlijkheid blijkt voor 20 tot 40 procent erfelijk. Van Oers schat dat voor een tiende hiervan de achterliggende genen zijn gevonden. In zijn huidige onderzoek probeert hij variatie te verklaren. Hij zoekt daarvoor bij grote aantallen koolmezen naar verbanden tussen genvariaties en specifieke karakters.

Ook vanuit andere invalshoeken stortten steeds meer biologen zich op dierpersoonlijkheden. Dingemanse vertelt enthousiast hoe hij 200 tot 300 broedende koolmezen volgt in de vrije natuur van Zuid-Duitsland. Hij vraagt zich af hoe de frequentie van karakters in een populatie het succes van specifieke individuen beïnvloedt.

Bij een andere set proefjes moesten deelnemende vogels eerst een taak leren. Hierbij vallen de exemplaren af die niet snel genoeg leren. Destijds werd het schouderophalend genoteerd, nu blijken dit langzaam lerende vogels.

De nieuwe inzichten zorgen ook voor vraagtekens rond ouder onderzoek. 'In sommige gevallen hebben we maar een klein deel van de variatie bekeken,' zegt Van Oers.

Eenden
Sommige curieuze observaties zijn plotseling verklaarbaar. De bioloog Sara Shettleworth deed in de jaren negentig proeven waarbij haar studenten aan weerskanten van een vijver eenden voerden. Aan de ene zijde was de hoeveelheid voer twee maal zo groot en verzamelde zich ongeveer tweederde van de eenden. Wanneer ze de hoeveelheid voer omdraaide voor de oevers, stak een aantal eenden over en herstelde de verhouding zich. Shettleworth begreep destijds niet waarom bij het herhalen van de proef altijd dezelfde - nieuwsgierige - eenden overzwommen.

Hoe konden zulke duidelijke observaties van dierpersoonlijkheden zo lang worden gemist?

Ten eerste was het 'vermenselijken' van diergedrag onacceptabel voor wetenschappers. Ook de manier waarop gedrag werd bestudeerd droeg bij: 'Gedragsbiologen bekeken een soort doorsnee dier,' zegt de theoretisch bioloog Weissing. 'Ze bestudeerden dus het gemiddelde gedrag, maar in werkelijkheid kan dat individueel sterk afwijken.'

Van Oers beaamt dit: 'Vroeger zag men variatie in gedrag tussen individuen als ruis. Er is een optimale manier om iets te doen, dus iedereen die afwijkt is fout.' Biologen observeerden individuele dieren bovendien te kort. Als er toch karaktertrekken werden geobserveerd, ontbrak het aan theorieën en termen om observaties systematisch te beschrijven.

Weissing heeft nooit getwijfeld dat dierpersoonlijkheden bestaan: 'Ik kom van een kleine boerderij, daar ken je alle dieren van dichtbij.' Wel had hij twijfels of de vroege onderzoekers wel echt naar karakters keken: 'Variatie moet groot genoeg en systematisch zijn, stabiel over tijd en hetzelfde in verschillende contexten. In de begintijd voldeed het gedrag nooit aan alle drie criteria.'

Model
In 2007 was Weissing de eerste bioloog die een wiskundig model bedacht om de variatie in risicozoekend en -mijdend gedrag te verklaren. In zijn vergelijkingen is wat individuen te verliezen hebben bepalend. Dieren die in de toekomst nog veel nageslacht verwachten, gedragen zich voorzichtiger dan individuen zonder vooruitzichten. Weissing: 'In menselijke termen heb ik als hoogleraar bijvoorbeeld veel te verliezen: een huis, goed salaris en een mooie auto. Toen ik nog student was, was dat niet zo.'

Een onbeantwoorde vraag over dierpersoonlijkheden is welke voorwaarden nodig zijn om ze überhaupt te laten ontstaan. Het ligt voor de hand dat het gunstigste gedrag onmiddellijk wordt geselecteerd en er geen ruimte is voor meerdere typen persoonlijkheden.

Dingemanse vond in zijn veldwerk met stekelbaarzen aanwijzingen dat omgevingsfactoren - in het bijzonder de aanwezigheid van natuurlijke vijanden - essentieel zijn.

Ook de gebrekkige flexibiliteit van gedrag geldt als een kandidaat. Wanneer organismen zich in elke omstandigheid kunnen aan te passen is er geen noodzaak voor 'specialisatie' in persoonlijkheden. 'Maar exact aangepast zijn is onmogelijk,' zegt Weissing. 'Elke mens komt tienduizenden uitdagingen tegen. Je zou hier honderdduizenden genen voor nodig hebben en dat is onmogelijk gezien de beperkingen van het genoom.'

Persoonlijkheidstest voor koolmezen

Wetenschappers van het Nederlands instituut voor ecologie in Wageningen gebruiken verscheidene persoonlijkheidstests voor koolmezen. Hoe snel vogels nieuwe omgevingen verkennen, wordt bijvoorbeeld getest door een mees in een onbekende kamer te brengen. Hierin staan vijf 'bomen' - stokken met enkele zijtakken. De onderzoekers meten vervolgens hoe snel de vogel op vier van de vijf bomen landt.

Een schriktest meet de risico's die koolmezen nemen voor voedsel. Ze worden in een kamer geplaatst waar een bord met wormen staat. Na het grijpen van een eerste worm verorberen ze hem verderop. Als ze voor de tweede keer landen, laten de onderzoekers hen schrikken met het snel omhoogbrengen van een ijzeren plaatje. Hoe snel een opgeschrikte vogel terugkeert naar het 'gevaar' geeft aan hoeveel risico's het dier wil nemen.

Ook buiten het laboratorium worden zulke proefjes gedaan. Dat heeft als voordeel dat ze licht werpen op het natuurlijke gedrag, maar er moet weer rekening worden gehouden met omgevingsfactoren, zoals voedselaanbod en begroeiing. Buiten bekijken biologen bijvoorbeeld de reactie op een concurrerende mees nabij het nest. Koolmezen kunnen hierop reageren met agressie of juist door te vluchten.

mailIcon print |