*

 

Interview: Halleh Ghorashi

Door Renée Braams − 28/07/06, 10:34

Hoe voelt het om Nederlander te zijn? Dat moet volgens antropologe en aanstaand hoogleraar Halleh Ghorashi de kernvraag zijn in het integratiedebat....

‘Die luchtverontreiniging in Teheran, die files! Wat ben ik blij dat ik dat heb gezien, nu besef ik pas echt hoe prachtig en ruim Nederland is.’ Halleh Ghorashi, hoogleraar management van diversiteit en integratie aan de Vrije Universiteit, is in maart voor het eerst sinds achttien jaar teruggeweest in haar geboorteland Iran. Ze was de eerste dagen in Teheran voornamelijk aan het huilen, vertelt ze op haar werkkamer op de Vrije Universiteit met uitzicht op weelderige Hollandse bomen. ‘Ik schrok zo van hoe oud mijn moeder was geworden. Alles was ook zo veranderd, ik herkende helemaal niets, geen gebouwen, geen straten, ik kon de weg niet vinden, en dan die drukte!’

Ghorashi vluchtte in 1988 als links activiste voor het Iraanse regime. In Nederland studeerde ze antropologie en filosofie en bouwde een barstensvol cv op van onderzoeksbanen, docentschappen, lezingen, publicaties en adviescommissies.

Nu is ze aangesteld als bijzonder hoogleraar op de Pavem-leerstoel. De Pavem (Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheidsgroepen), beter bekend als de commissie-Máxima, is inmiddels opgeheven. Op haar oratie – 13 oktober is de grote dag – is ze nog aan het broeden, maar het zal gaan over in hoeverre je het gedrag van individuen en groepen moet zien als een uiting van cultuur. Ghorashi vindt dat het ‘dominante vertoog’ te veel verklaart vanuit cultuur. ‘Dominant vertoog’ is een favoriet woord van de uit Iran afkomstige antropologe. Het betekent zoiets als de heersende opvatting in de maatschappij, die iedereen bewust of onbewust beïnvloedt.

Ghorashi vindt dat ‘het dominante vertoog’ over integratie te veel gaat over de taal spreken en over kennis van de Nederlandse gebruiken, en te weinig over hoe het voelt om Nederlander te zijn, Nederlander met een andere afkomst. In haar proefschrift uit 2001 schrijft ze daar dingen over die hard aankomen. Ze vergeleek voor haar promotieonderzoek een groep uit Iran gevluchte vrouwen in Nederland met eenzelfde groep vrouwen in Amerika. De Amerikaanse groep bleek zich zowel Iraans als Amerikaans te voelen; de Nederlandse vrouwen voelden zich Iraans, maar op de plaats waar ze een Nederlandse identiteit zouden moeten voelen, zat een gapend gat. ‘Deze vrouwen hadden een goede opleiding en een goede baan, maar ze voelden zich vervreemd, ze konden geen emotionele aansluiting vinden bij Nederland.’

Is dat verbeterd, sinds de jaren negentig? Voelen Iraniërs zich meer Nederlander?

‘Dat is verslechterd. De meeste Iraniërs zijn sterk seculier of zelfs anti-religie, ze zijn immers gevlucht voor een islamitisch regime. Maar nu gaan ze zich steeds meer identificeren met die groep islamitische migranten die door de samenleving wordt uitgesloten. Het huidige debat creëert een wij-zij-tegenstelling en daardoor groeit de groep islamieten. Mensen die daar tien jaar geleden absoluut niet bij wilden horen, identificeren zich nu met die groep.’

Noemt u eens een voorbeeld van wat u stoort in het huidige debat.

‘Tot 2000 dachten sommige mensen misschien dat bepaalde migranten een achterlijke cultuur hadden, maar die gedachte sprak je niet hardop uit. Na 2000 kwam de omwenteling in het publieke debat: alles mocht gezegd worden. Toen rolde alle narigheid over straat. Willen we dat? Als samenleving moeten we wel taboes hebben. Zeggen dat de Holocaust niet bestaat moet een taboe blijven. Zeggen dat een cultuur achterlijk is, kan ook maar beter taboe blijven. Gelukkig groeit dat besef, dat we moeten oppassen met alles zeggen wat je denkt.

‘In een volwassen democratische samenleving is niet alleen vrijheid belangrijk, maar ook het creëren van gemeenschappelijke ruimtes waarin het verschil van gezichtspunten tot een ontmoeting kan leiden.’

Kunt u zich voorstellen dat anti-religieuze Iraniërs zich ineens verbonden voelen met de islam?

‘Jawel, je voelt dat mensen met een kleur of een islamitische achtergrond snel als vijand worden gezien. Dat voel ik ook, veel sterker dan in de jaren tachtig en negentig. Niet op de universiteit, hier ben ik hoogleraar, maar wel op straat. Op straat ben ik een allochtoon. Soms word je niet helemaal menselijk behandeld. Je gaat nu in een slachtofferrol, krijg ik dan te horen, maar het is de werkelijkheid.’

Bent u nog blij dat u in 1988 naar Nederland bent gekomen?

‘Ja, ik voel mij zelf Nederlandse én Iraanse. Ik vind het mooi hoe je als migrant culturen kunt combineren. In mijn jeugd in Iran vond ik dat Iraanse handwerk afschuwelijk. Ik hield ook niet van Iraans eten. Als het aan mij lag, at ik altijd Italiaans, elke dag pasta. In Iran was ik ook heel erg op mezelf, feesten vond ik niet interessant. In Nederland ging de Iraanse identiteit zich in mij ontwikkelen: ik ging Iraans koken voor grote gezelschappen, ik hing mijn huis vol met traditionele Iraanse kleedjes.

‘Tegelijk werd ik heel Nederlands. Ik fiets, niet zo goed als echte Nederlanders, maar toch wel overal naar toe. En de doe-maar-gewoon-cultuur, die past echt bij mij. Ik hield nooit van de pronkcultuur in Iran, maar hier is dat versterkt. Doe-maar-gewoon, dat is op en top Nederlands. Nederlandse mensen kunnen zo oersimpel maar toch elegant gekleed zijn. In hun gedrag zijn Nederlanders ook heel gewoon, niet overdreven beleefd, maar rechttoe rechtaan. We gaan samen uit eten en betalen gewoon samen, punt. Met Iraniërs moet je eindeloos onderhandelen over wie mag betalen en wie niet, hele gevechten over wie mag betalen. Daar word ik nu echt boos om, daar probeer ik niet aan mee te doen!

‘Maar het meest waardevol vind ik het consensusgerichte denken en discussiëren. In Nederland probeer je samen ergens te komen, daar heb ik enorm veel van geleerd. Je vergadert hier ook eindeloos lang, je probeert elkaar echt te naderen. Dat vind ik de kern van democratie; dat kende ik niet uit Iran. In Iran luister je niet naar elkaar, welnee, je zet alleen je eigen ego en je eigen standpunt neer.

‘Ik was altijd anti-religieus, maar hier in Nederland heb ik geleerd respect te hebben voor religie en dus ook voor islamieten!’

U waardeerde ook zo dat u er in Nederland voor kon kiezen niet te trouwen, geen kinderen te willen maar wel een carrière. Deze zomer bent u toch getrouwd. Waarom?

‘Eerst was trouwen voor mij niet belangrijk. Maar vanuit mijn familie, en vanuit Iraanse vrienden in Amerika, voelde ik de druk dat je als vrouw van veertig, niet getrouwd, zonder kinderen, iets hebt gemist. Die verwachting in de ogen van mensen beïnvloedt je. Maar hier in Nederland was ik in mijn vriendengroep geen afwijking, niet-trouwen was de norm. Dat vond ik heel prettig hier.

‘Toen leerde ik mijn vriend kennen en na een paar jaar overwon de liefde. Onze verbintenis wilden we vieren. We zouden het klein houden, maar toen kwam mijn zus uit Californië met haar familie, mijn broer uit Engeland met zijn vriendin, mijn vader uit Iran met zijn vrouw, dus zo werd het uiteindelijk een feest met tweehonderd mensen. Ik ben zelfs in de kerk getrouwd.’

In de kerk?

‘Voor de liefde kun je veel over hebben, vind ik. Ik was altijd heel principieel maar het mooiste in het leven is toch je eigen grenzen overgaan voor mensen van wie je houdt. Als filosofiestudent was ik gefascineerd door Levinas. Die heeft me geleerd dat we te veel vertrekken vanuit onszelf.’

Was uw moeder er ook bij?

‘Mijn moeder is heel ziek, ook psychisch. Zij weet niet eens dat ik ben getrouwd. Het enige moment dat ik hard moest huilen op de trouwdag was toen een vriendin in haar toespraak de naam van mijn moeder noemde.’

Waarom bent u in maart naar Iran teruggegaan, voor het eerst na achttien jaar?

‘Iran was nooit ver weg, in mijn gedachten. Ik heb veel onderzoek gedaan onder gevluchte Iraniërs en schreef over de vrouwenbeweging in Iran. Maar ineens moest ik terug naar het echte land, zonder voorbereiding. Mijn moeder, die ik zeven jaar niet had gezien, was op de intensive care terecht gekomen. Ik wist: als ze nu sterft, zal ik het mezelf nooit vergeven. Dus binnen een week heb ik de reis geregeld.

‘Vrienden van de middelbare school haalden alle vrienden uit die tijd bij elkaar voor een feest ter ere van mij, maar ik kon hun herinneringen niet delen, ze waren weggezakt. Ik haalde namen door elkaar, ik voelde me zo vervreemd. Urenlang zat ik maar in de auto, onderweg van het noorden naar het zuiden van Teheran en weer terug.

‘In Nederland worden de meeste gebouwen van buiten netjes onderhouden, maar daar waren de gebouwen die ik kende zó verlopen. Als kind ging ik weleens naar het zwembad in een chic appartementencomplex, zo’n soort gated community. Daar heb ik zo heerlijk gezwommen, maar nu was dat chique gebouw zo oud en vies geworden. Ik zag en voelde dat er jaren voorbij waren gegaan en dat ik daar niet meer helemaal thuishoor. Ik ben een Nederlander met een Iraanse achtergrond.’

mailIcon print |