*

 

Eigenlijk is Freek een topsporter met talent voor cabaret

Van onze verslaggevers Bart Jungmann en Bert Wagendorp − 22/11/08, 22:12

Diep van binnen is Freek de Jonge een topsporter met talent voor cabaret. Zijn nieuwste voorstelling is aan sport opgehangen.

  • Freek de Jonge op het veld van Zeeburgia in Amsterdam. Links van hem op de achtergrond Sjaak Swart, rechts een lachende Guus Hiddink. (Foto Guus Dubbelman / de Volkskrant)

Voor u staat een nederig mens, zegt Freek de Jonge als hij maandagavond in sporttenue zijn opwachting maakt in het Alkmaarse theater De Vest voor zijn nieuwe voorstelling De Limiet.

Een dag eerder is De Jonge als eerste kleinkunstenaar door de gezamenlijke schouwburgdirecties onderscheiden met de Oeuvreprijs. Zo’n eervolle prijs stemt nederig, zegt hij in Alkmaar, en dankbaar ook.

Het werpt weer eens het volle licht op zijn al 40 jaar durende carrière. Dat vindt hij plezierig in een tijdvak dat van incidenten aan elkaar hangt. Waarna het akkefietje met Peter R. de Vries tijdens de talkshow Pauw & Witteman in een lachsalvo kan worden gedrenkt.

Nog 1 maand De Limiet

Tot en met 20 december toert Freek de Jonge met De Limiet, zijn nieuwste programma, door het land. Voor de laatste voorstellingen, in het Amsterdamse Compagnietheater, zijn nog kaarten verkrijgbaar. Op 16 december speelt hij de De Limiet tijdens het jaarlijkse Sportgala. Drie dagen later zendt de NOS daarvan een samenvatting uit.

]]>

Twee dagen later, thuis in Muiderberg, is hij dat van die nederigheid al weer vergeten. ‘Het is wel mijn diepste verlangen, om nederig te zijn’, zegt hij op een toon en met een gezicht waarmee je alle kanten op kan.

Langs een touw naar de nok
Het optreden in Alkmaar is een try-out, letterlijk. Het is de ontwikkeling van een thema. Dat thema is deze keer de sport en het zit hem als gegoten. In het diepst van zijn gedachten is Freek de Jonge een topsporter, begiftigd met een uitzonderlijk talent voor cabaret.

Toen hij aan het eind van zijn voorstelling De Komiek langs een touw naar de nok van Theater Carré klom, voelde hij de uitputting van een topsporter. Hing hij helemaal kapot daarboven, was hij de marathonloper die op zijn laatste benen de finish had bereikt.

‘Ik heb avonden gehad dat ik dacht: ik laat me gewoon vallen.’ Behalve uitputting was het ook euforie. ‘Ik donder nu gewoon naar beneden. Wat maakt het uit?’

Zo raar is het dus niet dat zijn nieuwe voorstelling De Limiet helemaal om sport draait – om de bal, letterlijk. Over de Nederlandse sportmentaliteit gaat het, over dope, over de megalomanie van sport en de platte geldzucht, maar ook over de romantiek.

Balverliefd
Want dat is Freek de Jonge altijd gebleven, als het over sport ging, een romantisch jongetje dat ingespannen luisterde naar Dick van Rijn die verslag deed van de Olympische Spelen van Helsinki van 1952. ‘Landgenoten, waar ook ter wereld’, sprak Van Rijn. En Freek de Jonge (8) vroeg zich af hoe Dick van Rijn wist dat hij niet thuis was, in Zaandam, maar in een vakantiehuis op Texel.

Rond die tijd is zijn sportliefde gevormd. De Tour de France was een heilig instituut. Zaten ze op het strand, begon zijn vader rond een uur of drie ongedurig te worden en moesten ze snel naar huis. Later keek hij met zijn vader naar de Engelse Cup Final en kreeg zijn vader, de dominee, het te kwaad als ze voor de wedstrijd Abide with me zongen.

‘Met die romantiek is het begonnen. Absolute romantiek.’

Eigenlijk is het altijd zo gebleven. Hij is 64, maar wanneer hij in sportkloffie en met een bal in handen op het podium staat, is hij weer gewoon 8 en balverliefd – daar hoeft hij weinig aan te spelen.

Clean
Maar topsport is zo clean geworden, zie de Rabobank in de Tour. En topsport is entertainment geworden, zie de marketingmanagers. Vroeger zag hij bij Ajax oude mannen met een sigaar in de mond, die met de rug tegen een muurtje een beetje stonden te mopperen. Het was hún domein. Nu lopen er gillende kleine meisjes rond, die met handtekeningenboekjes achter de jonge vedetten aanzitten.

Hoe bescherm je jezelf daartegen, als ouderwetse liefhebber?

‘Je wilt het niet weten. Je wilt het individu zien vechten met zijn lichaam. Je wilt iemand zien vechten om op het beslissende moment net iets meer uit zijn lijf te halen dan hij eigenlijk kan. Dat wil je meemaken, en dan wil je ook meemaken dat hij succes heeft en triomfeert. Dan wil je kijken hoe hij daarop reageert.

‘Als ik bij duurwedstrijden iemand als winnaar over de streep zie komen, dat ik dan zelf ook heel erg geëmotioneerd ben en eigenlijk met die man kan meehuilen in zijn totale uitputting. Dat is mooi. Dat is de essentie.’

Hij droomt er wel eens van twee miljard te hebben en daarmee zijn eigen voetbalclub te kopen. ‘Je eigen jongensboek maken, dat is het. Een elftal met jongens die hun eigen ego opzij kunnen schuiven, je omringen met liefhebbers.’

De nederlaag op het juiste moment
Op het toneel is sport altijd zijn tweede natuur geweest. Dat kwam natuurlijk vooral door Bram Vermeulen, voormalig volleybalinternational en zijn partner in Neerlands Hoop. ‘Ik ben een van de laatste overlevenden van dat duo’, zegt hij ergens in De Limiet.

‘Bram was topsporter, en ik was daar enorm door gefascineerd. Het was mijn eerste kennismaking met de topsport, met de manier waarop die werd beleefd. En wat er zo aantrekkelijk aan was: geen excuses.’

Vermeulen vertelde eens hoe ze in de eerste set van een wedstrijd tussen Blokkeer en AMVJ maar één opdracht hadden: de net herstelde vinger van tegenstander Jacques de Vink met een smash opnieuw breken. Geschokt waren ze, echtgenote Hella en De Jonge zelf. Maar er moest gewonnen worden ten koste van alles.

Bram Vermeulen heeft hem een hoop geleerd. ‘Van hem moest ik ophouden de underdog te spelen. Dat was een belangrijke les. Je ziet het nu bij Kees Torn, daar moet je op een zeker moment mee ophouden. Bram had een bepaalde strengheid. Als het publiek die kant op wilde, moest ik niet te ver met ze meegaan.’

Ze deden mee aan talentenjacht Cameretten, een wedstrijd in de ogen van Bram Vermeulen. Het was november 1968, ze speelden de zaal plat en stonden klaar om de eerste prijs in ontvangst te nemen. Ging de overwinning naar Don Quishocking. ‘Dat heeft Bram zo verschrikkelijk gemotiveerd, vanuit zijn oergevoel als sporter. Dat was absoluut een nederlaag die precies op het juiste moment kwam.’

Oogkleppen
Vanaf dat moment bedreven ze topsport in de theaters. Collega’s waren concurrenten, ze zochten altijd naar hun zwakke kanten. ‘We namen het wrede van sport over, het bikkelharde.’ Ze analyseerden hun eigen optredens zoals Bram Vermeulen van volleybalcoach Hidde van der Ploeg had geleerd wedstrijden te analyseren. ‘We haalden zo’n voorstelling helemaal uit elkaar.’

Door de samenwerking met Vermeulen vond hij ook zijn vrienden in de sport en hij leerde zich concentreren als een topsporter. Concentratie is volgens hem alles, zowel in het theater als in de topsport. Focus, oogkleppen. ‘Dat je tegen je omgeving zegt: dit is mijn keuze en die heb je maar te slikken.’

De discipline heeft hem nooit verlaten. ‘Bram kreeg op een gegeven moment behoefte meer het café in te gaan. Ik heb dat nooit gehad. De talenten die mij gegeven waren, moest ik worshippen. En dat heb ik ongelooflijk consequent gedaan, op een protestants-christelijke manier.’

Laatbloeier
Als voetballer is Freek de Jonge een laatbloeier. Toen hij op zijn 37ste begon, riep Sjaak Swart altijd tegen hem: ‘Rust! Tijd!’ Hij begreep niet wat de vroegere Ajacied bedoelde. Tot techniek en inzicht beter werden, en hij merkte dat hij meer tijd kreeg om te voelen wat hij met de bal moest doen.

‘Als er bij mensen als Zidane of Cruijff een bal hun kant opkwam, ging er onmiddellijk een wereld aan ideeën door hun hoofd, over wat ze met die bal konden doen en waaruit ze het juiste idee kozen.’

Zo werkte het in het theater ook. ‘In try-outs heb ik die tijd nog niet. Dat is training, leren hoe je je krachten moet verdelen. Als het ingespeeld is, zit je timing helemaal goed en heb je tijd voor overwegingen. De tekst komt eruit, je voelt hoe de zaal erop reageert, je weet wat eraan zit te komen. Dat is fantastisch, pure intuïtie.’

In Alkmaar zie en hoor je Freek de Jonge nog zoeken. Combinaties uitproberen, systeempjes testen, een ver doorgevoerde solo. Je merkt hoe thema’s vorm krijgen: doping, de Nederlandse sportmentaliteit.

Alles voor het resultaat
‘Het Nederlands elftal op het EK, met die rouwbanden vanwege het kind van Boulahrouz. Dat zijn van die momenten waarop topsport botst met menselijkheid. Dat kan niet, dat zijn twee levels. Daar hebben wij het moeilijk mee, vanuit onze mentaliteit.

‘Je kunt je ook afvragen of dat wel zo slecht is. Maar vanuit de topsport gezien is het dat. Trainingskamp uit, nooit meer terug. Behalve wanneer het om een héél goede speler gaat. Genadeloos pragmatisch zijn, alles voor het resultaat.’

Zelfs doping? Zelfs doping. ‘We ontwikkelen zonder problemen atoombommen en dan gaan we over doping opeens heel ethisch doen. We mogen een sporter perfectioneren, dat is evolutionair denken. God zag wel dat het goed was, maar tot op zekere hoogte.

‘Zeker, het is oneerlijk. Maar wat is er eerlijk in het leven? Je vraagt om nieuwe topprestaties en aan de andere kant wil je dat ze dat clean doen. En doping, proberen het menselijke lichaam tot meer in staat te stellen, heeft ook zijn goede kanten voor de mensheid. De sporter als proefkonijn, ja. Je hebt hazen en je hebt proefkonijnen.’

Die killersmentaliteit, misschien moet je er eerst wel kanker voor krijgen, zegt De Jonge tegen het publiek. Zie Lance Armstrong, zie Maarten van der Weijden. Twee dagen later in Muiderberg is diens gouden plak zijn hoogtepunt van het afgelopen sportjaar.

‘Wat een fantastisch moment was dat. Maarten van der Weijden en dat geschreeuw van Pieter van den Hoogenband.’

Aan de andere kant: ‘Het is niet te hopen dat langeafstandszwemmen even populair wordt als schaatsen. Dat we straks het hele weekend naar langeafstandszwemmen moeten kijken.’

Wonderlijk ernstige analisten
Zijn liefde voor sport is geworteld in de tijd van helden. Nu zijn topsporters vedetten geworden. ‘Een held ontleent zijn kracht aan het feit dat hij mag falen. Een vedette mag nooit meer falen, en dat maakt het er niet leuker op. Een speler als Beckham, een vedette, ik vind het vreselijk. En eigenlijk is Sven Kramer mij ook te clean, te mooi, te netjes.’

Sport is ook ernstig geworden, zegt Freek de Jonge. ‘Dat is het gevaar van die totale focus. Dan verdwijnen de humor en de relativering.’ Zit hij aan tafel met voetbalanalisten. ‘Wonderlijk ernstig.’

Sport leent zich juist zo goed voor slapstick. ‘Een paard dat weigert voor een hindernis, altijd goed. Een keeper en een polletje, prima. YouTube staat vol met sportbloopers.’ In De Limiet buit Freek de Jonge de humoristische mogelijkheden van topsport gretig uit. ‘Ik wilde wel weer eens een avondje lachen.’

In zijn tuin staat een oefenkooi, waarin hij werkt aan zijn golfswing. ‘Als je niets meer voelt, dan is het goed. Dat is in het theater ook zo. Er zijn avonden, waarop je niks voelt. Dat zijn voorstellingen, die uitzonderlijk veel beter lopen dan andere. Het gaat vanzelf, het publiek sluit aan, je hebt hetzelfde ritme. Dat is precies waar het om gaat, die leegte.’

mailIcon print |