*

 

Interview: ‘We verspelen talent door te vroege selectie’

Bart Dirks, Martin Sommer − 05/12/08, 02:45

Ronald Plasterk (51) is bijna halverwege zijn termijn als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In die tijd kwam er 1  miljard euro voor de lerarensalarissen bij, wordt er gehamerd op beter reken- en taalonderwijs, komt er ‘nieuwe strengheid’ bij de eindexamens en binnenkort moeten universitaire studenten eerst hun bachelor halen voor ze aan hun master mogen beginnen.

Veel beleid, nog geen helder beeld. Daarom vroeg de Tweede Kamer ‘een samenhangende visie op de stand van het onderwijs’. Nu ligt er een brief, getiteld ‘het beste onderwijs’. Tien pagina’s waarin de PvdA-minister toelicht wat hij aantrof (‘de nadruk ging te sterk naar de kant van de ontplooiing’), hoe hij zijn rol ziet (‘dienstbaarheid en een zekere bescheidenheid’) en hoe het verder moet (‘ruimte voor professionals, meer structuur, hoger ambitieniveau’).

En u heropent een gevoelige discussie: een 11-jarige is te jong om na de Citotoets al te weten welk schooltype bij hem past.
‘In elke internationale vergelijking signaleren clubs als de OESO: wat is dat toch met Nederland? Een land van sociale mobiliteit, vol dynamiek. Zeker geen Engelse standenmaatschappij, zeker niet zo immobiel als sommige Europese landen. Is het niet gek dat uitgerekend daar kinderen op zo’n jonge leeftijd in een koker worden gezet waar ze vaak alleen met de grootste moeite uit kunnen komen? Dat is een te sterk signaal om te negeren.

‘We selecteren nu te vroeg, waardoor we talent verspelen. Want als je eenmaal op het vmbo begint, maar toch genoeg in je mars hebt om de universiteit te halen, wordt de lange route via mbo en hbo haast onvermijdelijk.’

Trekt u geen politieke beerput open, namelijk de middenschool, waar alle kinderen tussen 12 en 15  jaar samen in de klas zitten en pas daarna kiezen voor een bepaald type voortgezet onderwijs?
‘Die discussie dateert van de jaren zeventig. Destijds speelde de utopische onderstroom van het kabinet-Den Uyl: we kunnen de wereld veranderen, te beginnen het onderwijs, want dan verander je de geesten van mensen. Maar dat is geen goede insteek.

‘De benadering was ook anti-intellectualistisch. Men vond grammatica niet belangrijker dan bandenplakken. Ik denk dat dat juist voor de zwakkere leerlingen slecht uitpakt. In de milieus waar ouders zelf ook minder opleiding hadden, zag men de achterstanden niet of ontbrak het aan geld voor bijles. In de middenschooldiscussie werd dat gebagatelliseerd.

‘Maar als basis is grammatica wel degelijk belangrijker dan bandenplakken. In taal, rekenen en kennis van de wereld om je heen moet je een basis krijgen. Als je vervolgens op je 18de besluit meubelmaker te worden, is dat een andere keuze dan wanneer men tegen een 12-jarige zegt: ach, waarom zou jij eigenlijk de moeite doen om Engels te leren?’

Het stelsel moet rigoureus anders?
‘Ik ben voorzichtig. De les uit het verleden is: begin niet meteen met stelselwijzigingen. Dat is deze kabinetsperiode niet mijn doel. Maar ik werp het niet voor niks op. Dit stelsel is er niet voor eeuwig. ‘Daarom wil ik dit onderwerp wel agenderen.’

Waarom is dit probleem nu acuut?
‘We hebben altijd heel veel sociale stijgers gekend. Mijn oude vakgebied, de bètawetenschap, zit vol mensen die van huis uit niks anders hebben meegekregen dan een goed stel hersens. Zij klommen op. Dat is anders dan bij rechten of geneeskunde, waar de ouders van studenten vaak ook advocaat of arts waren.

‘Tegenwoordig zie je andere sociale stijgers. Denk aan de moslimmeiden die massaal door hun energie, enthousiasme en intelligentie het hbo doorfietsen.

‘Maar ik zie helaas ook nieuwe groepen van immobiliteit: de jongens die uitvallen tussen vmbo en mbo, of die afhaken op het hbo. Daarom moeten we nieuwe sociale stijging organiseren en het keuzemoment voor een onderwijstype opschuiven.’

Waarom weten die jongens zo laat wat ze kunnen en willen?
‘Jongeren zijn tegenwoordig op sommige gebieden heel voorlijk: in het omgaan met geld, drinken van bier en in seksualiteit nemen grote groepen eerder het heft in eigen handen. Maar op andere gebieden zie je een uitgestelde jeugd. Waar men misschien vroeger op zijn 16de zeker wist dat men later dit of dat wilde worden, schuiven jongeren nu massaal die beroepskeuze naar achter. Dan wordt het dus des te bezwaarlijker om vroeg voor te sorteren.’

Wat is volgens u het urgentste probleem in het onderwijs?
‘Dat was aan het begin van deze kabinetsperiode de prognose dat over zeven jaar driekwart van de leraren niet meer voor de klas staat. Het lerarenvak was weinig populair.

‘Daar hebben we meteen maatregelen voor genomen en budget vrijgemaakt. We plukken daar de eerste vruchten van. Zie de lerarenbeurzen. Docenten kunnen maximaal 3.500 euro krijgen om zich te laten bijscholen, of om een hogere onderwijsbevoegdheid te krijgen. We rekenden op ongeveer 1.400 aanvragen, maar het bleken er 5.000. Het bewijst het enthousiasme. Daarom is het budget ook verhoogd.’

Er is veel zorg over het reken- en taalonderwijs. U vindt dat scholen weer strenger moeten worden.
‘Er zijn in theorie twee uitersten in het onderwijs: enerzijds het instructiemodel, waar de docent weet wat een kind moet leren en die kennis overdraagt. Anderzijds is er het ontplooiingsmodel, dat kinderen wil helpen zelf zijn gaven te ontdekken. We zijn volgens mij te veel naar de kant van de ontplooiing doorgeslagen.

‘Die vrijblijvendheid moet weg. Kinderen weten nog niet wat ze in hun latere leven aan kennis en kunde nodig hebben. Het mag dus wel weer iets schoolser, met meer structuur. Maar we moeten hoeden voor romantiek. Niet alle onderwijsvernieuwingen zijn slecht. Niet alles was vroeger beter.’

Maar het niveau is dus te laag?
‘Ik was eens te gast bij een lerarenopleiding. Daar zaten schatten van studenten te blokken op de rekentoets. Het was treurig, want het was overduidelijk dat ze niet op tijd bijgespijkerd zouden zijn. Dat betekende dat ze hun opleiding niet konden voortzetten.

‘Het ging om sommetjes als 553 min 98. Zelfs op papier lukte dat niet. Met tranen in de ogen zei een student dat hij er geen snars van begreep. En let wel, ze waren heel gemotiveerd om leraar te worden. Hun problemen bewijzen dat ze als leerlingen op school slecht hebben leren rekenen.’

U laat onderzoeken waarom ouders steeds vaker kiezen voor privaat onderwijs. Wat is uw zorg?
‘Zorg is veel gezegd, het valt me wel op dat steeds meer ouders bereid zijn flink te betalen voor onderwijs, terwijl onderwijs in dit land gratis is. De Luzac-colleges en private huiswerkscholen groeien fors. En ja, wellicht betekent het dat ouders soms ontevreden zijn over het reguliere onderwijs.’

U vindt dat de schaalgrootte en marktwerking zijn doorgeschoten. Is dat na de fusiegolf niet wat laat?
‘De schaalgrootte is te ver gegaan. Maar goed, een mammoettanker kan niet snel veranderen van koers. Wel gaan we de positie van docenten, ouders en leerlingen ten opzichte van de steeds grotere schoolbesturen versterken. De besturen praten graag over maatschappelijk ondernemen. Ze moeten eens ophouden alles ondernemen te noemen. Als hun personeel staakt, raakt dat de besturen niet. Maar wél de leerlingen. Of neem de Universiteit van Amsterdam. Die wilde tegen de wet in het collegegeld verhogen. Toen de studenten protesteerden, zei men: ga maar de minister om meer geld te vragen. Zo werkt het niet. Gelukkig heeft de universiteit laten weten zich toch aan de wet te zullen houden.’

mailIcon print |