*

 

Hijgen en puffen in een droog maanlandschap

Van onze verslaggeefster Kim van Keken − 20/07/07, 08:53

De Volkskrant reist vakantie vierende Nederlanders achterna. Vandaag: afzien op de top van de Grote Kale Reus...

Met moeite kan hij praten, de professioneel ogende jonge wielrenner met zijn oranje Rabobankshirt. ‘Dit doet pijn. Echt pijn’, kreunt hij moeizaam. Hij is kapot. Hij is op. Hij is bijna klaar om te worden afgevoerd, terwijl de top van de Grote Kale Reus in zicht is. Bijna heeft hij de Mont Ventoux bedwongen.

Maar het lastigste stukje, waar het met 12 procent steil omhoog gaat, moet nog komen. Op dit punt, midden in een droog gebied dat eruitziet als een maanlandschap, stoppen veel wielrenners. Hier stranden de toeristen die de Reus van de Provence kennen van de Tour de France op televisie en denken: die beklim ik ook wel even.

‘Kom op Caspertje’, maant een bevriende wielrenner die voorbij komt geklommen. ‘Ja, ja. Ik kom’, is het stamelende antwoord. Maar Casper komt voorlopig niet. Hij staat gebogen over zijn racefiets en baalt. Toch gaat hij door. ‘Ik ben al zover gekomen, het zou eeuwig zonde zijn als ik de top niet haal. Ik moet wel door.’

Het kan altijd erger. ‘Hij heeft het al helemaal niet gehaald.’ Casper wijst naar het monument naast hem. Dit is de plek waar de Britse wielrenner Tom Simpson instortte tijdens de Tour de France in 1967. Hij overleed in het ziekenhuis, waarschijnlijk door de extreme hitte en uitputting, voor eeuwig verbonden met het gerucht dat hij zou hebben ‘gebruikt’.

Het monument, krap twee kilometer voor de finish, is bezaaid met bidons. Elke tien minuten stopt een wielrenner hier om bij zijn dood stil te staan. Of om uit te rusten, of zelfs definitief van de fiets af te stappen.

De Limburgse Heidi Vink (45) haalt de top donderdagochtend wel, maar echt gelukkig is ze niet. Huilend is ze haar man, die mee fietste, in de armen gevallen. Nooit meer, zegt ze, zal ze zo’n berg opfietsen. ‘Het is niet normaal dat je als een debiel zo je grenzen tracht te verleggen.’ Nee, Vink fietst voorlopig alleen nog over de Limburgse heuvels. Dat is al lastig zat.

Dit jaar komt de Tour de France niet over de 1912 meter hoge Mont Ventoux. Toch is het zeer druk op de berg, honderden wielrenners kruipen omhoog of suizen juist met 60 kilometer per uur naar beneden. De slimme sporters beginnen ’s morgens, de echte amateurs (vaak toeristen met een gehuurde fiets) rond een uur of één, ofwel op het heetst van de dag.

De klim begint rustig, maar al snel wordt de lucht ijler, de mond droger en het hoofd leger. Als de boomgrens is bereikt en alleen nog rotsen zijn te zien, neemt de wind toe. Hijgend en snuivend nemen de wielrenners haarspeldbocht na haarspeldbocht. Een enkeling stopt, belt familie en laat zijn fiets in een busje inladen.

‘Eerlijk gezegd, ik vind het wel meevallen’, zegt een montere Harriët Kempen (55), die de berg voor het eerst beklimt. Zij is geen enkele keer van haar fiets gestapt tijdens de 21 kilometer lange hel en haalt binnen twee uur de top.

‘Ik had verwacht dat het veel erger was, maar dit is prima te doen.’ Even vrolijk suist ze daarna met 50 kilometer per uur de berg af.

Een ‘enorm’ vakantiegevoel, geeft de vreselijke klim volgens Danny Streefkerk (48). Voor de tweede keer deze week haalt hij de top, en dit keer heeft hij zijn record met zeven minuten verbeterd. ‘Kijk eens hoe iedereen boven komt, zo extreem is het niet.’

Casper (20) denkt daar waarschijnlijk anders over. Hij staat nog hijgend en puffend voor het graf van Simpson. ‘Mijn vrienden liggen boven vast al te slapen.’ Hij pakt zijn stopwatch en baalt opnieuw: twee uur en twintig minuten, en dat terwijl hij binnen de twee uur boven wilde zijn.

‘Als ik dit had geweten, had ik het nooit gedaan.’ Hoe Casper zich heeft voorbereid? ‘Niet. Ik zit voor het eerst van mijn leven op een racefiets.’ Maar hij is jong, geeft niet op en stapt op de fiets. Nog krap twee kilometer, steil omhoog, te gaan.

mailIcon print |