Zo opzichtig viel Robert James Fischer van het dunne koord dat het genie scheidt van de waanzin, dat hij onmogelijk alleen kan worden geëerd als het icoon van de schaaksport....
Zo roept Fischer bij zijn dood heftige, maar ook dubbele gevoelens op. Hij was de briljante, flamboyante grootmeester die in 1972 de rode schaakmachine uit de Sovjet-Unie met een harde klap tot stilstand bracht door partijen te spelen die appelleerden aan de romantiek van de ‘maakbare’ samenleving uit die tijd.
David Levy, in zijn in 1973 verschenen boek Hoe Fischer Schaakte: ‘De schoonheid van zijn partijen, de helderheid in zijn spel en zijn briljante ideeën hebben van hem een artiest gemaakt met de allure van Brahms, Rembrandt en Shakespeare.’
De Amerikaan Harold Schonberg constateerde in Grandmasters of Chess dat Fischer van schaken sport én kunst had gemaakt. ‘Eigenhandig heeft Fischer de wereld laten beseffen dat het schaken net zo competitief was als voetbal, net zo opwindend als een gevecht op leven en dood, net zo esthetisch verantwoord als een kunstwerk en intellectueel bevredigend als elke, andere menselijke activiteit’.
En dat allemaal door de ‘match van de eeuw’ in 1972 met de Russische wereldkampioen Boris Spassky, die ook door Fischer gretig werd uitvergroot als het symbool van de Koude Oorlog. De 29-jarige Fischer als de voorvechter van het vrije, democratische Amerika tegenover de ‘liegende, bedriegende en hypocriete communisten’, zoals hij de Russen graag betitelde.
Voor zo’n eendimensionale James Bondfilm had dan wel een pijnlijke miscasting plaatsgevonden, schrijven David Edmonds en John Eidinov in hun boek Bobby Fischer goes to War.
Spassky was niet bepaald een Sovjetpatriot, maakte daar ook geen geheim van en week later uit naar Frankrijk. Fischer werd vanwege zijn idiosyncratische en asociale gedrag zelfs on-Amerikaans genoemd.
De illustere tweekamp in Reykjavik sprak vooral tot de verbeelding, omdat Fischer zowel zijn IJslandse gastheren als zijn tegenstander Spassky met absurde voorwaarden tot wanhoop dreef. Fischer verloor de eerste partij door een blunder en bleef weg voor de tweede partij, omdat hij zich stoorde aan de tv-camera’s.
In het verzamelwerk De Koning, Schaakstukken, toonde de in 1988 overleden, Nederlandse grootmeester J.H. Donner zich niet verbaasd over de afmelding van Fischer: ‘Ja, natuurlijk, Bobby Fischer is niet goed wijs, maar dat wisten we toch? Hoe kon dit conflict ontstaan? Wisten ze dan niet dat Fischer een pathologische angst heeft voor filmcamera’s?
‘Ik heb zelf meegemaakt dat Fischer tijdens een partij ineens opsprong en met beschuldigend uitgestrekte arm een man in het publiek aanwees en hem in felle bewoordingen aanklaagde bij de wedstrijdleider: de ongelukkige had een fototoestel – keurig ingepakt – over de linkerschouder hangen. Met schande overladen werd hij de zaal uitgegooid om zijn moordwapen bij de garderobe af te geven.’
De symptomen van zijn paranoia waren al eerder aan het licht gekomen. Zo liet Fischer ooit zijn vullingen vervangen, omdat hij bang was dat de Russen radiografische stralingen via zijn gebit naar zijn hersens zouden sturen.
Maar in zijn match met Spassky in ’72 kon de Amerikaan eenvoudig niet falen, aldus Donner. Het was een confrontatie geweest tussen het ‘manische, maar optimistische schaak’ van Fischer en het ‘depressieve, pessimistische en dus improductieve schaak’ van Spassky.
Donner, in zijn prachtboek: ‘Het is niet de schaker Fischer die Spassky verslaat, maar het fenomeen Fischer. Juist daar is Spassky het meest gevoelig voor, want dit is de boze geest waartegen hij altijd gevochten heeft, altijd opnieuw zonder hem te kunnen liquideren, want hij was het zelf.’
Donner beschrijft hoe Fischer in zijn in 1972 abrupt afgebroken carrière slechts één debacle kende, bij een toernooi in 1960. ‘De schakende incrowd weet hoe dit kwam: Fischer – zeventien jaar toen – was verliefd geweest. Zijn concurrenten hadden voor enig geld een dame met ervaring bereid gevonden zich aan het wonderkind te wijden, waar deze veel van leerde, zijn haren knipte en een manie voor nette pakken ontwikkelde. Maar verder mist Fischer conflict, want hij kent geen werkelijkheid.’
Er was volgens Donner dan ook niet veel mensenkennis nodig om te voorspellen dat Fischer niet lang wereldkampioen zou blijven. ‘Zijn nukken, kuren en grillen zullen zich tegen hem zelf keren op het moment dat hij het hoogste heeft bereikt. Zijn slag zal dan in de lucht wezen.’
Zo obstinaat bleef Fischer eisen stellen voor zijn WK-match tegen Anatoli Karpov dat de Rus in 1975 door de Fide officieel tot wereldkampioen werd uitgeroepen. Fischer verdween voor lange tijd van het toneel en de andere, duistere kant van zijn persoonlijkheid kreeg de overhand. In steeds fellere bewoordingen keerde Fischer zich tegen zijn vaderland. ‘Ik heb ervoor gezorgd dat Amerika op een intellectueel land lijkt’, foeterde hij. ‘Maar nu de Koude Oorlog voorbij is, willen ze elke herinnering aan mij uitwissen.’
Uitgerekend het door een burgeroorlog verscheurde Joegoslavië werd in 1992 het decor voor de even opvallende als pijnlijke rentree van Fischer. De remake van de ‘match van de eeuw’ tegen zijn oude rivaal Spassky riep voornamelijk leedvermaak op bij de nieuwe generatie grootmeesters.
De partijen tussen Fischer en Spassky, toen slechts de nummer 101 van de wereld, waren amusant, maar van een laag niveau. Hoewel Fischer ook de tweede tweekamp won en drie miljoen dollar opstreek, sprak Kasparov spottend dat zijn vroegere idool ‘zijn eigen legende vernietigt’.
Sindsdien is Fischer op de vlucht geweest voor de Amerikaanse autoriteiten die hem vervolgden, omdat hij de VN-boycot tegen Joegoslavië had geschonden. Soms waren de tirades van Fischer nog vermakelijk, zoals zijn reactie op een brief van Spassky aan de Amerikaanse president Bush.
Met klem verzocht Spassky zijn vriend te sparen. ‘Bobby is een tragische persoonlijkheid. Als u hem toch opsluit, zet mij dan bij hem in de cel. En geeft u ons een schaakbord.’ Fischer: ‘Spassky schildert mij af als een dwaas. Ik wil helemaal niet met hem in een cel. Ik wil een lekker wijf.’
In 2004 werd Fischer opgepakt in Tokio, waar hij acht maanden in een cel verbleef. Hij had zich daarvoor slechts laten gelden als een rabiate antisemiet. Voor de Amerikanen kon Fischer niet dieper zinken, toen hij de aanslagen van Al Qaida op 11 september 2001 publiekelijk toejuichte. ‘Dit is geweldig nieuws’, zei hij op een Filippijns radiostation. ‘Het werd tijd dat Amerika werd gestraft voor het slachten van de Palestijnen. Ik wil dat Amerika van de kaart wordt geveegd.’
Een jaar later haalde Samudir Palsson, oud-politiechef in Reykjavik en in 1972 bodyguard van Fischer, zijn oude vriend terug naar IJsland. ‘Fischer heeft IJsland immers op de kaart gezet’, zei Palsson. Maar bij aankomst schokte Fischer zijn gehoor met treurige oneliners die zijn eigenhaat verbeeldden.
Zo beklijft het beeld van een geesteszieke King Lear die zijn mythe steen voor steen heeft verbrijzeld tot hij een afstotende karikatuur van zichzelf was geworden. Toch zal zijn magnum opus My 60 Memorable Games niet alleen dé schaakbijbel blijven voor Garry Kasparov, maar voor alle grootmeesters die zich schatplichtig voelen aan de man die het schaken een nieuwe dimensie gaf.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Sport:
voetbal,
wielrennen,
tennis,
auto- & motorsport,
meer sport.