In november 2006 berichtte de Volkskrant over het wangedrag van Nederlandse militairen in Irak. Vandaag melden we hoe de berichtgeving precies tot stand is gekomen.
De Volkskrant publiceert op vrijdag 17 november 2006 het verhaal ‘Nederlanders martelden Irakezen’. Het bewuste incident heeft eind oktober 2003 in Zuid-Irak plaatsgevonden. Maandagavond 20 november zegt VVD-leider Mark Rutte dat de informatie over de misdragingen van Nederlandse militairen in Irak doelbewust is doorgespeeld naar de Volkskrant in een poging de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november te beïnvloeden. ‘Wat mij betreft wordt dit tot op de bodem uitgezocht.’ Volkskrant-journalist Marc Peeperkorn herinnert zich dat die avond in VVD-kringen de naam van Ton Heerts wordt genoemd. De nummer vijf op de kieslijst van de PvdA zou de kwade genius zijn achter de publicatie.
Tweeënhalve maand later, op 27 januari, meldt het weekblad Elsevier: ‘Hoe PvdA-Kamerlid Heerts de verkiezingen probeerde te beïnvloeden via de Volkskrant’. Het blad schrijft dat Heerts ‘een cruciale rol speelde’ bij de onthullingen.
Ook RTL Nieuws pakt de zaak op en stelt op 30 januari dat de Volkskrant het nieuws over de martelingen door Nederlandse militairen heeft gepubliceerd, terwijl de krant wist dat uit onderzoek van het Openbaar Ministerie was gebleken dat er geen zaak was. De voormalig bevelhebber, generaal-majoor Cees Neisingh van de Marechaussee, zegt dit voor de camera.
Neisingh stelt in RTL Nieuws dat hij met de Volkskrant en vice-voorzitter Heerts van de FNV op 19 oktober 2006 heeft gesproken over het OM-onderzoek: ‘Daar is gezegd dat er niks is uitgekomen, want dat was mijn wetenschap op dat moment eigenlijk ook.’ Hij zegt bereid te zijn dit onder ede te verklaren. Minister Henk Kamp en vicepremier Gerrit Zalm, beiden van de VVD, willen dat er een onderzoek komt naar de totstandkoming van de berichtgeving.
In Elsevier van 3 februari kijkt Neisingh terug op de ontmoeting met de Volkskrant en Heerts: ‘Pardoes kwam aan de orde: wat is er met die gevangenen in Irak gebeurd?’ Neisingh zegt opnieuw dat hij naderhand had vernomen dat de zaak uit de wereld was. Hij zegt verrast te zijn dat de Volkskrant vijf dagen voor de verkiezingen met dit verhaal is gekomen. ‘Ik zat in België en kreeg een telefoontje van mijn opvolger. Ik dacht: het zal toch niet waar zijn? Vervolgens dacht ik: hier zit Heerts achter. De volgende avond zag ik op tv hoe de PvdA minister Kamp aanviel op het Irak-verhaal. Dat vond ik zó unfair.’
Inmiddels zijn twee commissies aan het werk gegaan, de Commissie Van den Berg en de Commissie Toezicht Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (CTIVD). Zij rapporteren voor de zomer hun bevindingen. Van den Berg kijkt naar vragen als wie en hoe met de informatie is omgegaan. De CTIVD hoort – eventueel onder ede – de MIVD’ers (Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst) die de omstreden verhoren afnamen.
25 juli 2006 heb ik de eerste afspraak met Generaal X, een voormalig topmilitair, in de Haagse bodega De Posthoorn. Hij heeft eerder, op 7 maart, een onderhoud gehad met oud-journalist Ewoud Nysingh, die eigenaar van een communicatiebureau is. Tijdens dat gesprek laat Generaal X zich ontvallen in zijn maag te zitten met een voorval uit Irak, waarbij Nederlandse militairen over de schreef zijn gegaan. Ewoud Nysingh: ‘Generaal X wilde dat ik hem in contact zou brengen met een journalist die dat wilde uitzoeken. Hij realiseerde zich dat dit tot voorpaginanieuws kon leiden.’
Met Generaal X praat ik over Srebrenica, Afghanistan en Irak. De generaal heeft het over de rechtsgronden waarop gevangenen worden vastgehouden, het verschil tussen wat in Den Haag aan regels wordt afgesproken en de praktijk van militairen op missie.
Aan het einde van het gesprek komt het hoge woord eruit. Generaal X vertelt dat er dingen zijn misgegaan. Nederlandse militairen hebben Irakezen vastgehouden en verhoord met zakken over het hoofd, met water gewerkt en hoge geluidstonen gebruikt. X wijst op een artikel in het dagblad Trouw, waarin wordt gemeld dat Deense militairen gevangenen hebben misbruikt en vervolgens voor de rechter zijn gebracht. Generaal X vindt dat de Denen juist hebben gehandeld.
Na het gesprek met Generaal X zoek ik contact met militairen en ambtenaren die meer kunnen weten. Het gaat moeizaam. Inmiddels heb ik ook mailverkeer met Generaal X. Hij was in functie ten tijde van het bewuste incident in oktober 2003, maar is inmiddels gepensioneerd. Zondag 30 juli 2006 schrijft hij: ‘Ook illustratief is de casus van november 2003, waarin er op het Nederlandse kamp in Irak verschillende meningen met elkaar botsten over het al dan niet geoorloofd zijn van het in cellen van het CPA-huis (Coalition Provisional Authority, red.) opsluiten van gevangenen. Het voortdurend luid muziek spelen om te voorkomen dat ze met elkaar spreken, het doen van een zak over het hoofd, het met water natgooien om ze wakker te houden, zijn daar de uitingen van. Mijn aanbeveling was om elke suggestie van doofpot te vermijden en dat er aangifte moest worden gedaan, opdat er door onderzoek en een uitspraak van het Openbaar Ministerie en de rechter duidelijkheid zou komen. Ik heb er niets meer van gehoord.’
Aan het eind van zijn mail komt Generaal X terug op de Deense kwestie. Daarin is, in ‘een soortgelijke situatie’ als de Nederlandse in oktober 2003, besloten ‘tot onderzoek door de Deense militaire aanklager, en dat heeft tot een veroordeling geleid.’ Hij citeert de Deense minister van Defensie: ‘Als het woord marteling wordt gebruikt, gaat de film Abu Ghraibgevangenis draaien. Elke steen in deze zaak moet worden omgedraaid en ik wil niemand de hand boven het hoofd houden.’ Generaal X vervolgt: ‘Ferme taal, die aangeeft hoe de politiek thuis een positie inneemt die afwijkt van wat de Deense militairen, beschaafd en met goede bedoelingen te velde uitvoerden. Ik herken dit.’
Ik mail X terug en vraag aan wie hij dat advies heeft gegeven om aangifte te doen en het OM de zaak strafrechtelijk te laten onderzoeken. Hij antwoordt op 31 juli. De generaal wijst er eerst op dat hij het ‘vervelend zou vinden als door mijn toedoen een oude zaak uit een mij onbekend verband wordt gerukt en tot gedoe gaat leiden. Ik heb groot vertrouwen in minister Kamp.’ Want, schrijft X, ik heb ‘maar een flard van het gebeuren (*) meegemaakt, en weet dus niet wat er verder mee is gedaan.’
Dan komt hij terug op de vraag wie hij adviseerde de zaak te laten vervolgen. ‘Het gesprek vond naar mijn herinnering en mijn notitie plaats tussen de CDS (Chef Defensiestaf Luuk Kroon, red.) en mij.’ De CDS is de hoogste militair van de krijgsmacht en de rechterhand van minister Kamp.
Ook vraag ik generaal X in de mail of minister Kamp van Defensie op de hoogte was van de gevangenneming en het stevig verhoren van Irakezen en daaruit voortvloeiende onenigheid. ‘Ik neem zonder meer aan dat deze kwestie ook op het niveau van de minister is besproken (*) De CDS is kort na ons gesprek in Irak geweest. Hij heeft de zaak misschien daar doorgenomen en geregeld.’
Ik schrijf X dat ik omzichtig moet opereren. Als ik in dit stadium met het departement bel over deze zaak, gaat de deur op slot. Ik vraag of hij toch niet over documenten beschikt. X verwijst naar een andere bron. Die verstrekt mij de nota van de directie Juridische Zaken, gedateerd 26 november 2003. Daarin staat ‘dat het afnemen van verhoren niet tot de bevoegdheden van de Nederlandse eenheden behoort, evenmin als het horen van getuigen. (*) Het toepassen van enig geweld, dan wel het dreigen daarmee jegens gedetineerden is vanzelfsprekend in het geheel verboden.’ Uit X’ verhaal blijkt echter dat dit wel zou zijn gebeurd.
Op 26 oktober 2006 ontvang ik van een bron twee nota’s, geschreven door generaal-majoor Cees Neisingh, bevelhebber van de Marechaussee. Neisingh schrijft dat hij tijdens zijn bezoek aan Irak van 23 tot 26 september 2003 de indruk heeft gekregen dat ‘de sterke sociale controle in de weg staat van het doen van op zichzelf terechte aangiftes.’ En: ‘Mij ontbreekt het inzicht in de rechtsgrond voor het vier dagen vasthouden en ondervragen van op eigen gezag door Nederlandse militairen aangehouden Irakese burgers.’ Hij schrijft deze twee nota’s op 18 november 2003, drie weken na het incident.
X wijst per mail op een ander incident: ‘In Trouw stond een verhaal over een Duitse ex-gevangene uit Guantanamo Bay, die zei tijdens zijn arrestatie in Irak door een Duitse speciale eenheid te zijn gemarteld.’
Twee maanden na het incident met de door Nederlanders verhoorde Irakezen ontstaan er grote spanningen tussen de marechaussees en de mariniers. Marinier Eric O. wordt op 27 december 2003 verhoord door twee marechaussees over een schietincident, waarbij een Irakees is omgekomen. Op oudejaarsdag 2003 wordt O. als verdachte van moord naar Nederland gevlogen, omdat de spanningen op locatie oplopen.
De naam van Ton Heerts staat voor het eerst in mijn agenda op 31 juli 2006 in een rijtje te bellen mensen. Hij was voorzitter van de Marechausseevereniging ten tijde van Srebrenica en heeft destijds voor openheid gevochten om de doofpotcultuur van de Landmacht te lijf te gaan. Ik vertel hem die dag in hoofdlijnen over het incident in Irak. Het verhaal is Heerts onbekend. Hij vindt het alleen vreemd als er met water is gewerkt tijdens de verhoren.
Hij zegt zich als vicevoorzitter van de FNV hiermee niet te kunnen bezighouden, maar vanuit zijn expertise als oud-voorzitter wil hij – als ik meer informatie heb vergaard – wel antwoorden op technische vragen. ‘Je moet bij mijn opvolgers zijn, Han Busker en Wim van den Burg.’
Ik zal Heerts weer bellen als ik zover ben. Dat kan nog wel even duren, want ik ben nog steeds op zoek naar een getuige van de verhoren.
Vanaf 10 oktober ben ik een aantal dagen in Kopenhagen om de vergelijkbare Deense kwestie uit 2004 te onderzoeken. Ik spreek met een parlementslid, een voorzitter van de militaire vakbond en interview de minister Sören Gade van Defensie. De harde verhoren waarbij Irakezen fysiek en geestelijk werden vernederd door een vrouwelijke officier, zijn door de minister onmiddellijk publiek gemaakt. Gade haalde de leiding van het bataljon naar Kopenhagen terug. Het OM vervolgde en het kwam tot een veroordeling. In hoger beroep kwam de rechter tot een ander oordeel: de officieren werden vrijgesproken, omdat de regels niet duidelijk waren. Sindsdien zijn de regels aangepast en tot nu toe niet vatbaar voor enigerlei misverstand.
Een week later heb ik contact met een aantal mensen om af te tasten wat ze verder nog kunnen bijdragen. Nog een gesprek met Generaal X lijkt me nuttig. Als ik Ton Heerts bel, stelt hij voor om mee te gaan en om ook Han Busker mee te vragen, de voorzitter van de Marechausseevereniging en de opvolger van Heerts, mede om erachter te komen of er aangifte is gedaan. Heerts kan behulpzaam zijn en kent X goed uit de Srebrenica-periode.
Eind september 2006 is bekend geworden dat Heerts op de conceptkandidatenlijst staat van de PvdA. Het is voorpaginanieuws dat de tweede man van de FNV de vijfde man van de PvdA wordt. Ik vind dat geen bezwaar, het gaat mij om zijn expertise als oud-voorzitter van de marechausseevereniging. Han Busker kan die avond niet mee naar generaal X. Ik zal de volgende ochtend met Heerts en Busker ontbijten om over de kwestie te praten.
Generaal X wil ons ontvangen op 19 oktober, maar hij kan pas ’s avonds, omdat hij op zijn kleinkinderen past. Er staan drie kopjes koffie klaar als we binnenkomen. Ik vertel de heren waaruit mijn materiaal bestaat. X is aangenaam verrast dat ik de Deense minister van Defensie heb geïnterviewd.
Generaal X vertelt dat er in Londen een voorbereidende conferentie is geweest over de missie SFIR-1 (Stabilisation Force Iraq), waarin de Nederlanders onder de Britten vallen. Ze hebben gesproken over de bejegening van gevangenen. Mariniers maakten daar de afspraken. De Britten zaten al in Zuid-Irak toen de eerste lichting Nederlandse mariniers binnenkwam. De Britten verhoorden al Irakezen. Omdat de Britten en de Nederlanders al decennia intensief samenwerken op andere missies, lag het verhoren voor de hand: ‘Dat mochten Nederlanders dus ook doen.’
Ik vraag nog eens expliciet naar het contact van X met Chef Defensiestaf Kroon over de verkeerde behandeling van Irakezen. Hij vertelt dat Kroon hem het voorval per telefoon had gemeld. ‘Er was iets gebeurd, hij zat ermee in zijn maag. Ik zei hem dat hij het moest laten onderzoeken.’ Generaal X zegt dat Kroon zei: ‘Er wordt in het gebied (Zuid-Irak, red.) over gesproken’.
We praten verder over het Openbaar Ministerie. X spreekt zijn zorg uit of het incident wel is gemeld bij het OM. Als dat wel is gebeurd, zou Willy Weerkamp, officier van de Militaire Strafkamer in Arnhem, het moeten weten. Dat ga ik uitzoeken.
In een eerdere mail schrijft X: ‘Ik denk niet dat er toen met minister Donner van Justitie contact over de zaak is geweest, anders was het echt wel bij het OM en via het OM weer bij ons – voor het horen van getuigen, enz. – terechtgekomen.’ We gaan uit elkaar met de afspraak dat ik X volgende week nog een keer zie. Hij gaat zijn aantekeningen nog eens na. Er gaan nog een aantal namen over tafel van mensen die ik kan benaderen en de komende weken ook spreek.
Maandag 23 oktober spreek ik met Generaal X af in Den Haag. X blijkt alles te hebben bijgehouden uit zijn periode als generaal. Hij haalt zijn gebundelde aantekeningen uit een vuilniszak.
Generaal X: ‘3 november 2003. Kroon belt. Gesprek met tweede man. MIVD-cel ondervraagt mensen voordat ze worden overgedragen. Muziek gedraaid, zodat ze niet met elkaar kunnen praten. Water over het hoofd gegooid om ze wakker te houden. Er wordt in het gebied over gesproken. Advies Directie Juridische Zaken: onderzoek doen. Uitzoeken of er dingen gebeurd zijn die niet door de beugel kunnen.’ X zegt dat hij Kroon heeft gemeld dat de commandant ter plekke aangifte moet doen. Hij heeft er niets meer van vernomen.
Op 24 en 30 oktober 2006 spreek ik afzonderlijk met twee marechaussees die tijdens verschillende lichtingen in Irak op locatie zijn geweest. Een van hen kent het verhaal van het incident, ze zijn beiden bereid te gaan spitten of zij meer te weten kunnen komen. Het zal uiteindelijk geen verdere feiten opleveren.
Willy Weerkamp was officier van Justitie van de Militaire Strafkamer ten tijde van de eerste lichting mariniers die naar Zuid-Irak ging. We praten op 8 november per telefoon. Ik vraag hem letterlijk: ‘Nu komen er al jaren affaires in de publiciteit over militairen die zich misdragen tegenover gevangenen in Irak en Afghanistan. Zaten er bij de gevallen die u zijn gemeld ook zaken die daarmee overeenkomst vertonen?’
Hij zegt dat er ‘geen kwestie bij zit zoals u bedoelt’.
Als zich Abu Ghraib-achtige toestanden zouden voordoen, waar wordt dat dan gemeld? ‘Als een Nederlandse militair waar ook ter wereld een strafbaar feit begaat, is de rechtbank in Arnhem bevoegd. De Marechaussee moet dit soort zaken bij ons melden. De commandant ter plaatse kan dat ook rechtstreeks bij ons doen. Het parket vervolgt dan die zaken.’
Hebt u gevallen van marteling of mishandeling op uw bureau gekregen? Weerkamp: ‘Die hebben wij niet ter onzer kennis gehad. Het begint altijd bij ons, het gaat van beneden naar boven.’ Sluit u het uit? ‘Je hebt altijd een dark number, maar mijn indruk is dat defensie opener is geworden.’
Als er sprake zou zijn van marteling of mishandeling en het wordt u niet gemeld, wat zegt dat dan? ‘Als je het positief formuleert, zegt dat iets over de trots en gedrevenheid van een organisatie. Maar wij hebben zoiets nooit voorgelegd gekregen. Ik geloof ook niet dat wij Abu Ghraib-achtige toestanden hebben.’ Maar in geval van marteling of mishandeling die niet is gemeld, is er toch sprake van een doofpot? ‘Als je het negatief formuleert wel.’
Ruim een week voor publicatie van mijn verhaal concludeer ik op basis van dit gesprek dat Weerkamp niets weet van misstanden in Irak of Afghanistan. Als het is gebeurd, is het hem niet gemeld. Weerkamp heeft een geschiedenis met de situatie in het gebied. Hij weet dat de relatie tussen marechaussees en mariniers tijdens SFIR-1 supergevoelig is. Tijdens de affaire-Eric O. schrijft zijn plaatsvervanger Steensma op 8 januari 2004 een ambtsbericht aan de top van het OM: ‘De situatie om onderzoek te doen was grimmiger geworden.’ Eric O. moest ‘buiten de plaatselijke gespannen situatie’ verhoord worden.
In de periode dat het incident speelde, waren de spanningen tussen mariniers en de marechaussee dermate hoog, dat er van incidenten soms geen aangifte werd gedaan. Marechaussees worden beschouwd als ‘matennaaiers’. De marechaussee die de zaken moet onderzoeken, is voor de veiligheid afhankelijk van degenen naar wie het onderzoek loopt. Er is een geval bekend van een marechaussee die doodsbedreigingen kreeg van mariniers, omdat hij een mogelijk strafbaar feit wilde onderzoeken. ‘Als je dat doet, knal ik je kop er af’, aldus een marinier tegen de marechaussee. Zij werden door de mariniers ook beledigd met de woorden ‘kankerjoden’ en nazi’s’.
De bevelhebber van de Marechaussee, Neisingh, schrijft over zijn bezoek aan Irak met minister Kamp van 23 tot 26 september 2003: ‘De sterke sociale controle staat in de weg van het doen van op zichzelf terecht aangiftes.’ Hij noteerde dat drie weken na het incident met de Irakezen. De Chef Defensiestaf Kroon stuurde eveneens kort na die verhoren, op 8 januari, een dienstopdracht naar het gebied. Daarin droeg hij mariniers en marechaussees op professioneel met elkaar om te gaan.
Han Busker, voorzitter van de Marechausseevereniging, vertelt eind januari 2007 in een terugblik dat hij ergens half oktober 2006 door Generaal X is benaderd om koffie te drinken. ‘Voor mij was duidelijk dat hij naar buiten wilde met het verhaal. Daar heb ik een mail van, gedateerd 5 september 2006. We kwamen over het OM te spreken. X zei tegen mij: ‘Het zou mooi zijn als geverifieerd kon worden of er aangifte is gedaan.’ Dat heb ik hem op 29 oktober 2006 gemeld, op de wapendag van Koninklijke Marechaussee. Ik vertelde hem dat ik had geverifieerd of er daadwerkelijk aangifte was gedaan bij het OM en dat ik daar géén bevestiging van had. Toen ik hem dat vertelde, zei X helemaal niets. Ik heb de Volkskrant daarvan ook op de hoogte gesteld.’
Maandag 13 november spreek ik nog een militaire bron, maar dat levert geen nieuwe informatie op. Die middag leg ik het materiaal voor aan collega’s op de krant. We besluiten tot publicatie van het nieuws in de krant van vrijdag 17 november en een reconstructie in de zaterdagkrant.
Ik bel met Frits Korthals Altes, minister van Staat. Hij heeft als voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken net een rapport over marteling uitgebracht. Ik vraag hem wie de drie best ingevoerde Nederlanders op dit gebied zijn. Hij noemt journaliste Heikelien Verrijn Stuart, Theo van Boven en professor Willem van Genugten. De eerste valt af, omdat zij een journalistieke concurrent is, de tweede kan ik niet bereiken.
Van Genugten staat me te woord en ik leg hem voor wat ik weet. ‘Dat valt onder marteling’, zegt hij. Hij declameert de artikelen van de Derde Conventie van Genève. De citaten van Van Genugten worden samen met de verdragsartikelen in een kadertje bij het nieuws (‘Nederlanders martelden Irakezen’) geplaatst. Dan weet de lezer dat op basis van internationale wetgeving deze behandeling marteling kan worden genoemd.
Op de avond voor publicatie, donderdag 16 november, verricht ik twee wederhoortelefoongesprekken. Het eerste om half 7 met Luuk Kroon, de voormalige Chef Defensiestaf. Ik vraag hem waarom het advies niet is opgevolgd aangifte te doen bij het OM na het stevig verhoren van Irakese gevangenen, nádat het hem was gemeld. Kroon: ‘Ik ben met pensioen, heb overal een dikke streep onder gezet en geef geen commentaar.’
Het tweede telefoongesprek is om 5 voor 7 met Defensie-voorlichter Revis. Hij loopt op dat moment naast minister Kamp. Ze hebben net gedineerd in Eindhoven en wandelen naar de universiteit voor een campagneavond van de VVD. Revis herhaalt letterlijk mijn bevindingen, zin voor zin.
‘Nederlandse mariniers hebben zich in het najaar van 2003 schuldig gemaakt aan het natspuiten van Iraakse gevangenen die in slaap dreigden te vallen. Ze kregen zakken over het hoofd en er werd luide muziek gespeeld om te voorkomen dat ze met elkaar konden praten. De CDS Kroon heeft het advies om aangifte te doen bij het OM van de bevelhebber van de Marechaussee niet opgevolgd.’
Revius belooft terug te bellen. Om kwart voor 8 belt directeur voorlichting van Defensie Joop Veen. Hij zegt: ‘We zijn al een heel eind, ik bel je over een kwartier, dan zijn we rond.’
Later hoor ik dat de top van Defensie op dat moment op de Veluwe verblijft. Daar wordt de de reorganisatie van het departement geëvalueerd. Topmilitairen en ambtenaren zitten op die locatie bij elkaar. Ze pakken allemaal hun gsm’s en proberen van hun ondergeschikten informatie over de kwestie los te krijgen.
Veen belt terug om 8 uur.’ ‘Er zijn harde tactische ondervragingen van Irakezen geweest. Er zijn dingen gebeurd die niet passen in de instructie.’ Het lijkt alsof Veen voorleest van papier. ‘Het gaat niet om mariniers maar om inlichtingenofficieren van de MIVD. De gevangenen hadden geen zakken op het hoofd, maar zwartgemaakte skibrillen en zijn blootgesteld aan fel licht.’
En het water? ‘Er was sprake van natgooien met bekertjes water en een druppelende kraan.’
Om hoeveel Irakezen gaat het? ‘Enkele tientallen. En er hoort een juridisch adviseur bij te zijn, maar die was er niet.’
Wist minister Kamp ervan? Veen: ‘Was Kamp toen al minister? Een minister kan zich niet altijd alles herinneren, dat kan je hem niet kwalijk nemen.’
Ik zeg Veen dat Kroon mij geen antwoord geeft over het doen van aangifte. Veen: ‘Hij is gebeld en kan het zich niet herinneren. Dat betekent niet dat het hem niet is gemeld.’
En het OM? ‘Daar moet je contact mee zoeken, daar weten wij niets van.’
Ik zeg tegen Veen dat hij een open indruk maakt. ‘Ben je dat niet gewend van ons dan? Wij werken altijd snel en open.’ Het woord martelen gebruik ik niet.
Veen bevestigt feiten die professor Van Genugten als marteling definieert. Dat vind ik afdoende in het licht van alle informatie waarover ik beschik. Om kwart over 8 leggen we de telefoons neer.
Die avond voor publicatie weten we dat MIVD-officieren enkele tientallen Irakezen hebben verhoord, hoewel daar geen rechtsbasis voor was. De Tweede Kamer is niet door minister Kamp geïnformeerd over deze overtredingen. In de zomer van 2006 wordt dit mij bevestigd door Kamerleden die Kamp inzake de omgang met gevangenen al jaren kritisch volgen.
De manier waarop de verhoren hebben plaatsgevonden, is volgens Defensie ‘buiten de instructies’. Door professor Van Genugten wordt dit, met het verdrag van Genève in de hand, getypeerd als marteling. Weerkamp van het OM heeft me tot vier keer toe gezegd dat misdragingen, mishandelingen of martelingen uit Irak of Afghanistan niet op zijn bureau terecht zijn gekomen.
Als ik klaar ben met de bewuste publicatie, bel ik met een aantal mensen om ze te zeggen dat het eindelijk rond is. Allereerst met Generaal X. Ik zeg hem dankbaar te zijn voor zijn rol. ‘Mooi, ik lees het wel op jullie website’, antwoordt hij.
Ook bel ik met Ton Heerts. Hij zegt het aan Wouter Bos te zullen melden, om zijn eigen betrokkenheid toe te lichten. Tevens bel ik met Busker en een aantal andere bronnen.
Vrijdagochtend 17 november eist GroenLinks een parlementair onderzoek. Rond 3 uur ’s middags geeft minister Kamp een persconferentie. Daar meldt hij dat de Marechaussee een onderzoek heeft gedaan naar de verhoren van vijftien Irakezen door de MIVD, omdat de commandant van de mariniers, kolonel Swijgman, onregelmatigheden had bespeurd.
De Marechaussee maakte een proces-verbaal van de bevindingen. Op dat moment weet ook Kamp niets van een onderzoek door het OM.
Vrijdagavond laat het OM weten dat de gewraakte verhoren uit 2003 zijn aangemeld door de Marechaussee. Uit eigen onderzoek zegt het OM de conclusie te hebben getrokken dat er geen sprake is geweest van strafbare feiten.
Het OM zou zich, bij de beslissing niet te vervolgen, mede hebben gebaseerd op het proces verbaal van de Marechaussee, opgemaakt in Zuid-Irak onder moeilijke omstandigheden.
Na een beroep op de Wet op de Openbaarheid van Bestuur heeft Defensie op 10 december 2006 nieuw materiaal vrijgegeven. Dat vermeldt, behalve een aantal onduidelijkheden, tegelijk op onderdelen scherpere kanten dan de versie van de feiten die Defensie de avond voor publicatie had bevestigd.
Chef Defensiestaf Kroon schrijft minister Henk Kamp op 31 oktober 2003 dat MIVD’ers een gedetineerde met koud water hebben natgegooid ‘vanwege het feit dat hij leugens vertelde.’ En er is ‘pijnlijk hard geluid ingezet’ om een andere gevangene onder druk te zetten meer informatie te geven.
In een algemeen overleg met de Tweede Kamer zegt demissionair minister Hir sch Ballin van Justitie op 19 november 2006 dat het mogelijk is dat de MIVD’ers die de vijftien Irakezen verhoorden, alsnog worden vervolgd als wordt vastgesteld dat ze in de fout zijn gegaan.
‘Er zijn harde tactische ondervragingen geweest. Er zijn dingen gebeurd die niet passen in de instructie.’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.