*

 

Foerageren in de bebouwde kom

Van onze verslaggeefster Eveline Domevscek − 04/08/07, 02:46

De centra van Leiden, Haarlem, Rotterdam en Den Haag hebben hun meeuwen, Amsterdam zijn kippen, hanen, ganzen en groene halsbandparkieten, Epe zijn wilde zwijnen en elke stad herbergt massa’s duiven....

Terwijl de stedeling steeds vaker het platteland opzoekt voor een rustige vergadering of ‘om er gewoon even uit te zijn’, lijken dieren zich in de tegenovergestelde richting te bewegen: naar de stad. Hoe komt het toch dat dieren de grijze steden verkiezen boven het weidse groen?

In Leiden veroorzaken meeuwen al jarenlang veel overlast, althans in de ogen van een deel van de bewoners. ‘De een vindt ze verschrikkelijk, de ander is dol op ze en voert de beesten zelfs’, weet een woordvoerster van Vogelbescherming Nederland.

Of het scherpe gegil van de vogels en het opentrekken van vuilniszakken nu irriteert of niet, dat het er veel zijn is een feit. Volgens de Leidse stadsbioloog Frits van der Sluis bevolken meeuwen – met name de zilver- en de kleine mantelmeeuw – niet alleen de Nederlandse binnensteden, maar kan gesproken worden over een wereldwijd verschijnsel.

De Universiteit Leiden onderzoekt op dit moment wat de stad zo attractief maakt voor de meeuw. Van der Sluis heeft zo zijn vermoedens. ‘Ze hoeven niet lang te zoeken naar eten en hun natuurlijke vijanden zoals vossen ontbreken.’

Volgens de Vogelbescherming leidde de verdwijning van vuilnisbelten – waar meeuwen veel hun voedsel vonden – tot een trek naar de stad. Daar is genoeg eten te vinden, zegt de Amsterdamse stadsbioloog Martin Melchers.

Dat het aantal ooievaars de laatste twintig jaar in steden is toegenomen is volgens Van der Sluis ‘niet heel verwonderlijk’. ‘Het aantal is in heel Nederland gestegen, dus ook in steden. Bovendien kwam de ooievaar van oorsprong al veel voor in stedelijke gebieden. Daar zijn veel schoorstenen te vinden en dat zijn goede broedplekken.

‘Het is ook nog eens een beest met veel aanzien, een vogel die mensen graag in de buurt hebben. Om die reden lokken burgers met de bouw van paalnesten ooievaars naar hun huis.’

Maar hoe zijn de andere dieren in de stad terechtgekomen? Volgens Melchers, die ‘zeker weet dat zowel de aantallen als de soorten dieren in de stad talrijker zijn geworden’, heeft vooral de mens dit veroorzaakt.

‘Tamme ganzen en kippen zijn gewoon te koop op de markt. Zeker als kind smelt je bij het zien van deze dieren die, als ze jong zijn, volledig voldoen aan het babyschema: bol hoofdje, grote ogen.’

Zijn Leidse collega denkt dat van de meeuwen, maar ook merels, futen, stadsreigers en houtduiven, enkele durfals de stap naar de stad als eerste hebben gezet. ‘Toen bleek dat zij ‘broedsucces’ hadden en goed konden overleven, volgden er meer.’

Toch verdwijnen er juist ook dieren uit de stedelijke gebieden. ‘Er zijn soorten die een hekel hebben aan de stad en mensenschuw zijn’, zegt Van der Sluis.

Een woordvoerster van de Vogelbescherming gaat nog een stapje verder. Volgens haar zijn er over het algemeen minder vogels in de stad te vinden.

Om deze reden begon de Vogelbescherming vorig jaar met het zogenoemde Stadsvogelprogramma. ‘Dat houdt in dat in vier steden – dit jaar in Amersfoort, Dordrecht, Zoetermeer en Hardenberg – (gierzwaluw)nesten onder dakpannen worden gemaakt om vogels terug naar de stad te krijgen. Inwoners willen graag vogels in hun tuin. Ze helpen graag mee.’

Vooral de mus en de koolmees hebben het volgens de Vogelbescherming moeilijk. ‘De tuinen worden steeds netter waardoor minder broedmogelijkheden ontstaan.’

Dat duiven en meeuwen deze problemen niet kennen, komt volgens de Vogelbescherming doordat zij – net als roeken en kauwen – ‘rustig op daken kunnen broeden en bovendien alles opvreten’. ‘Alleseters doen het goed. Die vreten bijvoorbeeld ook een patatje op.’ Bovendien weten de dieren waar wat te halen valt.

Natuurfotograaf Martijn de Jonge: ‘De natuur past zich snel aan. Inmiddels weten de kokmeeuwen en de reigers op de Amsterdamse Albert Cuypmarkt precies het tijdstip wanneer de schoonmakers de markt nog niet hebben schoongeveegd.’

Ook hier helpt de mens bewust een handje mee. ‘Door het ophangen van vetbollen en pinda’s weten ze de groene halsbandparkieten – de exoten die vooral in Voorburg en Amsterdam rondvliegen – te behouden’, aldus De Jonge.

Heleen Jager van de Amsterdamse Dierenbescherming betwijfelt of er meer dieren in stedelijke gebieden voorkomen. ‘Het lijken er meer omdat de aandacht steeds meer naar dieren uitgaat. Vroeger konden ganzen die overlast veroorzaakten rustig door de gemeente worden verwijderd. Nu maken inwoners zich er steeds drukker om en ontstaan meteen actiegroepen. Die tendens zie je terug in de hele maatschappij. De Partij voor de Dieren heeft niet voor niets zoveel stemmen gekregen.’

Als het om dieren in de stad gaat, dan betreft het toch vooral vogels. Heleen Jager: ‘We worden vooral gebeld over kippen, hanen, zwanen en duiven.’ Toch is het niet alleen gevogelte dat bebouwde gebieden weet binnen te dringen.

Zo had Epe vorige week te kampen met wilde zwijnen. De reden waarom de dieren vanuit de Veluwse bossen het dorp introkken, is volgens Van der Sluis duidelijk. ‘Doordat er minder gejaagd mag worden, is de populatie gegroeid en moeten de dieren buiten hun traditionele gebied treden. In Epe hebben ze een prachtig voedseloord ontdekt.’

mailIcon print |