*

 

Een bouwer wil van alles veel

Van onze verslaggeefster Maud Effting − 28/11/09, 06:00

Bouwen, schouwen, rauwen, douwen: voor elk type kind is er passend speelgoed.

Echt fout speelgoed? ‘Zo’n hondje dat begint te blaffen als je op een knopje drukt’, zegt speelgoeddeskundige en ontwikkelingspsychologe Lisette van der Poel. ‘Het is te hard om te knuffelen en je kunt er verder niets mee. Het is veel beter als speelgoed op meerdere manieren te gebruiken is.’

Nog een week te gaan tot 5 december, en de stapel speelgoedfolders is tot ongekende hoogte gestegen. Maar hoe kies je als ouder uit die overdaad aan speelgoed?

Ouders zijn tegenwoordig geneigd te zoeken naar educatief speelgoed, stelt Van der Poel. ‘Maar speelgoed moet ook leuk zijn. Dat klinkt als een open deur, maar een kind moet er wel echt mee willen spelen. Dat wordt nog weleens vergeten.’

Volgens speelgoeddeskundige Marianne de Valck, eigenaar van een speelgoedadviesbureau, moeten ouders beter kijken naar de manier waarop hun kind speelt. Zelf deelt ze kinderen op basis daarvan in vier groepen in: rauwers, douwers, schouwers en bouwers.

Alle typen kunnen met een bal spelen, zegt De Valck. ‘Ze gebruiken hem alleen anders. De rauwer gaat ermee bewegen, terwijl de douwer uitprobeert wat er allemaal met een bal mogelijk is. Voor een rauwer koop je een bal waarmee je goed kunt voetballen, terwijl je voor de douwer een bijzondere bal koopt. En voor een bouwer koop je gewoon veel ballen.’

Over de douwers, de onderzoekende kinderen, krijgt De Valck af en toe bezorgde ouders aan de lijn. ‘Deze kinderen doen alles anders dan de fabrikant in gedachten had. Soms denken hun ouders dat hun kind niet goed speelt. Dan zeggen ze: mijn kind speelt met paperclips en niet met speelgoed. Of ze bouwen het plaatje op de verpakking niet na. Dan zeg ik: u bent juist gezegend met een kind dat zo inventief is.’

Aan het predicaat ‘speelgoed van het jaar’ hecht ze weinig waarde: het is een commercieel gedreven verkiezing. ‘De jury gaat niet zelf op zoek, en uiteindelijk mag het publiek kiezen. Bovendien wordt het speelgoed alleen geselecteerd als het overal verkrijgbaar is.’

Ouders moeten oppassen dat ze hun kinderen tijdens het spelen niet te snel aanwijzingen geven, vindt De Valck. ‘Op het moment dat je tegen een kind zegt: zo hoort het. Dan haal je alle initiatief weg. Vraag liever: wat zou je hiermee kunnen? Kinderen moeten de kans krijgen om te falen en ideeën te ontwikkelen. Ik zeg wel: meneer Ravensburger kan het toch nooit controleren. Maar mensen vinden het moeilijk hun kinderen te zien worstelen met speelgoed.’

En al geven beide deskundigen al jaren advies, ook zij vergissen zich wel eens. ‘Mijn dochter wilde per se een My little pony’, zegt Van der Poel. ‘Ik vond het walgelijk, maar daarin heb ik echt ongelijk gekregen. Ze glimmen en ze zijn roze, maar als je daar doorheen kunt kijken, ‘doen’ ze hetzelfde als barbies of de poppetjes van Playmobil. Je kunt er allerlei verhalen mee verzinnen. Mijn dochter heeft er maanden mee gespeeld.’

mailIcon print |