Na een gevecht op leven en dood in Phuket, Thailand, komen de overwinteraars Ferry en Rie op adem bij de pannenkoeken....
Ferry Holtkamp valt van het trapje naast het zwembad. Even ligt hij als een schildpad op zijn rug, dan veert hij mopperend overeind, de flesjes limonade nog in zijn handen. 'Wéér die knie', zegt hij met een verwijtende blik naar zijn vrouw Rie, die er ook niets aan kan doen. Holtkamp vervloekt zijn knie en excuseert zich voor zijn taalgebruik. Hij is zevenenzeventig maar dat heeft hier niets mee te maken. Die knie heeft hij zondag lelijk verdraaid toen de dood hier in Phuket zijn natte handen naar hem uitstrekte. De dood kon hem deze keer niets maken. 'Je gaat maar een keer dood', zegt Ferry, 'en dat ben ik al geweest.' Die opmerking slaat op zijn jaren in Japanse gevangenschap. 'Dát is een verháál!', zegt Rie, maar daar heeft Ferrry het nu niet over. Achttien jaar komen de Holtkamps al in Thailand en de meeste van die jaren zijn ze hier in Phuket, als het in Nederland winter is. 'De stranden zijn zo schoon, hier hè.' Rie ligt aan het zwembad van het hotel, en Ferry is even naar het postkantoor geweest, met die verdraaide knie en met zijn voeten die vol schrammen zitten. Hij moet in glas hebben getrapt, maar hij weet het niet zeker, zegt hij. Hij had zondag geen tijd om er acht op te slaan, en nu is het niet belangrijk meer. Zij verheugen zich al op de pannenkoeken met vanille-ijs en ook verder is aan hen niet te merken dat zij maandag maar ternauwernood aan de dood zijn ontsnapt. Zij stonden 's ochtends om tien uur aan het strand van Patong op de bus te wachten om naar het winkelcentrum te gaan. De zon scheen, en het waaide nauwelijks. Niets wees erop dat er iets zou gebeuren. Tot de zee verdween. Ferry keek naar de zee, die plotseling een kilometer ver weg was. 'Het strand was ineens zo ontzettend groot! De zee was eindeloos ver weg. Plotseling begonnen mensen onze kant op te rennen en te schreeuwen. En ineens herinnerde ik mij filmbeelden van vroeger van Nieuw-Guinea, waarop de zee net zo snel was verdwenen. Een Tsunami..., dacht ik, en ik riep ''Wegwezen!''' Iedereen rende weg van de zee, die even plotseling terugkwam als hij was verdwenen. Rie: 'Het water stortte zich in razend tempo op het strand.' Het kwam te snel voor Ferry en Rie. Ferry kon zich vastgrijpen aan de bus die net was gestopt. Hij slaagde erin zich naar binnen te werken, terwijl het water al aan zijn benen sleurde. Hij riep zijn vrouw: 'De bus in!', maar Rie kon het niet. De golven waren sneller en de zuiging van het water was te sterk. 'Ik kon me nog net vastgrijpen aan de bus, maar ik kwam er niet in. Ik hing daar, en ik dacht: ik laat me gaan. Als mijn man er onderdoor gaat, laat ik me ook gaan.' Maar Ferry ging er niet onderdoor en slaagde er met bovenmenselijke inspanning in haar bij de broekband te grijpen en haar naar binnen te trekken. Hij is een sterke vent. Een oud-marechaussee die graag een potje bokste en er niet tegen kan als een knie niet doet wat hij wil. Hij heeft te veel meegemaakt om zich door zoiets klein te laten krijgen. Getweeën klampten zij zich binnen in de bus vast aan een stang. 'Buiten stond een meisje, dat riep maar: ''Help... help... help...'' Wij waren radeloos. Wij wisten niet hoe we haar moesten helpen. Een Thai heeft het meisje toen naar zich toe geroepen. Ik weet niet wat er met haar is gebeurd, maar ik denk dat ze het gehaald heeft.' Overal werd om hulp geroepen. Machteloos moest het echtpaar toekijken hoe de enorme vloedgolf zelfs de zware bus optilde en hem neerkwakte tussen een lichtmast en een geldwisselkantoor. Aan doodgaan dacht hij geen moment. Dat deed hij al niet in de Japanse gevangenis. 'Je kon het aan de ogen van de mensen zien, wie het hadden opgegeven en wie niet. Zij die opgaven, gingen gauw dood.' Ferry niet. Ferry 'dacht alleen maar aan dat boek van Monte Christo. Ik wilde overleven.' Dat deed hij, meer dan drie jaar lang tegen verhongering en marteling in. Tot die ene keer, toen ze na eindeloze martelingen dachten dat hij echt dood was. 'Ik kwam bij in het lijkenhuisje. Bovenop mij lagen er twee die dysenterie hadden. Ik zat onder de slijmtroep.' Het bericht van zijn overlijden was al naar zijn familie gestuurd en hij was inderdaad meer dood dan levend. 'Ik was zo moe. Zo onzettend moe. Ik zag een landschap, met bergen en bomen en de zee. Ik hoorde de zee zelfs ruisen en het licht was zo ontzettend mooi. Ik zag mensen voorbijkomen, maar hoorde ze niet. Mooi was het. Alles was in harmonie.' Maar hij leefde, ging terug naar de barak en haalde het einde van de oorlog. Dat was de laatste keer dat Ferry Holtkamp overleed. Zondag had de dood daarom aan hem een kwaaie. Toen de bus tussen het geldwisselkantoor en de lichtmast lag, begon het water terug te stromen. 'Het ging net zo hard terug als het was gekomen, Het sleurde alles mee de zee in.' Toen het iets was gezakt klommen Ferry en Rie de bus uit. Voetje voor voetje schoven ze in de richting van een heuveltje. Schoenen hadden ze al niet meer aan hun voeten. Rie: 'Het water neemt alles mee. Je schoenen, je tas, je bril. Alles verdwijnt.' Zij trapten in allerlei scherps, waarschijnlijk glas, en onder water sloegen voortdurend stenen en wrakstukken tegen hun benen. Plastic wikkelde zich om Ferry's benen. Hij moest duiken om zijn benen te bevrijden. Ferry kreeg rioolwater binnen. Zij bereikten uiteindelijk het heuveltje en wachtten daar de tweede golf af. 'Je stond tot je dijen in de prut. Je bloedde als een rund, maar je voelde helemaal niks.' Hij heeft veel ervaring met pijn. 'Het is raar, met pijn. Ik heb gezien hoe ze de rug van een man opensneden en keukenzout in de wond smeerden. Hij zuchtte alleen maar. Pijn, daar kom je overheen. Ze kunnen je martelen, maar op een gegeven moment werkt het niet meer. Dan houden ze op.' Alleen aan zijn gebit, daar heeft zijn leven lang niemand meer aan mogen komen, sinds de Jappen zijn tanden hebben afgebroken om hem aan het praten te krijgen. 'De eerste die aan mijn tanden kwam, sloeg ik in mekaar. Dat werd dan een Jap voor mij hè', zegt hij. 'Het is de haat. Die haat hield mij destijds overeind, maar hij zet je ook in vlammen.' Nu heeft hij een kunstgebit. Zijn tanden zijn onder volle narcose getrokken. 'Toen ik bijkwam had ik een gebit. Maar het heeft nooit lekker gezeten.' Zondag voelde hij helemaal niets. Ook geen brandende haat. Alleen die onuitroeibare drang om te overleven. Na de tweede golf waadden ze naar het hotel Meridien. De lobby van het hotel stond vol water. 'Er dreef van alles rond. Rugzakken lagen in het water, en zelfs een pinautomaat. De winkeltjes in de hal waren helemaal in elkaar gedrukt.' Zij scholen op de vierde verdieping, kregen medicijnen van een Duitser en nieuwe kleren van een Joegoslaaf. 'Gloednieuwe, spierwitte hemden', zegt Ferry, en er schiet even een brok in zijn keel. 'Het is misschien raar, maar ik ben gevoelig voor die dingen.' Ten slotte werd het hotel Meridien geëvacueerd, omdat er een derde golf in aantocht was. 'Wij werden op vrachtwagens weggevoerd. Er waren mensen die namen al hun zware bagage mee.' Nu zitten zij weer in hun eigen hotel. Rie's benen zijn nog blauw en zwart en Ferry heeft nog wat pleisters, onder andere op die verdomde knie. Maar de pannenkoeken met vanille zijn weer heerlijk, en ze denken er niet aan om nu al weg te gaan. Daar zijn zij de mensen niet naar. 'Wij blijven gewoon tot de 23ste januari', zegt Rie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.