*

 

Omzien in verwondering

Door Jan Tromp − 06/09/08, 10:19

Wijnand Duyvendak: ‘Op zeker moment werd de conclusie eenvoudig. Ik zei tegen mezelf: je kunt dit hele verhaal, de aanval op de jaren tachtig en de actuele nasleep, alleen nog voor jezelf oplossen als je rust en tijd creëert en niet langer onder het vergrootglas ligt van het Kamerlidmaatschap....

‘Natuurlijk had ik de smoor in. Wie maakt uit wie voor GroenLinks in de Kamer zit?
‘Het voelt als een stap opzij, ik heb mijn zetel opgegeven, verder niks. Het is misschien afgedwongen, maar uiteindelijk was ik er niet ongelukkig onder. Wie weet, dacht ik, wordt mij weer eens wat gevraagd.’

Wat bedoel je?
‘Het absurde was dat naarmate de publiciteit over mij aanzwol en de koppen vetter werden, ik minder werd gebeld. Het was een onwezenlijke ervaring. De eerste week ging het nog wel: vertel hoe het zit, vroegen ze. In de tweede week toen De Telegraaf overging op vetter en groter en de weekbladen trouwens ook, was er niemand meer die nog iets van mij wilde weten. Over mij, maar zonder mij.

‘Natuurlijk was het offer groot. Maar je brengt het om daarna door te kunnen spelen. Ik wil verder met de klimaatstrijd. Het is een schaakspel, je geeft een pion weg, oké, in mijn geval een zwaarder stuk, een loper, tot je dienst. Maar voor mij staat vast dat als ik niks had geofferd, ik ook niet had kunnen doorvechten.

‘Op het moment waarop ik besloot dat ik ophield Kamerlid te zijn, was er de opluchting. Ik had weer grond onder mijn voeten. Ik kon weer terugpraten.’

Aangeslagen is hij niet, zoals hij daar zit achter zijn eettafel in het 19de-eeuwse huis in Amsterdam-Oost. Nuchter, dat is ie. Zijn hoekige gestalte draagt bij aan het beeld van een vissersman die de zuidwester nog eens stevig over de kraag trekt. De storm giert.
In De Telegraaf werd hij ‘de Karadzic van de beweging’ genoemd. ‘Het extreem-linkse monster reikt met zijn tentakels tot in de top van de maatschappij.’ De Volkskrant was ook niet kinderachtig. Duyvendak werd op één lijn geplaatst met Gerry Adams, stille kracht achter het moorddadige geweld in Noord-Ierland. In een hoofdcommentaar werd GroenLinks, de partij van Duyvendak, ‘een reclasseringsoord voor politieke delinquenten’ genoemd. HP/De Tijd en Elsevier mogen als stokebrand niet onvermeld blijven.

‘Het was een vreemde ervaring om het object te zijn van zoveel razernij en nieuwsstrijd. Hebben we nog iets van Duyvendak? Wat hebben de anderen van Duyvendak? Jongens, ik heb voor de voorpagina absoluut iets over Duyvendak nodig. De sfeer van scoringsdrift. Van échte nieuwsgierigheid – wie is Duyvendak, welke lessen trok Duyvendak – heb ik weinig gemerkt.’

Wanneer wist je dat je voortbestaan als politicus onmogelijk was geworden?
‘Laat op dinsdagavond 12 augustus trof ik in mijn mailbox een bericht van George Verberg. Hij was de man die destijds, in 1985, op Economische Zaken als hoogste ambtenaar over de kernenergie ging. Hij schreef me wat hij en zijn gezin hadden doorgemaakt en dat hij van plan was zijn verhaal naar de krant te sturen. Twee dagen later heeft NRC de brief van Verberg gepubliceerd. Het was de druppel.

‘Hoe gaat zo’n besluit? Je zit te wikken en te wegen. Het was ook een strijd om beeldvorming. In de politiek is dat hetzelfde als geloofwaardigheid. De inzet was: hoe onbetrouwbaar is die Duyvendak? Ik probeerde me zo goed mogelijk overeind te houden, maar aan het einde van iedere dag voelde ik dat ik weer een stukje terrein had verloren.

‘Ik werd teruggedrongen in de jaren tachtig. Ik werd weer die man met die uilenbril en die krulletjes in zijn haar.

‘Toen kwam die brief. Dat was een grote schok. In die brief stond iets dat we nooit beoogd hadden. Oké, we hadden adressen gepubliceerd. De sfeer was: hij krijgt een keer ongevraagd een Wehkampbestelling thuisgestuurd. Een beetje pesten – ook al niet fraai trouwens.

‘Ik heb tot 12 augustus nooit geweten hoever het gekomen was. Een doek met benzine. Kinderen in het spel. Afschuwelijk. Ik had het niet beoogd. Ik had het zelf niet gedaan. Maar het was wel gebeurd.

‘Ik wilde excuses maken aan de familie, daar ook de tijd voor nemen. Je kon op je klompen aanvoelen dat daarvoor weinig gelegenheid bestond in die belaagde positie. Ik moest ruimte maken. Ik moest de Kamer uit.

Heb je Verberg nog iets laten horen?
‘Ik heb hem de woensdagochtend voordat de zaak in de publiciteit kwam een brief gestuurd. Ik heb daarin uitgebreid excuses aangeboden. Ik heb hem die dag nog twee keer aan de telefoon gehad. We hebben een afspraak gemaakt om elkaar te zien.’

Hij had de zaak, na zoveel jaren, uit de publiciteit kunnen houden.
‘Van iemand die zoiets heeft meegemaakt, verwacht ik geen mededogen.’

Hoe bont heb je het nou eigenlijk gemaakt destijds?
‘Ik zat dit weekeinde min of meer toevallig nog wat te neuzen in juridische papieren die ik heb bewaard, dagvaardingen, vonnissen, mijn verdediging daartegen.

‘Wat ik echt bont vind, is mijn claim dat alleen wij effectieve acties ondernemen. Verder is niets effectief. Wij doen wat nodig is en jullie rechters, jullie parlement, jullie bedrijven, jullie laten alle problemen zitten.

‘Eigenlijk vind ik dat het bontst. Dat je zo overtuigd bent van je eigen gelijk dat je claimt dat wat jij doet, echt is en al het andere nep. Dat je moreel superieur bent. Politiek superieur.

‘Je kunt van dat inbreken van alles vinden. Ook nu nog. Maar die morele superioriteit getuigt van een blik op de samenleving die ik in de loop der jaren steeds verwerpelijker ben gaan vinden. Daar zit de kern van mijn afscheid van de jaren tachtig.’

De jaren tachtig. Wijnand Duyvendak: ‘Het interessante van die periode was en blijft dat je een geweldig groot maatschappelijk engagement had, van heel veel mensen. Er was de overtuiging dat je samen de maatschappij beter kon maken. Er leefde een sterk internationalisme. Het onderwerp van die tijd was: wij doen mee. Het is een besef dat ik nu ontzettend mis, maar dat we in de klimaatstrijd opnieuw nodig zullen hebben.’

In de jaren tachtig lanceerde premier Lubbers zijn no-nonsensebeleid. De vredesbeweging groeide naar een hoogtepunt met het verzet tegen de kruisraket. Kraken was aan de orde van de dag. Een deel van de beweging radicaliseerde.

Hij zegt: ‘Het grootste deel van de kraakbeweging had weinig tot niks met de concrete politiek. Men leefde z’n eigen leven. Dat kon vrij gemakkelijk. Iedereen kreeg een bijstandsuitkering, je hoefde er amper om te vragen. Banen voor jongeren waren er niet, er was domweg geen werk voor ons, ze gaven je maar al te graag een uitkering in de hoop dat je jezelf bezig kon houden en dat je rustig bleef.

‘Je had cultuurtjes waarin men vanuit het kraakpand restaurantjes opzette, kapsalons. Punk speelde een belangrijke rol. Heel veel mensen bekommerden zich niet om de politieke kant van het kraken, maar zagen het als een manier van leven. Daarbinnen had je dan de groep die veel politieker was, maar ook weer in tal van schakeringen.’

En waar bevond jij je in dat universum?
‘Niet in de gewelddadige hoek. Daar had ik niks mee. Grijpink, de oud-politieman, gaf me bij jullie in de krant vorige week een hoofdrol in de bezetting van de Vondelstraat. Ik was zogenaamd een van de leiders. Of het klopte, werd mij niet eens gevraagd.

‘In werkelijkheid woonde ik betrekkelijk braaf in een kraakpand in de Indische Buurt, achter het spoor. Ik liep mee in de Vondelstraat. Ik zal niet zeggen dat ik voor het eerst over het spoor kwam, maar groen was ik. Ik ontdekte voor het eerst al die andere krakers in de stad, ik vond het geweldig te voelen dat je niet alleen was. Maar ik hobbelde mee, meer was het niet.

‘Ik heb geen enkele leidende rol gespeeld. Ik ben één keer op het balkon geklommen, gewoon omdat ik bang werd van al het geweld. Het was niet de uitdrukking van een positie die ik zou hebben. Ik had geen positie.’

Ook niet als vechtersbaas?
‘Dat al helemaal niet. Ik heb reumatische klachten, sinds mijn puberteit. Ik heb pijn in mijn botten, in mijn gewrichten. Ik ben gewoon een zwakke jongen, volkomen ongeschikt om met een helm en een bivakmuts door de straten te rennen.’

In de publiciteit heb je het geschopt tot ‘het extreem-linkse monster’. Er is gretigheid om je te grazen te nemen. Maakt het deel uit van het revanchistische klimaat dat met Fortuyn is begonnen?
‘Dat is te makkelijk. Er is met de moord op Fortuyn en die op Theo van Gogh wel degelijks iets wezenlijks veranderd in Nederland. Er waren straatrellen in de jaren zeventig en tachtig, we publiceerden adressen. Maar doden zijn nooit te betreuren geweest. De laatste politieke moord in Nederland dateerde bij wijze van spreken uit 1621.

‘Met de moorden op Fortuyn en Van Gogh is twee keer het ondenkbare denkbaar geworden in Nederland. Dat heeft de boel op zijn kop gezet. Sindsdien kan en moet iedereen weten dat geweld en ook alles wat het begin daarvan is, inclusief het publiceren van adressen, kan uitlopen op het fatale gevolg. Voordien was het fatale gevolg domweg niet in beeld.’

Het lijkt me nuttig dat je de opmerking maakt, maar angst voor herhaling van het fatale gevolg is toch niet het motief achter het volksgericht van de afgelopen weken?
‘Nou ja, volksgericht. Je moet niet overdrijven, hoor. Als ik hier over straat loop, heb ik nergens last van.

‘Ik verklaar veel van de onrust – niet die bij De Telegraaf, misschien wel die van de Volkskrant – uit de vraag: wat voor periode was dat eigenlijk, de periode van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig? Er bestaat veel verwarring over. Het is voor een deel een ongekend en onbediscussieerd verleden. Is over die periode voldoende verantwoording afgelegd?’

Er is vast het een en ander uit de rails gelopen, maar over het algemeen was het een tijd van grote maatschappelijke betrokkenheid waartegen de niksigheid van nu schril afsteekt. Waarom zouden we nu opeens as op ons hoofd moeten strooien over die periode?
‘Ik heb gezegd dat we de jaren tachtig kennelijk niet als geschiedenis kunnen afdoen. Veel ervan is nog onverwerkt. We hebben een debat over die periode nodig. Wat ging fout, maar zeker ook: wat ging goed?’

Wat overweegt voor jou, terugdenkend aan die tijd?
‘Ik vind wel degelijk dat een aantal dingen uit de hand is gelopen. Maar het goede overheerst. Weet je waarom ik dat zeg? Omdat wat ik toen geleerd heb – te vertrouwen op mijzelf – mij dezer dagen op de been heeft gehouden. Politiek kent allerlei conflicten en onverwachte wendingen. Ik ben destijds in elke kuil gelopen. Maar ook leerde ik dat als je voortgaat, als je blijft zoeken naar het initiatief, dat je dan niet hoeft te knakken.

‘Die houding die ik mij toen eigen heb gemaakt, is mijn identiteit geworden. Het heeft me overeind gehouden in deze weken.’

Het goede overheerst en toch vraag je om publieke verantwoording van iedereen die meedeed aan buitenparlementaire actie. Dominique Weesie van die schreeuwerig rechtse website GeenStijl zei zaterdag in NRC: ‘Het is nu prijsschieten geworden.’ Zou het kunnen dat het zover is gekomen doordat jij op je rug bent gaan liggen, met de pootjes omhoog?

‘Nee, ik ben niet op mijn rug gaan liggen – en maak dat GeenStijl niet zo belangrijk. Die zijn altijd aan het prijsschieten.’

Veel van de Volkskrantlezers begrijpen er niets van. Zie de ingezonden brieven: ‘Het is genant dat Duyvendak zich 23 jaar na dato in alle bochten kronkelt om aan rechts Nederland duidelijk te maken dat hij zich destijds vergist zou hebben.’
‘Ik trek lessen uit mijn verleden, juist om in het heden vooruit te kunnen. Maar ik verloochen mijn politieke biografie niet.’

Hij voert Kees Schuyt op, de socioloog, die in zijn proefschrift over burgerlijke ongehoorzaamheid in 1972 de criteria formuleerde voor de morele en juridische aanvaardbaarheid van acties.

Duyvendak: ‘Voor mij is Kees Schuyt heilig. Die heilige was hij niet voor mij in de jaren tachtig. Nu wel. Nu zeg ik voluit: het parlement is het centrum, niet mijn eigen actie. Het idee dat je zelf wel even de wereld zult reorganiseren, op basis van je superieure inzichten, daar moet je vanaf, hoor. Dat is niet gezond.

‘Als mensen dat genant noemen, dan zeg ik: sorry, ik ben alleen maar veranderd.’

Ik geloof niet dat ze jouw verandering van opvatting genant noemen. Wat tegen de borst stuit, is het beeld dat mede door jouw toedoen is opgetrokken: we moeten ons schamen voor ons verleden, we moeten op Chinese wijze aan zelfonderzoek gaan doen – en dat nota bene tegenover volk dat geen poot heeft uitgestoken.

‘Uit de e-mails die ik krijg, rijst een ander beeld op: goed dat je doorgaat, goed dat je overeind blijft, goed dat je moedig blijft. Maar ik heb het mezelf natuurlijk niet gemakkelijk gemaakt. Voor de ene groep heb ik te weinig afstand genomen, voor de andere juist te veel.

Nog een citaat: ‘Beste Wijnand, wil je voor je prachtige en nuttige werk nooit meer excuses aanbieden, alsjeblieft?’
‘En hoe zit het dan met meneer Verberg die de in benzine gedrenkte lappen door zijn brievenbus kreeg? Ik heb mijn excuses aangeboden en ik vind dat nog steeds heel gepast. Voor wat die familie overkomen is, past niets anders dan excuses.’

En toch zitten de mensen die met de demonstraties tegen de kruisraket meeliepen of die kraakten omdat de leegstand de spuigaten uitliep, met de kater dat je rechts de ruimte hebt gegeven om van die tijd een karikatuur van geweld en terrorisme te maken.
‘Dan maak je mij veel te groot. Dat kan ik nooit gedaan hebben. Dan bestond die ruimte al.

‘Een van de redenen van mijn terugtreden was juist het besef dat ik niet meer het goede van de jaren tachtig over het voetlicht kon brengen. Ik word vereenzelvigd met die branden en stenen.

‘Als je zelf onderwerp van discussie bent, is je spankracht gering. De discussie had opengebroken kunnen worden als veel meer autoriteiten en opiniemakers het goede, het positieve naar voren hadden gebracht. Dat is niet gebeurd. Het is me enorm tegengevallen.

‘Ik heb er negen dagen alleen voorgestaan. Niemand nam het voor me op of probeerde de nuance in het debat te brengen. Elke ochtend sloeg ik de krant op en elke dag, spijtig genoeg ook in de Volkskrant, werd ik plat negatief weggezet.’

Waar was Femke Halsema?
‘O, maar die heeft het voor me opgenomen.’

Ze zei dat je integer was. Stel je voor.
‘Nou ja, ik denk dat Femke met hetzelfde probleem worstelde: ook ik kan het niet in m’n eentje voor Wijnand oplossen. We hebben anderen nodig. Die anderen, die waren er op dat moment niet.’

Laten we nog een proef op de som nemen. Er wordt ingebroken in het ministerie van Algemene Zaken. Er komen stukken naar buiten over een zaak die de regering tot nu toe krampachtig geheim heeft gehouden: de besluitvorming over de Nederlandse deelname aan de oorlog in Irak. Is dat een gerechtvaardigde actie?
‘Schuyt zegt: het moet geweldloos zijn, het moet bijdragen aan het debat in het parlement, je moet ervoor uitkomen dat je hebt ingebroken.

‘Dan moet het geen inbraak zijn; je moet kiezen voor een bezetting waarbij je meteen de pers meeneemt naar binnen en je aanvaardt dat je gearresteerd wordt. Dan zou het nog net kunnen, volgens Schuyt.’

En volgens jezelf? Goeie actie?
‘Niet als het gebeurt vanuit de houding: wij gaan even de wereld rechtzetten. Dan steun ik het niet. Er moet een grote nederigheid in de actie zitten.’

Goed, we zijn nederig. Goeie actie?
‘Misschien. Het kan. Ik weet het niet. Ik ben huiverig. Het mag niet de gewoonte worden om zo de problemen in onze samenleving op te lossen.’

mailIcon print |