*

 
dossier

Archief

Verschil tussen rijk en arm enorm in Arabische wereld

Peter de Waard − 21/02/11, 00:00

AMSTERDAM Geen regio in de wereld is zo afhankelijk van de prijzen van grondstoffen en voedsel als de Arabische wereld. De 22 landen, die de zogenoemde Arabische Liga vormen, behoren tot de grootste exporteurs van olie en gas in de wereld. Tegelijkertijd zijn ze een van de grootste importeurs van landbouwproducten.

De enorme prijsstijging van grondstoffen en voedsel sinds de kredietcrisis heeft de Arabische landen kwetsbaar gemaakt. De dure olie en gas is maar bij een klein aantal landen geconcentreerd, met name die langs de Perzische Golf.

De stijging van de voedselprijzen is in de arme landen het meest voelbaar en heeft daarom ook als een lont in een kruidvat gewerkt. De Arabische landen zien zichzelf in de meeste gevallen nog als onwikkelingslanden. Van de 22 leden van de Arabische Liga hebben er maar zes een bbp van meer dan 15 duizend dollar (11 duizend euro) per inwoner.

De welvaartsverschillen onderling zijn enorm. Het golfstaatje Qatar is dankzij zijn enorme gasvoorraden met Monaco, per inwoner een van de allerrijkste landen in de wereld. Maar de eilandengroep Comoren, Somalië, Djiboeti, Jemen en Soedan behoren tot de twintig allerarmste landen in de wereld.

In de afgelopen tien jaar is de economie in de Arabische landen snel gegroeid. In 2000 was het gezamenlijke bbp nog niet groter dan dat van Spanje. Nu benadert het dat van Duitsland. Een van de redenen is het gestegen opleidingsniveau. Volgens de World Economic Forum die jaarlijks een onderzoek doet naar het opleidingsniveau, is het analfabetisme afgenomen van 61 procent tot 27 procent. 'Opleidingsniveau is niet allesbepalend voor de welvaart, maar ook voor de sociale ontwikkeling en het politieke besef. Kinderen van ouders die zijn opgeleid, zijn niet alleen gezonder, ze zijn ook sociaal, meer mobiel en hebben een grotere wens om politiek te participeren', aldus Margareth Drezniek Hanouz van het World Economic Forum. Zij was een van de opstellers van het rapport dat net uitkwam voordat de eerste opstand in Tunesië begon.

Van de 55 dictaturen die er zijn in de wereld volgens The Economist Intelligence Unit, horen er 16 tot de Arabische Liga. Elk jaar voert deze denktank ook een onderzoek uit naar de kwetsbaarheid van dictaturen. Dit onderzoek is gebaseerd op 14 indicatoren zoals het bbp per inwoner, de inflatie, de werkloosheid, demografie en internet-aansluitingen.

Van de tien dictaturen die het meeste kans hadden om in 2011 ten onder te gaan, waren er zeven in de Arabische wereld. Op nummer een stond Jemen. Binnen twee maanden nadat dit onderzoek werd gepubliceerd, zijn de nummers twee en drie (Egypte en Tunesië) al verdwenen.

In de afgelopen tien jaar hebben de Arabische landen geprobeerd de afhankelijkheid van grondstoffen af te laten nemen. Zo werd in verschillende landen geïnvesteerd in nieuwe industrieën. Sinds 2000 konden de 22 landen hun staalproductie verdrievoudigen. Ook kwam een grote communicatiesector tot stand en nam het toerisme explosief toe. Ook de infrastructuur werd sterk verbeterd door bijvoorbeeld de aanleg van een 7.000 kilometer lange snelweg van Maurentanië naar de grens van Libië.

The World Economic Forum berekende dat de infrastructuur in de Arabische wereld niet onder doet voor het gemiddelde in de OESO-landen, de club van 24 rijke landen. Maar ook hier zijn er onderling grote verschillen.

Qatar, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Oman en ook Tunesië en Bahrein wisten op de wereldmarkt hun concurrentiepositie te verbeteren. Libië, Egypte en Jordanië zagen hun concurrentiepositie juist verslechteren.

mailIcon print |