*

 

(On)aanvaardbaar risico

Door Jan Hoedeman en Theo Koelé − 08/07/06, 09:34

Veertienhonderd Nederlandse militairen gaan volgende maand naar Uruzgan, en er wordt al volop gespeculeerd over de gevaren....

Hollandse nuchterheid, ruim een maand geleden in de woestenij van Uruzgan. Nederlandse militairen dreunen op de legerbasis Tarin Kowt het lesje op dat hun superieuren wenselijk vinden. ‘Natuurlijk zijn we ons bewust van de risico’s. Maar de gevaren moeten niet worden overdreven. We zijn goed voorbereid en beschikken over prima wapens. Het thuisfront moet zich niet nodeloos ongerust maken. Achter de bergen wordt gevochten, maar hier is nog geen verdwaalde raket gevallen.’

Zes weken later is het beeld dramatisch veranderd. Het ministerie van Defensie windt er geen doekjes meer om: met het ergste moet rekening worden gehouden. Het is niet de vraag of er doden vallen, maar wanneer en hoeveel. Oud-minister Frank de Grave beziet het optreden van zijn opvolger Henk Kamp ‘als krantenlezer’. ‘Als je kijkt naar de manier waarop over Uruzgan wordt gecommuniceerd, is het alsof de samenleving rijp wordt gemaakt voor lijkzakken. Dat is tamelijk ongekend’, aldus De Grave, die als minister verantwoordelijk was voor drie grote militaire operaties in Kosovo, Ethiopïe/Eritrea en Afghanistan.

De afgelopen weken raakten Nederlandse commando’s herhaaldelijk verwikkeld in hevige vuurgevechten met vermoedelijke Taliban-strijders. Aan vijandelijke zijde zijn mogelijk tientallen doden gevallen, aan Nederlandse kant staat de teller nog op nul. Het guerilla-verzet is volgens militairen ter plekke veel groter dan de Defensie-top had verwacht. De veiligheidssituatie in Uruzgan was niet goed in kaart gebracht.

Oud-minister Hans van Mierlo van Buitenlandse Zaken vindt dat het kabinet aanvankelijk een te rooskleurig beeld heeft geschetst. ‘De taal die nu wordt gebruikt, is totaal anders dan in het begin. Van een militair team dat zou gaan opbouwen en ook een defensieve capaciteit had, is dat laatste gaan domineren. Door een verkeerde inschatting van de situatie en misschien door een gebrekkige communicatie, is er nu sprake van een heel andere missie dan men voor ogen had.’

Oud-minister Jan Pronk oordeelt nog negatiever. ‘De missie vindt plaats onder omstandigheden die grondig anders zijn dan ten tijde van de beslissing. Ik zal niet zeggen dat de Tweede Kamer is misleid, maar er is een verkeerde voorstelling van zaken gegeven, door amateurisme op Defensie.’

De voormalige Chef-Defensiestaf Arie van der Vlis denkt dat er niet veel slachtoffers nodig zijn om het draagvlak van de operatie aan te tasten. ‘Je kunt Uruzgan niet vergelijken met het aantal doden dat in de Tweede Wereldoorlog op de Grebbeberg viel. Ik verwacht dat er bij tien doden consequenties zijn. Dan heeft de bevolking het wel gehad.’

Volgens Pronk is Uruzgan gevaarlijker dan Srebrenica. ‘Het is een volslagen trendbreuk met alles wat hiervoor was. Ik denk niet dat Nederland tientallen doden kan hebben. De kans is groot dat het tot onvoorziene emotionele situaties leidt.’

De VN-gezant te Darfur is nogal pessimistisch over de situatie die ontstaat als de bodybags worden ingevlogen op militaire vliegvelden. Pronk schraagt zijn bewering met de volgende analyse: ‘Nederland wordt steeds provincialer. De rationaliteit en de internationale betrokkenheid zijn afgenomen. De regering komt onder druk te staan van de eigen bevolking als het misgaat.’

Hans van Mierlo, oud-minister van Buitenlandse Zaken en minister van Staat, vindt dat in Nederland een ‘emotioneel klimaat’ heerst. ‘We hebben nog niet kunnen zien hoe er op veel doden wordt gereageerd. In de Amerikaanse samenleving is dat een probleem geworden ten tijde van de Vietnam-oorlog. Het is moeilijk in te schatten wat het effect in Nederland zal zijn. Aan de ene kant is er geen druk vanuit de publieke opinie geweest naar Uruzgan te gaan. Anderzijds: het zijn beroepsmilitairen en geen 19-jarige jongens die vanwege de dienstplicht moesten gaan.’

Bodybag-syndroom

Oud-minister van Defensie Frank de Grave was verantwoordelijk voor drie belangrijke missies en had geluk: er waren duizenden Nederlandse militairen in gevaarlijk gebied, maar er vielen geen doden. ‘Kijk, het tweede kabinet- Balkenende heeft deze afweging gemaakt, het parlement heeft dat in de volle breedte meegewogen en daarmee is het antwoord gegeven. Het blijkt pas of we het aankunnen als het zich voordoet. Toch heb ik het sterke gevoel dat de Nederlandse samenleving die bereidheid heeft. Het is geen ver van mijn bedshow. De aanslagen in New York, Madrid en Londen maken het concreter dat je iets moet doen tegen het internationaal terrorisme.’

Relus ter Beek, voormalig minister van Defensie, heeft eerder dit jaar voor de Adviesraad Internationale Vraagstukken het bodybag-syndroom geanalyseerd. ‘De these dat de eerste lijkzakken op vliegveld Eindhoven leiden tot een afbrokkelend draagvlak, is niet zonder meer waar. Het gaat om de legitimiteit van een missie, de belangen die meespelen en het complex van normen en waarden waarvoor Nederland zich sterk maakt.’

Ter Beek vindt wel dat bij grote risico’s zoals in Uruzgan het belangrijk is dat er een breed maatschappelijk draagvlak is. ‘De wereld is te klein bij een omstreden missie als Uruzgan. Voor Nederlanders zijn doden op dit moment moeilijk te verkroppen, zeker gezien de voorgeschiedenis.’ Het draagvlak is niet groot, analyseert Ter Beek. ‘Het kabinet heeft in den beginne twijfel laten blijken.’ Hij spreekt over een gebrek aan leiderschap: ‘Het kabinet heeft de kwestie om coalitiepolitieke redenen (regeringspartij D66 had de grootste moeite met de missie, red.) in het mandje van de Tweede Kamer geworpen.’

Wat betekent het voor politici om te beslissen over leven en dood? Terugblikkend zegt Frank de Grave: ‘Ik draag wel de eindveranwoordelijkheid als minister van Defensie. Ik ben degene die tegen militairen zegt: u gaat. Dat geeft wel spanning en een zekere emotie.’

De Grave spreekt over de ook door Nederlandse piloten uitgevoerde bombardementen op Belgrado in 1999. ‘Ik wist dat onze piloten heel goed zijn. Ik sprak ze toe op de vliegbasis Eindhoven. Dan zie je ook hun partners en kinderen. In die weken was ik door de spanning elke ochtend veel vroeger wakker. Wat zou er zijn gebeurd de afgelopen nacht? Die verantwoordelijkheid heb ik heel sterk gevoeld.’

Om de besluitvorming richting te geven te geven, bedacht minister Ter Beek het begrip ‘aanvaardbaar risico’. ‘Het is geen objectieve meetlat. Het ging er mij om dat ik als minister ook drie à vier jaar later nog zou kunnen verantwoorden dat er slachtoffers zijn gevallen. Het beoordelen van de risico’s liet ik aan militairen over. Ik zei weleens: ‘‘Jullie hebben ervoor doorgeleerd.’’ Maar als het misging, zou ik erop aangesproken worden, door de Kamer en de nabestaanden’.

Generaal Hans Couzy, voormalig bevelhebber van de landstrijdkrachten, vindt aanvaardbaar risico ‘een goede kreet’, generaal Van der Vlis zegt dat hij er wel mee overweg kon. Beiden adviseerden hun minister over operaties op de Balkan, waaronder de mislukte missie naar Srebrenica. Daar volstond de gebrekkige Nederlandse bescherming van de Moslim-mannen niet en stierven duizenden Bosniërs.

Beiden hadden weliswaar grote twijfels over het welslagen van die missie, maar rekenden niet op veel slachtoffers. Van der Vlis: ‘Ik was faliekant tegen de missie Srebrenica, maar heb niet gedacht dat onze mensen echt gevaar zouden lopen. Ik had enkele doden in mijn hoofd’. Couzy: ‘Uit het oogpunt van risico’s voor onze mensen, vond ik het wel aanvaardbaar. Er was geen reden om nee te zeggen. Ik verwachtte treiteren, pesterijen, gijzeling van onze troepen, maar geen grootschalig geweld’.

Beide topmilitairen hebben weleens het onaanvaardbaar uitgesproken over de uitzending van troepen. Van der Vlis: ‘Toen er sprake was van ongewapende soldaten voor een transportbataljon in Bosnië, heb ik tegen Ter Beek gezegd: ‘‘Over mijn lijk’’.’ Couzy sloeg alarm toen minister Pronk in 1993 een missie naar Rwanda opperde. ‘Ik was fel tegen. Dat had niets te maken met angst voor slachtoffers, maar zo’n missie was onuitvoerbaar in een gebied waar totale gekte heerste. Ik heb thuis gezegd: “Als het doorgaat, neem ik ontslag’’.’ In beide gevallen was Ter Beek overigens al tot dezelfde conclusie gekomen.

Noch bij Defensie, noch in de ministerraad wordt gespeculeerd over het mogelijke aantal slachtoffers. Couzy: ‘Een inschatting is niet te maken. Er zijn geen computermodellen voor. Ten tijde van de koude oorlog kon je nog wel globaal berekenen hoeveel slachtoffers er zouden vallen bij een operatie. In Afghanistan woedt een guerilla-oorlog, die is per definitie onvoorspelbaar. Het is vaak en kwestie van bad luck. De Nederlander is realistisch, hij weet dat sneuvelen erbij hoort. Ik denk dat het in de Tweede Kamer veel gevoeliger ligt.’

Van der Vlis denkt eveneens dat de publieke opinie een groter incasseringsvermogen heeft dan de politiek. ‘Bij de missie in Irak zag je, toen de eerste dode viel, dat zowel de minister-president als de minister van Defensie halsoverkop terugkeerde uit het buitenland. Toen dacht ik: wat gaan we doen als het echt oorlog wordt?’

Ter Beek: ‘In het kabinet heeft nooit iemand gevraagd: met hoeveel doden houd je rekening? Als ik thuiszat, vroeg ik me dat ook nooit af. Ik dacht: sta ik voor een goede zaak, kan ik nog in de spiegel kijken als er doden vallen?’

De Grave heeft vooral ten tijde van de Kosovo-bombardementen door F-16’s zijn hart vastgehouden. ‘Zeker als er meldingen kwamen waar een element van onzekerheid inzat. Bij een melding over een bombardement op een burgerdoel, zoals die bom op de markt, wist ik niet meteen of Nederland erbij betrokken was. Terwijl de samenleving onmiddellijk wil weten hoe het zit als er per ongeluk burgerslachtoffers worden gemaakt.’

De eerstverantwoordelijke minister voor de uitzending van troepen is die van Buitenlandse Zaken, maar in de praktijk praten alle ministers mee. De Grave: ‘Alle collega’s beseffen dat het om majeure beslissingen gaat. Het is geen wetsontwerp, maar een onderwerp waarbij je emoties hebt’.

Zware periode

Ten tijde van Srebrenica liepen de emoties in het kabinet hoop op. Pronk en Van Mierlo noemen die periode ‘zeer zwaar’. Pronk: ‘De inschatting van de ministers was zeer verschillend. Volgens mij waren onze mensen niet in gevaar.’

Gelukkig word je er niet van, als minister van Defensie. De Grave: ‘Als je puur als politicus redeneert, kun je beter niet aan riskante operaties beginnen. Het Grote Gebaar wordt gemaakt door Buitenlandse Zaken. Diplomaten denken altijd aan de rol van Nederland, onze aanwezigheid op het internationale toneel. Maar op het moment dat het fout gaat, is Buitenlandse Zaken in geen velden of wegen te bekennen. Dan mag Defensie de rotzooi opruimen.’

Volgens generaal Couzy werd Buitenlandse Zaken door militairen ‘onze grootste vijand’ genoemd. ‘Daar reageerde men altijd enthousiast op verzoeken om inzet van de krijgsmacht.’ Generaal Van der Vlis: ‘In mijn tijd bestond bij BZ de gedachte: wij doen de besluitvorming, jullie zorgen voor mankracht en materieel. Zo doen we dat dus niet. Wij zeiden: ho ho, kalm aan, het moet wel aanvaardbaar zijn binnen de grenzen van onze militaire mogelijkheden.’ Volgens Van der Vlis is er inmiddels veel verbeterd in de verstandhouding tussen BZ en Defensie. Bij de operatie Uruzgan is er sprake van nauwe samenwerking tussen diplomaten, militairen en deskundigen van Ontwikkelingssamenwerking.

Als de missie op publieke steun kan rekenen, ontstaat volgens Ter Beek een ander gevoel: ‘Die jongens zijn niet voor niets gestorven. Sterker nog: ze mógen niet voor niets zijn gestorven.’ Ter Beek: ‘Ik durf te voorspellen dat het draagvlak in de samenleving afbrokkelt, als er over het optreden van de militairen politiek geharrewar ontstaat. Dat draagvlak is toch al broos, het zal steeds opnieuw bevochten moeten worden’. Van Mierlo: ‘Het is een nachtmerrie voor iedereen als het in de verkiezingscampagne een nieuwe dynamiek krijgt’.

mailIcon print |