*

 

Jeugdzorg voor alle betrokkenen nodeloos complex

Van onze verslaggever Gijs Herderscheê − 03/02/10, 21:28

De jeugdzorg is onnodig complex voor bestuurders, uitvoerders, ouders en jongeren. Gelukkig krijgen ouders en kinderen nog steun van de organisatie MEE, die hun de weg wijst, anders zou het een onontwarbaar doolhof voor hen zijn.

  • Minister André Rouvoet van Jeugd en Gezin (ANP)

Dit hebben twee onderzoekers woensdag tegen de parlementaire werkgroep toekomstverkenning jeugdzorg gezegd. De onderzoekers Jos Baecke en Caroline Mobach van bureau BMC hebben de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg opgesteld.

De evaluatie vormt de basis voor een nieuwe opzet van de jeugdzorg. Minister Rouvoet (CU) van Jeugd en Gezin werkt aan een plan. De Tweede Kamer wil met de werkgroep echter een eigen visie formuleren. De komende weken organiseert de werkgroep een reeks hoorzittingen over de praktijk van de jeugdzorg.

De onderzoekers schetsen een deerniswekkend beeld van de uitwerking van de Wet op de jeugdzorg uit 2005. Het was de bedoeling dat Bureaus Jeugdzorg het enige loket zouden worden voor jongeren met problemen. Daar zouden ze direct hulp kunnen krijgen of een doorverwijzing voor ‘zware’ professionele hulp.

In plaats daarvan zijn de bureaus een veredeld doorverwijsbureau geworden, waar het recht op zorg wordt vastgesteld. Vervolgens moet vaak worden gewacht op zorg. Naast de Bureaus Jeugdzorg zijn huisartsen ook verwijzer gebleven voor de geestelijke gezondheidszorg, terwijl voor licht verstandelijk gehandicapten weer een ander loket bestaat. De onderzoekers wijzen erop dat bijvoorbeeld in Amsterdam de huisarts vooral ‘witte’ kinderen doorverwijst, terwijl allochtone kinderen bij Bureau Jeugdzorg terechtkomen.

De onderzoekers gaven de Kamerleden geen helder antwoord op de vraag waarom de huisartsen zo’n belangrijk verwijsstation zijn gebleven, tegen de bedoeling van de jeugdzorgwet in. Informeel laten Kamerleden weten dat dit aan de heftige lobby van de geestelijke gezondheidszorg ligt.

De jeugdzorg kent vele financiers en dat maakt de zorg volgens de onderzoekers onnodig complex. Gemeenten betalen aan jeugdzorg, maar ook de provincies, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de ziektekostenverzekering, het ministerie van Jeugd en Gezin en het ministerie van Justitie. Door de diverse geldstromen is volgens de onderzoekers de ‘regie’ in de jeugdzorg ver te zoeken. En meer regie was wel de bedoeling van de Wet op de jeugdzorg.

Overheden zoals provincies en gemeenten blijken beter met elkaar samen te werken dan met uitvoerders van de AWBZ en de ziektekostenverzekering. Door de complexe financiering is er ‘geen sprake van gerichte kostenbeheersing’. De vraag of er voldoende geld aan jeugdzorg wordt besteed, is ‘nu niet te beantwoorden’. Het overzicht ontbreekt eenvoudigweg.

De onderzoekers zijn wel te spreken over de Centra voor Jeugd en Gezin die minister Rouvoet laat oprichten. Die vervullen wel de rol van eerste opvang, hulpverlener en doorverwijzer naar Bureau Jeugdzorg. Die bureaus kampen ook met beeldvorming dat daar naast vrijwillige hulpverlening ook tot gedwongen opnamen wordt besloten.

mailIcon print |