De CO2-afspraken van Kyoto worden met gemak gehaald, mede dankzij reductietrucs, zoals het kopen van emissierechten in het buitenland.
Het was gewoon een jaarlijks voortgangsrapport. Maar donderdag werden de CO2-cijfers van het Europese milieuagentschap EEA door de Europese Commissie aangegrepen om zichzelf eens uitgebreid te feliciteren. Eurocommissaris Stavros Dimas van Milieu organiseerde er zelfs een stevige persconferentie omheen.
Want hij kon goed nieuws vertellen: de EU haalt de Kyoto-doelen. Als alles gaat zoals deze prognoses voorspellen, halen de vijftien West-Europese landen de vereiste reductie van 8 procent met gemak: in totaal -11,5 procent, is de verwachting. En dan is de economische crisis nog niet eens meegenomen.
Even precies: het gaat hierbij om de gemiddelde beperking van de uitstoot in de jaren van 2008 tot 2012, ten opzichte van 1990.
Interessant is te zien hoe Europa aan zijn reductie komt. Want het ene land is het andere niet, en de ene vorm van reductie is de andere ook niet. Achter dat ene percentage ligt een woud van oorzaken en redenen.
Natuurlijk bestaat een deel van de broeikasbeperking echt: 6,9 procent. Maar dat is niet genoeg. Dat Europa Kyoto toch haalt, komt doordat landen hun reductie ook op andere manieren mogen organiseren.
Ten eerste kunnen ze geld steken in energiebesparende projecten in het voormalige Oostblok of in de ontwikkelingslanden. Deze (goedkopere) reductietrucs, aangeduid met de afkortingen JI (Joint Implementation) en CDM (Clean Development Mechanism), leveren een bijdrage van 2,2 procent.
Ten tweede kunnen de lidstaten bomen planten. Bossen halen CO2 uit de lucht, en dat mag dus van de uitstoot worden afgetrokken: min 1 procent.
Ten derde mogen bedrijven die een CO2-plafond opgelegd hebben gekregen, in het buitenland emissierechten kopen. Dat levert nog eens een uitstootbeperking op van 1,4 procent.
Onder meer Nederland heeft deze extra instrumenten hard nodig om aan zijn eigen doel te komen. Naar schatting de helft van de reductie wordt gehaald met investeringen in het buitenland. Nederland besteedt daaraan voor de periode tussen 2008 en 2012 506 miljoen euro.
Daarmee staat het op de tweede plek in Europa, achter Oostenrijk (531 miljoen euro). Ook Luxemburg (409 miljoen) en Portugal (305 miljoen) kopen groot in. In totaal besteden tien van de vijftien West-Europese landen van de EU er bijna 3 miljard euro aan.
Sommige landen hebben het makkelijker dan andere. Duitsland, de grootste vervuiler van Europa, kreeg juist in 1990 (het vergelijkingsjaar voor Kyoto) de vieze industrie van de DDR in de schoot geworpen.
De kolencentrales daar konden de afgelopen decennia relatief eenvoudig wat efficiënter worden gemaakt, waardoor er grote CO2-winsten werden gehaald. Duitsland zit nu op een daling van 21 procent.
Ook het Verenigd Koninkrijk had in 1990 nog een relatief vuile erfenis van olie- en kolengestookte elektriciteitscentrales. Na de liberalisering van de energiemarkt schakelden enkele elektriciteitsmaatschappijen over op (flexibeler) gasgestookte centrales, die veel minder CO2 uitstoten. De Britten komen daardoor uit op een daling van 17 procent.
Bij elkaar leveren Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zo al driekwart van de 8 procent daling die Europa nodig heeft.
Het laaghangend fruit is dus al geplukt. Een verdergaande reductie zal veel lastiger worden. Maar aan de andere kant: het is een begin. De uitstoot van broeikasgassen in de VS, die Kyoto niet hebben geratificeerd, is sinds 1990 met 17 procent gestegen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.