Zijn vermogen om te bewonderen was misschien zijn opvallendste karaktertrek en na zich er een mensenleven aan te hebben overgegeven was het zelfs een vaardigheid geworden.
De bewonderaar, die in het uiterste geval zijn kritische vermogens opgeeft en een fan wordt en dan alleen nog maar zwijmelend kan juichen en klappen, disciplineert zijn impulsen van bijval en verbazing, ziet ze onder ogen, weegt ze en schikt ze – en dan is de ciriticus al bijna geboren.
De criticus Kees Fens is voortgekomen uit de bewonderaar, precies zoals de man uit de jongen groeit. De romans van Simon Vestdijk bewonderde hij, als jongen al, want hij is zeer jong zeer veel zeer goed gaan lezen: de versterkingen van dat ‘zeer’, de herhaling ook, zijn in zijn geest. En de dichter Leopold bewonderde hij. Vanuit zijn bewondering voor Leopold en Slauerhoff, de dichters van zijn jeugd waarvan hij de eerste trouw is gebleven en zich voor de tweede soms een tikje is gaan generen, zoals hij zich ook wel eens voor Vestdijk leek te zijn gaan generen, is hij de poëzie van zijn eigen tijd gaan lezen. De ontwikkeling van de na-oorlogse Nederlandse poëzie is ook zijn ontwikkeling als criticus geweest. Allebei werden zij gekenmerkt door een uitbundigheid die ook een bevrijding weerspiegelde. Na verloop van tijd was hij de beste poëzie-criticus, de beste poëzie-lezer, de beste poëzie-docent; de trouwste ook.
Omdat hij jong is gaan schrijven heeft hij hun oeuvres als het ware begeleid: hij groeide ermee op, met Gerrit Kouwenaar, Remco Campert en Hugo Claus, hij groeide met hen mee, zijn bewondering keer op keer terugschrijvend op krantenpapier. Zijn smaak was aanvankelijk gevormd door de groten uit het Interbellum – ook Nijhoff is een levenslange liefde van hem gebleven – en het tekent hem dat hij zich even later nochtans openstelde voor de breuk met de traditie en de radicale vernieuwing die de Vijftigers bewerkstelligden. In Lucebert zag hij een van de allergrootsten en het karakteriseert hem andermaal dat hij ook hem is blijven lezen, over hem is blijven schrijven.
Poëzie
De poëzie was belangrijker voor hem dan het proza, misschien omdat hij een geconcentreerde lezer was en, hoe gek dat ook mag klinken voor iemand die tientallen jaren lang vele honderden boeken besproken heeft, eigenlijk geen veellezer. In een periode waarin ook het Nederlandse proza zich loszong van de traditie, de era van Claus, Hermans, Mulisch, Nooteboom, Reve en Wolkers, schreef hij daar stelselmatig over. Toen er nieuwe tradities, nieuwe richtingen ontstonden, gaf hij het op: in 1977 liet hij de wekelijkse bespreking van Nederlands proza aan zijn opvolgers over. Mopperend, dat wel, zowel op de literatuur zelf als op haar critici.
Twee omstandigheden hebben hem tot de toonaangevende criticus van zijn generatie en ver daaraan voorbij gemaakt. Het waren twee omstandigheden waar hij niet verantwoordelijk voor was - én het waren twee karaktertrekken.
Die omstandigheden waren: de grote bloei en vernieuwing van de literatuur in de eerste drie decennia na de Tweede Wereldoorlog, toen ook de literatuur wederopgebouwd moest worden. En de toen nog bestaande mogelijkheid dat allemaal door één criticus te laten lezen en beoordelen. Het dagblad De Tijd vroeg hem daarvoor, even later verhuisde hij naar De Volkskrant. Hij had het rijk alleen en bestuurde dat rijk als een verlicht despoot: hij wist alles, hij las alles en hij beoordeelde alles.
Hij was daar genereus in, want een geboren bewonderaar. Maar, zoals bij iedere bewonderaar, werden zijn voorkeuren geleidelijk aan absolutistischer (wat goed was werd in zijn ogen heel goed) en zijn afkeer verhardde zich navenant (wie het verbruid had kon geen goed meer doen). Omdat hij van huis uit geen intellectueel was en wat vorming betreft geen academicus, maar een begerig lezende jongen uit Amsterdam-West met een beperkte horizon, las hij zich aanvankelijk louter op zijn gevoel een weg de literatuur in. Pas gaandeweg las hij met hartstochtelijke omhelzing van de formele opvattingen van de wetenschap, de literatuurwetenschap en de neerlandistiek. Daardoor is hij steevast meer van het kleine, het onpretentieuze blijven houden dan van het grote en ambitieuze: A..Alberts was veel eerder zij held dan Harry Mulisch.
Die achtergrond verklaart wellicht ook zijn devote omhelzing van de formele literatuur-critische opvattingen die eind jaren vijftig, begin jaren zestig opgeld deden. Zij deden hem toetreden tot een groep neerlandici die de kritiek wilden objectiveren en formaliseren en die in het tijdschrift Merlijn de daad bij het woord voegden. Zijn Lust am Lesen en zijn scherpe intellect vonden elkaar in die samenwerking. De mede-redacteuren uit die tijd, zij zijn zijn vrienden gebleven, levenslang. In de bezeten ijver, de onvoorstelbare productie uit die jaren – aan hoeveel scholen en instituten moet hij in die jaren niet les hebben gegeven, hoeveel duizenden werkstukken gecorrigeerd en van commentaar voorzien, naast zijn zeer aanzienlijke practijk als publicist? – wordt behalve zijn behoefte om te bewonderen en zijn liefde voor de literatuur, ook de enorme bevrijding zichtbaar die hij gevoeld moet hebben. De literatuur had hem een kans geboden, een kans die hij met alles wat in hem was heeft omhelsd. Hij had zich tegelijkertijd bevrijd en verrijkt: dat verklaart wellicht ook zijn trouw, aan auteurs, aan opvattingen, aan het boek.
Columns
Aan de literatuur – en inmiddels ook aan de wetenschap, aan een cultuur die breder, veel breder is, dan die van de neerlandistiek waarin hij inmiddels, eind jaren zestig, begin jaren zeventig, zo’n gezaghebbende plek had verworven. Zijn afscheid van de wekelijkse literatuurkritiek eind jaren zeventig werd daarom niet of niet in de eerste plaats het afscheidsceremonieel van een verbitterde, ouder wordende man, maar vooral een nieuw begin. Hij ging columns schrijven, soms onder eigen naam (voor de Volkskrant), soms onder het pseudoniem A.L.Boom (voor De Tijd, toen inmiddels weekblad geworden). En hij begon zijn andere grote liefdes met de lezer te delen, in zijn befaamd geworden ‘maandagstukken’ in de Volkskrant, lange beschouwingen ‘naar aanleiding van’ een boek eerder dan critische besprekingen van die boeken. Zijn intellectuele generositeit daarin werd een pleisterplaats voor hartstochtelijke lezers.
Drie geregeld terugkerende onderwerpen daarin kenmerken hem: de traditie van het rooms-katholicisme, vooral in de middeleeuwen, de biografie en Engeland.
In het middeleeuwse katholicisme, dat van de allergrootste kerkvaders voorop, trok hem de eenheid van het wereldbeeld, de eenheid van alle kennis. Hij moet het verlangen gekend hebben alles te weten, alles gelezen te hebben, en pas op grond van die universele kennis de vrijheid te verwerven zelf verder te denken. De kerkvaders Ambrosius en Augustinus waren zijn helden: de allesweters die hun alomvattende wereldbeelden grondvestten op kennis van alles wat tot hun tijd toe geschreven was. Door het inzicht dat hij zelf nooit meer alles zou kunnen weten en de frustratie die dat in hem bewerkstelligd moet hebben, klampte hij zich aan hen vast. Onze tijd zag hij als een tijd van verval. De eenheid van de christelijke cultuur was gebroken en de wereld lag er sedertdien ontredderd bij, ‘de hemel ligt in stukken op aarde’.
De biografie, de Britse schrijversbiografie voorop, las hij, zoals middeleeuwers heiligenlevens lazen. Hij nam de grote Engelse schrijvers ten voorbeeld, spiegelde zich aan hen, verlustigde zich aan hen – en, vrees ik, geselde zichzelf soms met hen. De allergrootsten en de allergeksten oogstten zijn diepste respect. In feite waren veruit de meeste van die maandagstukken postume vormen van fanmail. Dat hebben zijn lezers in de jaren tachtig en negentig herkend en van een gezaghebbend neerlandicus werd hij een inspirerend cultuurhistoricus.
Tweede vaderland
Engeland was zijn tweede vaderland, zijn diepe liefde voor Rome niet te na gesproken. In de Romeinse barok herkende hij het laatste moment in de cultuurgeschiedenis waarin alles nog met alles samen had gehangen. De kerk van de Jezuïeten, triomf van wetenschap, kunst en levensbeschouwing samen gesmolten en gestold in architectuur en beeldhouwkunst, was er zijn belangrijkste ijkpunt. Bij zijn eerste bezoek daaraan was hij er op het mystieke af door overweldigd en die ervaring is hem altijd bijgebleven. Nooit zag ik hem gelukkiger en tegelijkertijd energieker, wispelturiger en ontspannener dan wanneer hij in Rome was. Tafelgesprekken ontaardden in een ping-pong van kennis en hunkering naar nog meer kennis.
Ook dat had iets Engels. In de Engelse academische cultuur, met name die van de voormalige kloostescholen van Cambridge en Oxford, herkende hij de monomanie, de energie en de liefde voor de traditie – en bovenal de stijl en de onvoorwaardelijke overgave aan het kennen om het kennen. Hij bewonderde die niet zozeer, als dat hij er verliefd op was. Maar zij bleven een onbereikbare liefde voor hem, zo vaak als hij ze opzocht. Hij voelde zich, zei hij, ‘heel ruw’ alleen al in vergelijking met wat de studenten daar konden.
Een bewonderaar, tot in zijn merg – en dus ook een scherp, soms zelfs te fel criticus, van wat hem niet aanstond. Toen hij het eenmaal tot hoogleraar had gebracht, aan de Rooms Katholieke Universiteit van Nijmegen, maakten zich een zekere somberheid en ontgoocheling van hem meester. De universiteit bleek een boekhoudmachine van calculerende docenten en, nog erger, calculerende studenten, studiepunten gingen voor kennis, de kennis die hij had nagejaagd bleek niet alleen overtollg, ze werd alom als volslagen overbodig gezien. Hij kon daar fel naar uithalen, ‘want de belangeloosheid om je in iets te verdiepen, ik zou haast zeggen: de genade van de belangeloosheid, die wordt niet gewaardeerd.’ Zijn fundamentele behoefte te bewonderen werd er in toenemende mate als iets potsierlijks gezien. Dat heeft hem diep teleurgesteld.
Er zit iets curieus in zijn bewondering: hij bewonderde zowel de rooms-katholieke traditie als de academische, maar hij geloofde in geen van beide meer. Hij wilde noch bij de hedendaagse kerk, noch bij de eigentijdse universiteit horen. De troebelen van het eigentijdse, die de kerk en de universiteit vermoedelijk ook al in hun bloeitijden gekend hebben, stoorden hem, het ideaalbeeld was verkieslijker dan de weerbarstige werkelijkheid. De weerbarstigheid en zijn ergernis daarover maakten hem geleidelijk aan tot een cultuurpessimist. De traditie en de wetenschap, zij waren een droom waaronder hij ten slotte bezweken is.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.