Tien december 1948 mag gerust een mijlpaal worden genoemd in de geschiedenis der mensheid. Op deze dag werd door de Verenigde Naties de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens ( AVRM) afgekondigd, die vooral een reactie was op de totale minachting voor deze mensenrechten tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Artikel 1 van deze verklaring onderstreept het fundamentele uitgangspunt, dat alle mensen vrij zijn geboren en gelijk qua rechten en waardigheid. Deze gelijkheid qua rechten wordt in artikel zeven juridisch gespecificeerd in de bevestiging dat alle mensen zonder onderscheid recht hebben op gelijke bescherming door de wet.
Het was de overtuiging van de Verenigde Naties dat deze principes van gelijkheid en onvervreemdbare gelijke rechten voor allen de basis vormden voor gerechtigheid en vrede in de wereld.
Deze Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens stond los van iedere religieuze of culturele context omdat de menselijke natuur, ondanks alle aanwezige religieuze en culturele verschillen, één werd geacht. De interculturele consensus hierover gaf de AVRM universele geldigheid en maakte deze verklaring bindend onder internationaal recht.
Aan deze universele geldigheid van de mensenrechten wordt echter sinds enkele decennia steeds openlijker getwijfeld.
In het na-oorlogse optimisme van 1948 leefde de overtuiging, dat de onvervreemdbare rechten van de mens wereldwijd geïmplementeerd konden worden om aldus de basis te leggen voor vreedzame en rechtvaardige samenlevingen.
Anno 2010 kan men zich helaas steeds moeilijker aan de indruk onttrekken, dat integendeel precies het tegenovergestelde gebeurt en dat de principes van vrijheid en gelijkheid geleidelijk aan worden afgebroken in de vrije wereld, waar ze haar oorsprong vonden. Onder het absurde motto dat vrijheid op gespannen voet zou staan met de mensenrechten.
Sinds 1980 werd de aanval op de mensenrechten van twee zijden ingezet: enerzijds door de vergadering van de zogenaamde niet gebonden landen en anderzijds door de Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC), die 57 islamitische landen vertegenwoordigt. Vooral deze OIC doet sinds jaren verwoedde pogingen om de AVRM systematisch af te zwakken of fundamenteel te wijzigen.
Uitgangspunt hierbij is dat de universele geldigheid van de mensenrechten, zoals verwoord in de AVMR wordt verworpen en wordt geïnterpreteerd als een westers seculier concept van joods-christelijke origine, dat op gespannen voet zou staan met eigen islamitische traditie.
Het Westen zou hierbij misbruik maken van haar hegemonie om dit concept andere culturen dwingend op te leggen.
Hiermee werd een proces in gang gezet om de verklaring over de mensenrechten stelselmatig te reviseren in het licht van de islamitische wet oftewel de sharia.
De aftrap hiervoor werd op 19 september 1981 gegeven door de Islamraad Europa die met een algemene verklaring over de rechten van de mens in de islam naar buiten kwam.
Deze verklaring begon met de bewering 'dat de islam de mensenrechten veertien eeuwen geleden bij wet (sharia) heeft gecodificeerd'. De islam heeft de mensenrechten dus feitelijk uitgevonden.
Vervolgens werkten de 57 landen van de OIC dit principe in 1990 verder uit in hun 'Verklaring van Caïro over de mensenrechten in de islam'. De verklaring van Caïro maakt duidelijk, dat ze bedoelt is als leidraad voor de 57 islamitische lidstaten, die de sharia als belangrijkste of enige bron van hun wetgeving hebben.
De verklaring van Caïro stelt in haar preambule dat God de islamitische oemma (gemeenschap) geschapen heeft als de beste der naties, geleid door Gods perfecte wet ( de sharia) en dat deze perfectie de islamitische oemma verplicht om de mensheid te leiden.
Deze perfectie betekent anderzijds natuurlijk ook dat ze niets kan ontlenen aan andere culturen omdat deze per definitie minder perfect zijn. Gods perfectie, zoals gevonden in de sharia kan uiteraard niet vergeleken worden met zoiets als de AVRM die slechts mensenwerk is.
In de verklaring van Caïro worden de mensenrechten ingekaderd binnen het islamitisch concept van de onderwerping van de mens aan de wil van God, die haar neerslag vindt in de sharia.
Wat dit in de praktijk betekent wordt aan het einde van de verklaring duidelijk in de conclusie 'dat alle rechten en vrijheden zijn onderworpen aan de bepalingen van de sharia'. De AVRM en de islamitische sharia zijn principieel onverenigbaar omdat ze twee diametraal tegenover elkaar staande uitgangspunten hebben. De AVRM gaat uit van de fundamentele gelijkheid van alle mensen terwijl de sharia net is gebaseerd op de principiële ongelijkheid van mensen.
De ongelijkheid namelijk tussen moslim en niet moslim en de ongelijkheid tussen man en vrouw,die ook en vooral gestalte krijgt in de juridische sfeer. Zo heeft het getuigenis van een niet moslim voor een islamitische rechtbank slechts de helft van de waarde van het getuigenis van een moslim, wat het voor een niet moslim vrijwel onmogelijk maakt zijn recht te halen.
Terwijl ook het getuigenis van een vrouw slechts 50 procent van de waarde heeft van dat van een man. De sharia is een allesomvattend juridisch systeem dat alle aspecten van het leven bepaalt van zowel moslims als niet moslims, waarbij het uitgangspunt steeds de fundamentele ongelijkheid tussen beiden is.
Artikel 22A van de verklaring van Caïro benadrukt nog eens, dat de mens recht heeft op meningsvrijheid in zoverre deze niet in strijd is met de sharia. Anders geformuleerd: kritische reflectie op de sharia is niet toegestaan omdat de sharia Gods perfecte wet is wat van kritiek op de sharia kritiek op Gods perfectie maakt. Wat gelijk staat aan blasfemie die zoals bekend door diezelfde sharia beloond wordt met de doodstraf.
Toepassen van de sharia betekent het doden van afvalligen (critici), overspelige vrouwen en homoseksuelen en wel met 'goddelijke' legitimatie. Het is zorgwekkend dat de OIC de laatste jaren uiterst succesvol is gebleken in de mensenrechten commissies van de Verenigde Naties om iedere discussie te smoren over de verkrachtingen van mensenrechten in naam van de sharia.
Door de discussie hierover gelijk te stellen met het beledigen van de islam en door iedere kritiek op de sharia af te schilderen als manifestaties van islamofobie, waar het westen collectief aan lijkt te lijden en waar tot op heden nog geen medicijn tegen is uitgevonden. Hiermee wordt echter de bescherming van de rechten van individuen ondergeschikt gemaakt aan de bescherming van een religie.
Dit werd op 16 november jongsleden pijnlijk duidelijk. Op deze dag nam de derde commissie van de Algemene vergadering van de Verenigde Naties een resolutie aan met betrekking tot 'onjuridische en arbitraire executies'. In deze lijst worden altijd groepen opgenomen die extra kwetsbaar zijn zoals minderheden, verdedigers van mensenrechten en straatkinderen. De afgelopen tien jaar werd in deze resolutie van de Verenigde Naties ook altijd specifiek een verwijzing opgenomen naar executies vanwege 'seksuele oriëntatie'.
Onder zware druk echter van met name Mali en Marokko werd deze verwijzing in de resolutie van 16 november geschrapt en dat werd gesteund werd door alle 57 landen van de OIC. Waarmee de Verenigde Naties in principe hebben aangegeven, dat ze sinds 16 november het leven van homoseksuelen niet langer beschermenswaardig achten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.