*

 

Overheid, bevorder de democratische gezindheid

Micha de Winter e.a. − 05/10/07, 00:00

Democratie vergt, naast goed functionerende instituties, democratisch besef bij haar burgers. Leer het ze aan, stellen Micha de Winter e.a....

Dat we in Nederland in een democratie leven, lijkt vanzelfsprekend. Maar dat is niet zo. De samenleving is ingewikkelder geworden, door de toegenomen etnische diversiteit, individualisering en pluriformiteit. De samenleving is soms ook gespannen en ontvlambaar.

Dat niet iedereen aan democratie dezelfde betekenis toekent en dat daar vaak heftige debatten over plaatsvinden, is op zichzelf toe te juichen. Wel is het van belang dat zo veel mogelijk burgers die ‘veelvormige’ democratie welgezind zijn. Kan en mag de overheid democratische gezindheid bevorderen? Aan de vooravond van de Week voor de Democratie (zie ook Media, pagina 22, red.) presenteert de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling hierover vandaag een advies.

‘Wij moeten zorgvuldig omgaan met wat we hebben’, zei hoogleraar Herman Beck onlangs in de Volkskrant (het Vervolg, 29 september), ‘en wat we hebben is de democratie.’ Om daar aan toe te voegen dat wij Nederlanders niet erg geneigd zijn ons daarvoor op te offeren. Toch is die democratie geen vanzelfsprekend gegeven. Menselijk gedrag is niet automatisch democratisch gedrag en ook de democratische samenlevingsstructuur blijft niet vanzelf in stand. Democratie vergt onderhoud, want zij is broos en kwetsbaar.

Ofschoon enquêtes telkens weer uit lijken te wijzen dat de bevolking in meerderheid de democratie welgezind is, blijkt zowel onder als boven de oppervlakte inmiddels dat op dit rooskleurige beeld heel wat valt af te dingen. Zo heeft onderzoek in opdracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling een breed scala aan redenen aan het licht gebracht waarom 10 tot 30 procent van de burgers een onverschillige, cynische of zelfs vijandige houding heeft ten aanzien van de democratie en democratische waarden.

Sommigen zijn negatief omdat ze democratie uitsluitend benaderen als een systeem van rechten en vrijheden –‘Prima als er beslissingen worden genomen op basis van een debat, als die maar niet strijdig zijn met mijn eigen belangen’- of omdat zij het woord democratie niet kennen en er zich geen voorstelling van kunnen maken.

Anderen zijn onverschillig geworden uit wantrouwen ten aanzien van de intenties van politici (‘zakkenvullers’) of uit onvrede over het feit dat in hun ogen belangrijke beslissingen (‘buitenlanders eruit’) er nooit doorheen komen. Weer anderen zijn van mening dat democratie in Nederland synoniem staat voor inefficiënte besluitvorming, en vinden dat Nederland beter af zou zijn met een sterke bedrijfsleiding zonder inspraak.

Nu is er weinig eenstemmigheid over de vraag wat democratie eigenlijk is. In zekere zin is dat zelfs haar wezenskenmerk: hoe een democratie eruit ziet is bijna per definitie onderwerp van problematisering en debat. En daarin schuilt ook precies het verschil tussen democratie aan de ene, en dictatuur en anarchie aan de andere kant. Dictators maken korte metten met andersdenkenden, terwijl anarchie vrijwel altijd uitdraait op het recht van de sterkste. Democratie betekent in ieder geval dat burgers de staatsmacht controleren, dat rechten en plichten van burgers en overheid grondwettelijk zijn verankerd, en dat er procedures, regels en omgangsvormen zijn om op een humane, vreedzame manier met verschillen en tegenstellingen om te gaan.

De overheid wil de democratie versterken, en heeft daarbij de afgelopen jaren vooral de nadruk gelegd op de politiek institutionele dimensie. Ze heeft verschillende voorstellen gedaan om de relatie tussen kiezer en gekozene te versterken, via onder meer het kiesstelsel, het referendum en de gekozen burgemeester.

Ons gaat het hier om iets anders. Democratie kent niet alleen een politiek institutionele, maar ook een sociaal-maatschappelijke dimensie. Déze dimensie heeft in het overheidsbeleid beduidend minder aandacht gekregen. Dat is opmerkelijk, want een democratie vergt naast goed functionerende instituties ook een mate van democratische gezindheid onder haar burgers: de bereidheid democratische instituties te steunen en onderlinge relaties op een democratische manier vorm te geven.

De noodzaak na te denken over het versterken van de democratische gezindheid van burgers is evident. De Nederlandse samenleving is pluriformer, diverser en de laatste jaren ook licht ontvlambaar geworden. Dat is onmiskenbaar een van de redenen dat politici en burgers nu vragen om duidelijkheid: over de democratische waarden, over de Nederlandse geschiedenis (denk aan de canon), over de joods-christelijke traditie van Nederland (denk aan de oproep de Koran te verbieden).

Wat kan de overheid nu doen om de democratische gezindheid van burgers te vergroten? Een blauwdruk zou onwenselijk zijn, omdat die de democratische vrijheid en variatie juist zou kunnen vernietigen. Wel is het voor de overheid mogelijk situaties te scheppen die de kans op een democratische levenswijze of mentaliteit vergroten.

Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar de opvang en educatie van jonge kinderen, zoals die tegenwoordig gestalte krijgen in peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en voorscholen. In principe bieden zulke voorzieningen een uitgelezen mogelijkheid om aan democratie-ontwikkeling te doen, bijvoorbeeld door ouders actief bij de dagelijkse gang van zaken en het pedagogisch beleid te betrekken, door gesprekken te entameren over verschillende waarden en stijlen van opvoeden, en door kinderen al vroeg in aanraking te brengen met een diversiteit aan cultuuruitingen. Ook al klinkt dit vanzelfsprekend, de praktijk laat zien dat dergelijke mogelijkheden nog erg weinig worden benut. Kinderopvang is tegenwoordig een product, en ouders zijn kritische consumenten die op hun wenken bediend moeten worden. In contrast met dit geëconomiseerde beeld zouden we de opvang van kinderen ook kunnen beschouwen als een democratische praktijk waarin sociale verantwoordelijkheid, diversiteit en gemeenschapszin de kernwaarden zijn, en waarin ouders eerder actieve burgers dan gehaaste consumenten zijn. De overheid kan zo’n ontwikkeling faciliteren, bijvoorbeeld door eventuele privatisering zo vorm te geven dat ook het algemeen belang (lees: het bevorderen van democratie) een belangrijke doelstelling wordt.

Voor de vroeg- en voorschoolse educatie (het bijspijkeren van peuters met taalachterstand) geldt een vergelijkbaar verhaal. Ook hier liggen de mogelijkheden voor democratie-ontwikkeling voor het oprapen, ware het niet dat de overheid op dit gebied juist steeds meer is gaan bevoogden en zo actief burgerschap eerder afremt dan bevordert.

Democratische gezindheid ontwikkelt zich het beste wanneer burgers ook daadwerkelijk de kans krijgen haar te praktiseren. Daarvoor is het nodig te investeren in maatschappelijke contexten waar burgers democratische gezindheid tot uitdrukking kunnen brengen; naast opvoedkundige contexten kan dat bijvoorbeeld ook gaan om de buurt, het verenigingsleven of het werk.

We hebben het hier niet over een herstel van de inspraakcultuur van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. We beschouwen het als een taak van de overheid, het maatschappelijk middenveld maar ook het bedrijfsleven om nieuwe vormen van overleg, deliberatie en onderhandeling aan te dragen die burgers aansporen en helpen problemen en conflicten in hun eigen leefomgeving in gezamenlijkheid op te lossen.

Inspirerende voorbeelden zijn er genoeg. We noemen hier slechts de Duitse Planungszellen (zie wegweiser.buergerschaft.de), waarin groepen van ongeveer 25 aselect gekozen burgers zich voor de duur van een week over een bepaald maatschappelijk probleem buigen. Ze worden daarvoor vrijgesteld van hun dagelijkse verplichtingen, ze raadplegen deskundigen en belangengroepen, en worden ondersteund door een professionele staf. Om de representativiteit te waarborgen, werken doorgaans meerdere Planungszellen tegelijk aan een vraagstuk. De resultaten van hun gedachtewisseling worden samengevat in zogeheten burgeradviezen.

Het creëren van pedagogische en maatschappelijke contexten klinkt misschien nog abstract en weinig pretentieus. Maar de ambities van de overheid op dit terrein moeten ook wel bescheiden zijn. In een democratie zullen er tussen burgers altijd verschillen van mening, strijdende principes en verhitte discussies bestaan. Dat is niet alleen een feitelijke constatering, maar in zekere zin ook een gewenste situatie. Democratie wordt wel omschreven als een essentially contested concept dat steeds anders wordt ingevuld, afhankelijk van de heersende overtuigingen. Het kenmerk van een democratie is dat er ruimte is voor verschil en variatie, ook ten aanzien van de invulling van de democratie zelf.

In de praktijk blijkt die variatie ook voortdurend zichtbaar. Maakt de één zich druk over het antidemocratisch gedrag van islamitische militanten, een ander stoort zich juist aan de Amerikaanse militairen die hen op de huid zitten. En vormen voor de één de moorden van Volkert van der G. of Mohammed B. het grootste gevaar voor de democratische rechtsstaat, voor de ander is dat de daarop volgende verruiming van overheidsbevoegdheden op het terrein van veiligheid en terrorismebestrijding.

Het voorwaarden scheppende beleid dat we voorstellen heeft dan ook niet als doelstelling deze veelvormigheid te onderdrukken, maar om burgers te faciliteren vaardigheden op te doen om constructief met deze ‘veelvormige’ democratie om te gaan, ondanks de moeilijkheden en conflicten die daar als vanzelfsprekend bijhoren. Een overheid kan een democratische gezindheid nooit afdwingen, maar heeft zeker krachtige mogelijkheden om haar te bevorderen.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />