Weblogs kunnen professionele journalisten helpen een beter beeld te schetsen van de werkelijkheid, schrijven Geert-Jan Bogaerts en Patrick Engelsma..
Een toekomstvisie, getrokken van het internet. In 2014 trekt de meestsuccesvolle krant aller tijden, de New York Times, zich terug van het web.Sterker, het eerbiedwaardige instituut wordt in zijn voortbestaan bedreigd.Nieuws wordt niet langer verzameld en gefilterd door professionelejournalisten, maar door robots, die het internet afstruinen op zoek naarde beste web-logs, de online dagboeken, en die het aantal kliks tellen omde urgentie van een nieuws-item te bepalen.
De robots werken onder supervisie van 'nieuwsmeesters',super-redacteuren die de beste bronnen verzamelen, het beschikbaremateriaal filteren, en vervolgens door de robots laten uitspugen in eenvolgorde die wetenschappelijk bewezen het best past bij hetconsumentenprofiel van de lezer.
En waaruit bestaat dat materiaal? Veel trivia, weinig betrouwbaarheid.De oude angst wordt bewaarheid: mensen horen nooit meer iets dat ze nietwillen weten maar volgens de oude journalistieke opvatting wel zoudenmoeten weten. Kranten die nog eens proberen over belangrijke zaken teschrijven, of lezers iets willen voorschotelen waarom ze niet hebbengevraagd, delven het onderspit.
Die lezer krijgt geen vieze vingers van de papieren krant, want hetpapier is afgeschaft. Deze week toonde Philips zijn prototype elektronischpapier. Het bedrijf zei erbij dat de eerste producten over ruim een jaar,begin 2007, in de winkel zullen liggen. En rond 2010 kunnen dekrantenjongens thuisblijven: de hele krant wordt de hele dag elektronischververst en digitaal gepresenteerd.
De journalistiek is wereldwijd amechtig op zoek naar het juiste antwoordop al deze, op het eerste gezicht nogal schokkende toekomstbeelden. Maardegenen die zich zorgen moeten maken zijn de drukkers, depapierfabrikanten, en de leveranciers van drukpersen. Zij raken hun baankwijt; de journalisten zitten gebakken. Want er blijft altijd behoeftebestaan aan professionals die uiteindelijk het best met de bronnen van hetnieuws kunnen omgaan, die weten hoe ze informatie moeten filteren, die eenselectie kunnen maken, en complexe realiteiten eenvoudig maar correctkunnen uitleggen.
Wat niet wil zeggen dat de journalistiek niet bij zichzelf te rade moetgaan. Niet vanwege de hierboven beschreven technologische ontwikkelingen;deels fictief, maar zeker niet ontbloot van realisme. Maar wel omdat dejournalistiek nog geen goed antwoord heeft op een heel ander soortdreiging, die veel reëler is: de dreiging dat zij het steeds toenemendewantrouwen bij de 'nieuwsconsumenten', de lezers, tegen de traditionelemedia niet kan overwinnen. En dat die lezers zich voorgoed van de krantenen hun nevenproducten, zoals internetsites, zullen afkeren.
Van oudsher is de grote kracht van professionele journalistiekeorganisaties dat zij in staat zijn tot uitgebreid en diepgaandfeitenonderzoek, op basis waarvan zij bericht doen. Die berichtgeving vormteen knooppunt van onze democratische samenleving. Burgers baseren er hunmeningen op, en die meningen leiden vervolgens tot politieke keuzes. Hetpresenteren van nieuws is een kernactiviteit, en juist bij diekernactiviteit hebben de traditionele media het de laatste jaren latenafweten, zo luidt een veelgehoorde klacht. Want het filteren vaninformatie, het opzoeken van feiten, en het diepgaand onderzoek heeftplaats gemaakt voor de naleving van een politieke agenda.
In Nederland hebben we de Fortuyn-revolutie gehad. Een van dekernboodschappen in die omwenteling was dat met name de kwaliteitskranten,maar ook een instituut als het NOS-journaal, aan de leiband liepen van depolitieke elite en niet meer wisten wat er zich werkelijk in de samenlevingafspeelde. Meningen leken belangrijker te zijn geworden dan feiten.
In de Verenigde Staten is de kritiek niet minder fel. Vooral de oorlogin Irak heeft geleid tot een golf van onbehagen: de kranten entelevisiestations zouden zich in de luren hebben laten leggen door deregering-Bush, en te gemakkelijk de propaganda-boodschap omtrentbijvoorbeeld de aanwezigheid van massavernietigingswapens voor waar hebbenaangenomen.
Internet is ongetwijfeld het medium dat het meest werd ingezet om dekritiek op de traditionele media te spuien. Daar ontwikkelden zich ook dealternatieven. Vooral de webloggers, de online dagboekenschrijvers,pretendeerden het anders te kunnen doen.
Uit de miljoenen 'bloggers' die vooral schrijven over huis-, tuin- enkeukenproblemen en een navenant publiek van familie en vrienden trekken,zijn enkele duizenden schrijvers voortgekomen die grotere ambities hebben.Wat zij bedrijven is een vorm van burgerjournalistiek, als letterlijkevertaling uit het Engelse citizen journalism. Het grote voorbeeld is hetZuid-Koreaanse OhmyNews. Deze nieuwssite opereert onder het adagium'iedereen is een verslaggever'. Journalisten zijn geen exotische soort metbijzondere kenmerken of professionele kwaliteiten, aldus grondlegger OhYeon Hu. Iedereen die op zoek is naar nieuwe ontwikkelingen, daaroverschrijft en ze deelt met anderen, is journalist, stelt hij.
Oh begon eind 1999 met twintig stukken van burgerjournalisten. Inmiddelsstelt hij 39duizend verslaggevers te hebben. En, niet onbelangrijk: sinds2003 maakt OhmyNews winst. 'Log in en maak deel uit van de geschiedenis',heet het.
Op een ironische wijze evolueert zo de term 'participerendejournalistiek' tot het tegendeel van wat het ooit was. Mediakennersbedachten het begrip in de maatschappijkritische jaren zestig, toenjournalisten geacht werden uit hun ivoren toren te komen en deel te nemenaan de maatschappelijke processen. Inmiddels wordt met de term bedoeld datde burgers, vroeger het lijdend voorwerp van media-aandacht, zelf het heftin handen nemen en de inhoud van de media bepalen.
Toch is ook die burgerjournalistiek geen recept voor succes:soortgelijke projecten in andere delen van de wereld blijken faliekantemislukkingen. Het ligt voor de hand Ohs welslagen te verklaren uit de inzetvan professionele journalisten. Hij heeft een centrale redactie van 75mensen, die alle ingezonden verhalen beoordelen, selecteren en publiceren.De deelnemers ontvangen bovendien een beloning van 20 duizend won (17 euro)voor een stuk op de voorpagina. Een bescheiden vergoeding weliswaar, maartoch een die wellicht een zekere inzet en kwaliteit waarborgt.
Als het aantal van 39 duizend verslaggevers klopt, dan heeft OhmyNewsin ieder geval kwantiteit. De kwaliteit is wisselend. Maar invloedrijk isde site zeker: veel politieke waarnemers denken dat de site een belangrijkerol heeft gespeeld in de verkiezing van de relatief progressieve Roo MyoHun tot president in 2003. Ohs motivatie komt hoe dan ook bekend voor: hijvond dat het Zuid-Koreaanse medialandschap te veel werd gedomineerd doorconservatieve krachten. Met OhmyNews moest er meer evenwicht komen tussenprogressieven en conservatieven.
Wie om objectiviteit gaat roepen, is bij Oh en alle andereburgerjournalisten aan het verkeerde adres. Hun stukken worden nietgeschreven met objectiviteit als uitgangspunt; andere journalistiekeprincipes als hoor en wederhoor en de scheiding van feiten en meningen,vinden evenmin veel erkenning. Auteurs moeten zoveel mogelijk zichzelfzijn. Belangrijkste eis is betrokkenheid: een goed voorbeeld is de vrouwdie een lingeriezaak runt en een stuk inzendt over hoe moeilijk de kleinemiddenstander het heeft.
In de VS vindt OhmyNews navolging, zij het uitsluitend in de lokalejournalistiek. De Se-attle Times begon vorig jaar met zijn back-yard-blog,waarin bewoners nieuws uit hun eigen buurt beschreven. Backfence.com is ookzo'n site, actief in twee kleine gemeenten in Virginia. Ook in Nederlandduiken de voorlopers op van zo'n beweging: Goorsnieuws bijvoorbeeld, uitde gelijknamige gemeente, waar overigens nog wel een redactie aan vast zit.
Een select, overwegend Amerikaans, gezelschap van bloggers is eringeslaagd een rol te gaan spelen in het publieke debat. Vreemd is echter datzij geen invloed hebben gewonnen door hun kracht te zoeken waar detraditionele media gaten laten vallen: in het onderzoek van de macht en depublicatie van feiten. Bloggers bellen in de regel niet met bronnen. Voorzover ze onderzoeksjournalistiek plegen, baseren ze zich op documenten dieonline staan.
Zij danken hun macht vooral aan het getal en aan hun meningen. Ze lezenandere bloggers en de mainstream-media, destilleren daaruit wat van hungading is, en presenteren vervolgens hun eigen mening.
De traditionele media staan nu voor de vraag hoe zij moeten omgaan metweblogs en de burgerjournalistiek. Daarbij is het probleem voor dekwaliteitskranten nog een graadje moeilijker dan voor de populaire bladen,die toch al meer geneigd waren in te spelen op de interesses van hetpubliek. De kwaliteitskranten kunnen ervoor kiezen de opkomst van deburgerjournalistiek te negeren in de overtuiging dat het een hype is, die,zoals zoveel op internet, binnen een paar jaar weer overwaait.
Dat is goed mogelijk, maar lijkt tamelijk onwaarschijnlijk omdat er eenkritische massa bereikt is. Het fenomeen blogging bestaat en is net alse-mail een inherent onderdeel van de internet-ervaring geworden. Daarmeeis een vroege belofte van het internet - elke burger zijn eigen uitgever - ingelost. Dat is een verworvenheid die de burgers zich niet meer latenafnemen. Le Monde heeft die conclusie vorig jaar ook getrokken en een deelvan zijn site opengesteld voor het publiek, dat daar zijn eigen weblog kanonderhouden. De Volkskrant begint vandaag met iets soortgelijks.
Het positieve scenario is dat beide genres van elkaar kunnen profiteren,dat een synthese mogelijk is. De professionele journalisten kunnen orde inde chaos aanbrengen, het werk van de burgerverslaggevers helpenorganiseren, kaf van koren scheiden. Er ontstaat een symbiose tussen dejournalisten, die hiermee toegang krijgen tot de leefwereld van hun lezers,en het publiek, dat rechtstreeks invloed uitoefent op het eindproduct.Uiteindelijk wordt iedereen daar beter van.
Natuurlijk is er een enorm risico verbonden aan het vrijelijkopenstellen van de kolommen op internet. De Los Angeles Times probeerdekort geleden het ongelooflijke succes van online encyclopedie Wikipedia tekopiëren. Wikipedia is een naslagwerk waarin de gebruikers naar hartelustkunnen redigeren en aanpassen. Kwalitatief doet Wikipedia volgens de meestewaarnemers nauwelijks onder voor de Encyclopedia Brittannica. De LA Timeszette een commentaar online volgens hetzelfde principe: iedere sitebezoekermocht ongecensureerd ingrijpen in de officiële mening van de krant, in deverwachting dat de betrokkenheid van vele duizenden mensen tot een betereindresultaat zou leiden. In plaats daarvan werd het een ramp. Hetvandalisme was niet tegen te houden, en de redactie besloot het experimentbinnen een dag te staken.
De Volkskrant gaat niet zo ver als de LA Times. Maar zij kiest er welvoor om alle bezoekers van haar website hun eigen podium te bieden om vrijelijk feiten, meningen, foto's, video's en geluidsbestanden te delenmet andere internetters.
Het idee is om een gemeenschap te creëren van mensen die onbeperktideeën uitwisselen en met elkaar in discussie treden. De Volkskrant wilzijn lezers en sitebezoekers horen in de overtuiging dat dit journalistiekgezien de moeite waard is. Uiteindelijk krijgen we zo een beter product.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.