*

 

Schrijven met je vuisten

Door Willem Otterspeer − 13/11/08, 23:57

Hij was de Mohammad Ali van onze letterkunde en we waren hem bijna vergeten: Jan Boom, alias Tjalie Robinson, alias Vincent Mahieu – begenadigd schrijver, voorvechter en chroniqueur van de Indo-cultuur. Nu geëerd met een schitterende biografie.

Proza kan als een man op je afkomen. Maar er zijn ook mannen die als proza op je afkomen. Jan Boon is zo iemand. Al bestond hij uit vele aliassen en al borg zijn borst vele zielen, hij was gebeiteld uit één blok djati-hout. Hij was een vent die schreef met zijn vuisten, een vechter met de ziel van een vlinder. Hij was de Mohammead Ali van onze letterkunde en we waren hem bijna vergeten. Nu staat hij weer voor ons, in vechthouding, maar met zijn verdediging laag, in een schitterende biografie.

Een enkeling zal Jan Boon nog kennen als Tjalie Robinson, de onvermoeibare chroniqueur van het Batavia van zijn tijd, de schrijver van de Piekerans van een straatslijper, waarin hij met feilloos oog voor detail en onaflatende liefde voor alles wat tussen wal en schip zat vastlegde. Die cursiefjes vol humor en tederheid zijn tegelijk het tijdsbestendige onderkomen van het Petjo, die zangerige mengtaal met zijn karakteristieke klanknabootsingen, waarin de Indo zijn wereld ving. Anderen kennen misschien Vincent Mahieu, de schrijver van wondermooie korte verhalen, gebundeld in Tjies en Tjoek en Schat, schot, schat. Die verhalen kenden een korte erkenning in de Nederlandse literatuur, maar in de canon die Joost Zwagerman opstelde werd maar één wel heel kort stukje geselecteerd.

Toch zijn het juist deze verhalen, in 1992, achttien jaar na de dood van Boon, gebundeld door Rob Nieuwenhuis, die hem het recht op onsterfelijkheid verlenen, hoezeer dat recht ook bevochten moet worden op een cultuur van vergetelheid. Die verhalen hebben iets mystieks en dat is vreemd, want concreter proza is nauwelijks denkbaar. Evocatiever proza evenmin. Men leze even mee in dat meesterlijke titelverhaal ‘Tjoek’, over één van de vele tomboys die de vertellingen van Mahieu bevolken. Tjoek was de Indische verbastering van ‘choke’, ‘de kwaliteit van een jachtgeweer waarvan de loop iets nauwer toeloopt om de hagellading smaller te bundelen, zodat een geconcentreerder, een dodelijker schot ontstaat.’ En verhaal over precisie dus, over concentratie, met de jacht als metafoor voor het schrijven zelf.

Het verhaal is gelokaliseerd op een eveneens symbolische plek, daar waar ‘De Drie Huizen’ staan, een eind voorbij de laatste brug van de stad. Aan de ene kant was een onafzienbaar Chinees kerkhof, ‘de wereld zelf, waartoe alles eens terugkeert na een kort bestaan van leven’. Aan de andere kant De Grote Rawa, ‘eigenlijk een onzekere werkelijkheidsvorm tussen land en water in’. Tussen kerkhof en moeras, ‘als het enige stuk waarheid en leven, hóé smal ook’, stonden De Drie Huizen en daar woonde niet alleen Tjoek, daar woonde ook meneer Barrès, muziekleraar en niet goed wijs, iemand die systematisch elke kans om iets te verdienen om zeep hieldhielp en leerlingen aanried liever breiles te nemen. Een stokoude man in een verlaten huis. Tot hij gaat spelen:

‘Als dan op zo’n avond een late kalongjager huiswaarts keerde, kon de cello van Barrès hem in verbijstering van de fiets halen om ademloos te luisteren. En te zien naar de opgeroepen fata morgana van falanxen janitsaren op dansende zwarte paarden, zon-glinsteringen op helmen en in maliënkolders, de gele gezichten met lange zwarte snorren opgeheven naar boven: naar het voorteken van een vliegende adelaar in cirkelingen als wijde sabelzwaaien; met kokette, ritmische tippen op de vleugeltoppen. Of hij zag de majestueuze vlucht van de purperreiger langs de azuren hemel, onschendbaar in zijn bescherming van de wetten der weidelijkheid, zó tijdloos schoon, zó broos dat het beeld kristalliseerde in een volmaakte ets op een antieke Chinese vaas.’

Het gekke is dat Tjalie Robinson – want dat is toch van de vele heteroniemen de ene die echt beklijfde – eigenlijk geen schrijver wilde zijn. Eerst man, dan mens, dan schrijver was zijn lijfspreuk. ‘Leven is alles. Schrijven is niets.’ Voor het leven heeft hij gekozen en dat maakt de biografie tot de beste manier om hem te benaderen. Maar kiezen is verliezen, wist ook Tjalie Robinson, ‘kiezen is verraad’. Tjalie doodde uiteindelijk het ding dat hij liefhad. En hij deed dat niet met bitterheid of vleierij, en zeker niet met een kus, maar met een zwaard.

Jan Boon werd geboren in Nijmegen (1911) en zou sterven in Den Haag (1974), maar hij was een kind van Batavia. Hij zou er leven en lief hebben, leraar zijn en journalist, soldaat en schrijver. Hij was de zoon van een Nederlandse vader, een militair in Indië (in administratieve functie) en een Indische moeder, een military beauty if ever there was one. Als Indo en als sensitieve jongen zat hij van begin af aan tussen die wal en het schip waar zijn verhalen zich aldoor afspelen. Oost en West, als geen ander zou hij ontdekken dat ze elkaar niet naderen. Maar Tjalie was nu eenmaal een vechter, berusting zat niet in zijn genen.

Hij had de jeugd van een jongensboek. Die stelde hem in staat een ander tussengebied met overgave te exploreren, dat tussen natuur en cultuur. Het jongetje dat eerder leerde straatvechten dan spellen werd er op precies dezelfde manier een literatuur minnende hbs’er als de straatslijper die schrijver werd. Toch bleef er een spanning bestaan tussen die activiteiten. Het één was verraad aan het ander. Wie weigerde te kiezen kwam vanzelf in een schemergebied, voor Tjalie uiteindelijk de enige plek die iets van een bestemming in zich had.

Tjalie zou onderwijzer worden en weldra journalist en ook die bezigheden wist hij tot één activiteit om te smeden. Opleiden en voorlichten, bij de les houden, dat deed hij met jong en oud en met een autoriteit die soms doorsloeg naar drammerigheid. Daar staat tegenover dat iedereen die mee wilde doen aangemoedigd werd. Bij de vele kranten waaraan hij zich verbond, deed zich steeds hetzelfde patroon voor: Tjalie zocht contact met zijn lezers, verzocht hen om eigen bijdragen, spoorde hen aan hun eigen ervaringen op papier te zetten. Zijn brieven aan lezers bevatten hele lessen in schrijven voor beginners en gevorderden: lessen in kijken, schrijven als praten. Tjalie kon het allemaal uitleggen omdat hij het als geen ander in praktijk bracht.

Je vraagt je af wat er met hem gebeurd zou zijn als de geschiedenis hem niet op zo’n lelijke manier voor het blok gezet had. Gemobiliseerd als KNIL-militair werd hij in 1942 gevangen gezet. Er volgde een reeks kampen die van redelijk humaan devalueerden tot de meest onterende omstandigheden waaraan een mens blootgesteld kan worden. Tjalie hield zich alleen door zijn vechtersnatuur staande maar kwam er diep getekend uit te voorschijn. Na de bevrijding werd hij voorlichter van het KNIL, hoofdredacteur van het orgaan van het Indische leger, en zat hij weer als vanouds tussen twee kampen.

Voor de oorlog vond hij de onafhankelijkheid van Indië even vanzelf sprekend als de blijvende culturele binding met het moederland. Maar de Indo liet zich niet veralgemeniseren, zeker niet na de politieke acties, waarvan we nu weten dat het gewoon oorlogen waren. Zelf diep doordrongen van de militaire deugden en al helemaal niet van plan de erfenis van zijn vader te verloochenen zonder die van zijn moeder te troebleren, moest hij een positie verdedigen die niets met logica en alles met lot te maken had. In 1951 zou hij dan toch kiezen en naar Nederland afreizen en het was, moet men achteraf constateren, de verkeerde keus. Niet dat er een goede keus was, natuurlijk.

Die keus bracht hem al snel tot de overtuiging dat zijn zintuigen, gewend aan het piment en koloriet van Indië, niet zouden aarden in de waterkleuren van Nederland, een land van dichte deuren, een land zonder horizon. Maar hij koos ervoor niet zijn engagement in zijn schrijverschap te zoeken, maar in de herschepping van Indië met andere middelen.

Tjalie werd cultureel ondernemer en zijn faillissement was dat hij daar aanvankelijk met vlag en wimpel in slaagde. Het blad Tong Tong dat hij oprichtte en dat een thuis moest bieden aan alle gerepatrieerde Indiesmensen kende binnen de kortste keren vele tienduizenden abonnees, de Pasar Malam, eveneens het geesteskind van Tjalie Robinson, zou zich ontwikkelen tot de grootste ‘Euraziatische festival ter wereld’.

De Nederlandse literatuur intussen bleef hem vreemd. Heel Nederland bleef hem vervullen met de lichte weerzin van iemand die mensen ziet die hun leven verdoen. Hij begon in te zien dat Nederland te nauw was voor Indië en ontwikkelde plannen voor een betere Indische samenleving in de Verenigde Staten of Zuid-Amerika. Zelfs een Don Quichotachtige onderneming als een Indisch dorp in Spanje kwam tot ontwikkeling. De achtergrond van dit alles was Tjalies overtuiging dat de Indo, de mesties zelf, de kosmopoliet bij uitstek was, de verpersoonlijking van het lef en de wendbaarheid die overal ter wereld zich een thuis schiep. Dat was ook de reden dat hij in een tijd die van antikoloniale sentimenten bol stond, de koloniale samenleving verdedigde.

Toch is dit het geheim van zijn grote schrijverschap: het vermogen om de meest locale van alle plekken, het Indië van zijn herinnering, tot een universeel tussenrijk om te smeden. De mensen die hij beschrijft zijn tegelijk (zoals hij zelf zegt) ‘manifestaties’, zijn beschrijvingen zijn tijdcapsules. Zoals voor een middeleeuwer witte en rode rozen, bloeiend tussen dorens, meteen martelaars werden, zo worden de gestalten in de verhalen van Vincent Mahieu meteen symbolen. Het zijn realistische verhalen in de betekenis van het Nederlandse schildersrealisme uit de zeventiende eeuw, waarin, zoals Huizinga zei, ‘het eeuwige verbeeld werd in een afgehaald bed’.

Maar Tjalie wilde geen schrijver zijn en dat was zijn lot. Dit wordt met groot inlevingsvermogen en diepgaande identificatie beschreven in de biografie van Wim Willems. Het is in veel opzichten een voorbeeldige biografie geworden, in zijn grondige onderzoek, in z’n diepe vertrouwdheid met de vele milieus waarin Tjalie verbleef, in z’n genuanceerde behandeling van voorgrond en achtergrond, in z’n elegante verweving van leven en werk. Willems is duidelijk een afficionado, iemand die zich met huid en haar heeft overgegeven aan zijn held, waarvan hij toch de zwakheden kan zien of de verkeerde keuzes kan begrijpen. Zijn karakteristiek van het literaire werk als ‘de bravoure van Hemingway en de magie van Márquez’ is een schot in de roos.

Zijn identificatie gaat zover dat hij de verkeerde keus van Tjalie, tegen de literatuur, zelf ook maakt, door in de tweede helft van het boek teveel aandacht te geven aan Tong Tong en Pasar Malam. Beter wellicht was geweest die beide initiatieven louter (en korter) vanuit het perspectief van Tjalie te beschrijven en niet als vrijwel volledige monografieën, alle betrokkenen incluis. Maar dit doet niet af aan de directheid en levendigheid van het boek. Hier staat Tjalie voor je, als op de vele schitterende foto’s die erin afgebeeld staan, zijn handen in zijn zakken, recht de camera inkijkend, taxerend, vrij. Misère en grandeur, Willems laat het zijn lezer als het ware aan den lijve ondervinden.

Na zijn dood ging Tjalie nog een keer terug naar Indië, om als as uitgestrooid te worden over de baai van Jakarta. Bij landing op Halim Airport bleek de urn zoek. Bij navraag bleek er wel een pakje van het Haagse crematorium Ockenburg te zijn ingeladen. Het adres van de afzender was nauwelijks te lezen, wel wat de vervoersmaatschappij op het pakje gekalkt had: ‘KLM – Cargo for greater profits.’ Men zou er iets liefs voor over hebben als het werk van Tjalie via de lading van deze prachtige biografie de Nederlandse letteren van groter profijt mag zijn.

mailIcon print |